Citroencake in het bos

Vandaag zou mijn moeder tachtig zijn geworden. In plaats daarvan is ze al anderhalf jaar dood. Ik bak citroencake met Aran, naar het recept van die geweldige blog van Caroline en haar vriendinnen, de Universal Moms.
De hele ochtend heb ik foto’s van Aran zitten uitzoeken voor zijn twaalfde verjaardag, dan krijgt hij een fotoboek. Nog liever wil hij een playstation 5, maar je hebt waarde en waarde, dat weet je als twaalfjarige vast al – de playstations zijn bovendien allemaal uitverkocht.
Ik ben er een beetje wiebel van, van die foto’s, de cake, de rit naar mijn vader straks, meteen door naar het bos, naar het bankje voor mijn moeder. Met die cake natuurlijk, in de vorm van een hartje, een cakevorm uit het ouderlijk huis.
‘Ik bak toch niet meer,’ zei mijn vader.
Dus bak ik met Aran.
Ik mopper op de boter die vrolijk druipend uit de oven komt, waar ik hem – was de bedoeling – alleen maar even liet kamertemperaturen. Ik mopper op het meel, dat enorm volkoren is, wat niet helemaal hoort bij iets luchtigs als een cake.
‘Ik heb een soort van koud,’ zeg ik dan.
We hebben de eieren in het deeg, het meel zit er ook in.
‘Ik voel het aan je,’ zegt mijn oudste ernstig.

Droombaby

Vannacht droomde ik dat ik een baby ging ophalen bij de garderobe van de Praxis, maar dat de buurvrouw hem al had meegenomen. Er ontstond onenigheid over de vraag of dat mocht, zomaar baby’s aan buurvrouwen meegeven. Ik was daar ook druk mee bezig, in die droom. Volgens mij vond ik dat ze eerst een formulier had in moeten vullen. Dan had ik haar kunnen bellen.
Toen ik wakker werd vertelde ik het aan Aran en hij vroeg: wie laat er dan ook een baby achter in de garderobe van de Praxis. Sowieso: Garderobe? In een kluswinkel?
Ik moest bij de koffie, even later, denken aan een gesprek dat ik gisteren had, waarin ik ‘verwondering’ als antwoord gaf op de vraag wat ik mooi vond aan mijn dag.
Vandaag denk ik: misschien moet ik me ook eens afvragen wat er onder al die verwondering woont. Want wáár is die baby gebleven?

Steeds groter

Aran mag meedoen met een pilot van Alasca (Amsterdam Liberal Arts & Sciences Academie) waarbij achtstegroepers die wel een beetje klaar zijn met die achtste groep alvast op vrijdagen naar de middelbare mogen. Ontzettend fijn, want de verveling was behoorlijk aan het toeslaan.
Vandaag was de eerste keer, en we gingen fietsen. Over de brug, langs de nieuwbouw, bouwterrein op, keren, onze fietsen botsten even (hij was er met zijn hoofd niet helemaal bij), door naar de school, eerst kijken waar de ingang is, dan parkeren. We waren ruim op tijd, er was een jongen van zijn school, wat hielp, maar erg spraakzaam waren ze allebei niet. Ik en de moeder van die jongen juist wel, wij vulden de stilte en de jongetjes hielpen hier en daar een zinnetje.
Mooie school, lekker ruim, en nog ontdaan van al die gigantische middelbare scholieren, want die beginnen volgende week pas.
Uiteindelijk gingen we naar boven, waar de achtstegroepers een eigen lokaal kregen, fijn leek me, een soort van veilig eiland in de grote schoolzee.
‘High five?’ zei ik, toen Aran al naar binnen wilde lopen. Zijn gezicht stond bloedernstig.
Ik kreeg bij wijze van afscheid een kneepje in mijn hand, zo’n klein jongenshandje eigenlijk nog, warm en plakkerig.

(Over scheefhangende mensen)

Laatst zei iemand tegen me: ‘Wat ik grappig vind aan jouw blogs, is dat ze eigenlijk over hele kleine dingen gaan.’ Ik verstond: dat ze eigenlijk nergens over gaan.
Sindsdien vraag ik me af of dat waar is, en of ze niet eigenlijk over grotere dingen zouden moeten gaan. Of ik harder moet brullen (dat vraag ik me trouwens heel vaak af, moet ik harder brullen? Moet ik jullie vertellen dat ik boeken schrijf, dat iedereen ze moet lezen, dat ik iets vind van, ik noem maar wat, COVID-19? Zijn er meer mensen die dat hebben? Dat vraag ik me ook heel vaak af – zijn er meer mensen die vinden dat ze harder moeten brullen? En als het dan van de daken moet, waar die daken dan zijn?). Of zou ik juist heel blij naar mijn leven moeten kijken, omdat ik gestaag verder schrijf, omdat ik nog steeds die hoop niet heb opgegeven dat iedereen mijn boeken daadwerkelijk gaat lezen – ook zonder brullen. Dat ik blij ben omdat ik schrijf, punt (Een punt? Hebben meer mensen dat, van die dagen dat ze bang zijn om niet goed begrepen te worden – en zou dat met brullen samenhangen – hoe harder de wereld brult, hoe banger ze zijn dat niemand ze hoort?). (Hebben meer mensen dat: tussenhaakjes-dagen?).
En dan fiets ik naar de stad en loop een Spar binnen waar een jongen van de pakketdienst met een pakketje maar zonder mondkapje iets aan de de kassamevrouw vraagt die zowel afkeurend als angstig zo schuin achterover leunt dat ze bijna uit haar stoel valt. En daar sta ik dan te wachten, tot de jongen klaar is met brullen (hij brulde niet, maar dat zou leuk zijn, voor deze blog) en wegloopt. Tot ik aan de beurt ben om af te rekenen. Tot die mevrouw weer recht zit.

Piraten te voet

We zagen op het jeugdjournaal een jongen die 160 km naar zijn oma was gelopen, dus we dachten: wij lopen naar Melle, maar eerst tot Muiderberg, ik en de jongens, 22 kilometer over een dijk. Volgens het kaartje.
Dat ontdekten we als eerste: dat je beter je ogen dan het kaartje kunt geloven, want het stuk door het Diemerpark bleek niet rustiek en gezellig, maar een hysterische dure lycrapakjesfietsensnelweg: bizar coronaprobleem dat heel Nederland maar de hele tijd zo nodig buiten wil zijn. Overal die snelle wielen, met hun rottige neiging om te bellen in plaats van te zwenken.
Maar we zetten door, na het Diemerpark kwamen de schapen, oerkoeien, bomen vol vleermuizen, eindeloze meren en een kist met een piratenschat. We komen dus nooit meer terug, hebben onze baarden laten staan en ik heb ringen in mijn oren, de jongens nog niet, die moeten eerst nog drie haringen durven eten. Rauw en levend, zoals dat hoort op reis.

Ik loop

Doordat het ging sneeuwen was ik begonnen met lopen. Mijn studio is twintig minuten van de boot, en de route leidt langs een supermarkt en langs water.
Dat lopen bevalt na een ruime week zo goed, dat ik vind dat ik ermee door zou moeten gaan. Al was het maar omdat je de zin ‘ik liep me vanmorgen af te vragen’ dan zowel letterlijk als figuurlijk kunt nemen, wat heel bevredigend is.
Onderweg zijn er buurvrouwen, maak ik praatjes en glimlach naar mensen met mondkapjes die meestal eerst heel strak terugkijken en dan ontdooien.
Maar het kost zoveel tijd.
En ik voel in de verte de lente naderen en alle dingen die ik nog wil doen, binnen wil halen, geschreven wil hebben, iets met verslinden en grijpen en er doorheen rennen, nee racen, sneller dan ik zelf ben en dát is nou precies wat je niet doet met lopen, sneller zijn dan jezelf. Wat je misschien wel nooit bent, maar wat je wel kunt hopen? – of toch gewoon, nog even lopen.

Dingen die je nooit eerder deed en hoe dat komt

Gewapend met een lijstje begin ik aan mijn enige kinderloze dag van de week.
Het lijstje is wat ongelijksoortig, met boodschappen, een pakje dat weg moet, een boek dat geschreven moet worden, een budget berekend.
Zouden ze volgende week naar school gaan, de kinderen, en zo ja, hoe pakt onze school dat dan aan? Worden het weer halve dagen, wordt het twee dagen dicht omdat ze nog moeten nadenken over die dagen?
De somberte in mij zegt dat het me hoe dan ook tijd gaat kosten, weer een nieuw ritme, weer kunst en vliegwerk om werkuren te vinden, afspraken verzetten, organiseren. Maar ik voel ook een vlaagje weemoed als ik de zebra nader met het pakje in mijn hand, mijn mondkapje heb ik nog op, want ik deed al boodschappen. In het pakje een peperduur vest dat ik voor mijn vader uit Duitsland liet komen, dat te klein is.
Ik denk aan de start van de dag gisteren, hoe ik mopperend met een stofzuiger rondzwalkte, bakje kattenvoer in de andere hand, pen achter mijn oor, de jongens tussen de schriften en de weekoverzichten en dan eindelijk settelen, aan de tafel, concentratie die neerdaalt.
Ik stap met mijn pakje de zebra op. Een rood autootje is al gestopt, van rechts komt een enorme vuilniswagen aanscheuren, die me laat ziet, piepend remt, bijrijder bijna door de ruit. Ik schrik, maar lach, realiseer me dan dat de chauffeur dat niet kan zien mijn lach, vanwege dat mondkapje. Dus ik maak een sierlijke buiging. Op de zebra op dinsdagochtend, voor de vuilnisauto.

Floepie

Mijn hoofd verandert door dat thuiswerken. Kwestie van multitasken, ik ben vast de enige niet. Na ernstig overleg gisteravond is besloten dat Floepie vanmorgen meegaat met mijn zevenjarige Milo naar Annabelle. Annabelle en Eldur zitten in zijn klas en met hen heeft Milo een thuisleergroepje. Ik heb beloofd eraan te denken, dat we het beest niet eenzaam thuislaten.
Er valt niet veel te vergeten; Milo staat al om zeven uur met Floepie om zijn nek. De knuffelluiaard heeft lange armen met klittenband aan zijn poten, maar het zit niet lekker, want hij is tevens bijna net zo groot als Milo.
‘Gaan we?’ Het is inmiddels kwart over negen, Milo is er al minstens een kwartier klaar voor.
Ik knik terwijl ik ondertussen denk aan een fijn project waar ik straks aan wil gaan werken. Dat project gaat ook over dieren, maar dan niet het knuffelige soort. Ik moet de begroting nog opstellen. Maar eerst Milo op de fiets. Floepie mag achterop, ik moet hard trappen, ‘want Floepie vindt het eng,’ zegt mijn zoon bezorgd.
‘Gaat hij straks ook leren, net als jullie?’ Annabelle woont dichtbij. Ik stap af. Terwijl ik mijn fiets op slot zet besluit ik dat ik de begroting in meer posten moet verdelen, voor overzicht. Dat ik een dagdeelprijs moet verzinnen en hoe je dat doet als je uren sprokkelt. Wat eigenlijk de verhouding man/vrouw is die met zulke puzzels worstelt. Knuffeldier, werk, uren, en oh ja, boodschappen.
Willen alle moeders van Nederland even hun hand opsteken?
Of is dat weer te somber gedacht?
‘Floepie is heel slim,’ klinkt het een tikje beledigd naast me, ‘haal je hem nu van de fiets af?’
Als ik het knuffeldier van de fiets heb getild, realiseer ik me dat Floepie nu ook mee moet naar pianoles, vanmiddag. Ik zie de moeder van Annabelle al lopen, met zwarte schooltas, Milo, enorme knuffel om haar nek.
‘Maar Milo,’ vraag ik, ‘gaat Floepie dan ook samen met jou pianospelen?’
‘Mama,’ Milo kijkt me streng aan, ‘dat kán helemaal niet. Heb je weleens naar zijn handen gekeken?’

Overmangood

Sommige thuislesdagen duren langer dan andere. Deze duurde lang. Er kwam een mango in voor. En een foto waarop Milo en ik een rare bek trekken, maar die plaats ik lekker niet. We speelden een keer of vijf ‘Escape Room’, ideetje van dedagvandaag.nl die het weer van Klokhuis had geleend. Net als de vorige lockdown leer ik een hele nieuwe wereld kennen. Vanmorgen zaten we al enorm ijverig te tafelrappen. Het is een nieuwe wereld vol filmpjes, enorm vrolijke tips – man, ik krijg er plaatsvervangend kramp in mijn kaken van – en vooral ook; nieuwe woorden.
Al die tijd verheugde ik me erop dat ik misschien aan het einde van dag, nu ongeveer, zelf ook wat kon schrijven. Want ze zijn nu eindelijk lekker vertrouwd aan het gamen. Maar die mango dus, dat wou ik nog zeggen, die was geprint, in stukjes geknipt en moest toen weer bij elkaar gezocht worden. Dat duurde even. het was best leuk. Ik denk dat ik hem vanavond maar opeet. Want hoe ik ook rondkijk van binnen, veel zinnigs zit er niet meer in. Mijn hoofd is leeg gemangood (is dat met een t of een d? Categorie 11, vermoed ik, ik kan het de jongens niet vragen wegens gegame (gegame?) dus ik gok blind op die 11 (elf), op een ‘langer-maak-woord’, opdat je beter de -t of de -d kunt kiezen. Mangode? Echt geen idee meer, heel internet gaat schande van me spreken, gelukkig kan ik het morgen aan mijn twee jonge meesters vragen. Vraag ik ook meteen of ik eerder naar huis mag.