Onverwachte voordelen van corona

Mijn toetsenbord had het moeilijk (het piepte astmatisch) en daarom zocht ik al een tijdje een nieuwe. Online natuurlijk, want dan heb je lekker veel keuze. Ik had geen geluk; de eerste typte niet lekker. Bij de tweede bleef na een paar verhalen de enter-toets hangen.
‘Ik tik vast te hard,’ zei ik grappend tegen Willemijn.
‘Zeker weten,’ zei ze zonder echt heel hard terug te lachen.
Dus toen zocht ik een mooi, weinig geluid producerend apparaat en dat vond ik. Een Silver Eagle.
‘Heb je nou alweer een toetsenbord,’ zei Aran. Het was een plug and play, wat ze allemaal zeggen te zijn, deze had er nog een mooi handzaam muisje bij ook, en die deed het uitstekend, die muis. Maar het toetsenbord wilde geen contact met mijn computer. Wel plug, geen play.
Dus nu ga ik straks naar een toetsenbordwinkel. Een noodzakelijke verplaatsing.
De eigenaar van het kapotte toetsenbord belde me overigens nog heel vriendelijk om te kijken of hij kon helpen. Hij raadde me aan nog eens bij hem te bestellen, maar veel had hij niet in de aanbieding. ‘Dat is het voor- en nadeel van corona: al die thuiswerkers.’
‘En die gaan allemaal schrijven,’ zei ik begripvol.
Hij zuchtte. ‘Dat is natuurlijk goed voor mijn verkoop, maar het zijn er wel heel véél.’

Roze en pluizig

Ik had dikke zachte sokken gekocht om de wereld vandaag, om te beginnen bij mijn voeten, wat warmer te maken. Ze werden gisteravond direct geconfisqueerd.
Zo gaat dat met zachte warme dingen, er zijn altijd wezens die ze meer nodig hebben dan ik. Soms moet je die wezens dat gunnen.

Zo’n stukje dat eigenlijk te intiem is

Ik was even heel bang; zo van wow, ze woonde in zo’n Ariel doos in een hoekje van dat toch al zo donkere hoekjesvolle huis. Ze stond daar best.
Te snel, dacht ik angstig, te snel. Maar er zat dus best weinig as in die doos, bleek, voor de helft gevuld. En witter ook, ik heb een keer voor een boek opgezocht hoe dat zat, en toen leerde ik dat kinderen heel wit zijn, maar moeders dus blijkbaar ook. Ze vloog zo vanaf het bruggetje het water in, moest nog door een soort pijp en dan aan de andere kant de brede sloot in waar haar bankje stond. Had ik geregeld bij de gemeente. Een heel mooi, simpel bankje, ik moet er alleen nog stiekem haar naam op plakken. We liepen erheen, van de brug naar dat bankje, mijn vader molde onderweg de doos een beetje, mijn broer gooide het steentje dat je erbij krijgt als bewijs dat het je moeder is, in het water.
‘We kunnen kijken wanneer ze aan de andere kant de pijp uitkomt,’ zei mijn vader met een klein lachje, bijna tevreden. Het waaide en het water gleed voorbij, maar de as zagen we niet. We bedachten dat we bij het bankje heel veel bloembollen gaan planten, dat vrienden dat ook mogen doen. Dat jullie dat allemaal mogen doen; kom je een bankje tegen, plant er dan een bloembol bij. We hadden er al een paar bij ons, bloembollen, we waren al begonnen. Het verhaal was al begonnen, al lang natuurlijk. En toen ik dat allemaal had bedacht en naast mijn vader weer op dat verse bankje zat voelde het even heel vrij.
De as was weg, mijn moeder is overal.
‘Voelt het nou heel gek?’ vroeg ik hem, hij had de lege doos nog steeds tegen zich aangedrukt.
‘Niet gekker dan dat ze er niet meer is,’ zei hij.

Bier in de speeltuin

We stonden bij het schoolplein terwijl onze kinderen rondrenden alsof ze de hele dag met ducttape aan hun stoel vastgeplakt hadden gezeten. Wat misschien ook zo was, want de klas is onbegaanbaar gebied, dus moesten we geloven dat de foto’s en de berichten van de juf de waarheid waren. Misschien dat mensen achterdochtig worden als ze worden gedwongen te vertrouwen op zaken die ze niet kunnen zien. En moeten we dan, mijmerde ik, op scholen juist méér lessen in vertrouwen geven of juist lessen in ‘omgaan met je eigen achterdocht.’
De twee andere moeders hadden het over bier. Hun favoriete café had heel slim hun zelf gebrouwen bier in flessen gestopt en dat werd nu elke zaterdag bij de afhaalbalie verkocht. Er was één favoriet, die smaakte naar zomer. Ik trok mijn winterjas wat dichter tegen me aan. Mijn zoon kwam voorbijrennen in zijn T-shirt. Hij vindt sinds een paar dagen dat jassen nergens voor nodig zijn. Vertrouwde ik voor het gemak dan ook maar op, op zijn gevoel voor kou.
We liepen richting speeltuin.
‘Ik zou dat bier er zo bij kunnen halen,’ zei de ene moeder.
Ik bibberde inmiddels een beetje.
‘Met een vuurkorf erbij!’ opperde de andere moeder. ‘Of zou bier in een speeltuin niet mogen?’
We zagen klassenborrels voor ons, en gezellig samen om een vuurtje staan. Of nee, er waren restricties, regels, we werden niet geacht gezellig te doen. En toch; zo’n nieuwe vorm, waarin alles afhaal, alles buiten, alles met veel dekens en vuur gepaard ging. En met wandelen. Onverwachte winnaar van corona: de wandelschoenenspecialist.
We waren allemaal even stil. Het was donker aan het worden, al bijna etenstijd.
‘Ik hoop het wel,’ zei ik toen.

De verzorging van het haar zo doe je dat

Ik was bij de krullenkapper. Want ik geloof in sprookjes. Het was er druk en we hadden allemaal mondkapjes op, waardoor alle kapsters met hun enorme bossen krullen op elkaar leken. Dat vonden ze andersom van de klanten ook, we moesten steeds zeggen wat onze naam was. Gelukkig werden er geen benen afgehakt. Oeps, sorry, verkeerde been, je leek zo op de andere.
Ik keek naar mezelf in de spiegel. Heel lang leek het alsof er niets ging veranderen. De kapster knipte heel liefdevol vond ik, met kleine plukjes haar. Alles wat nog blond was (een eerder sprookje) werd eruit geknipt, dat wel, maar ik had zelf ook wel gezien dat die puntjes nogal op verdorde takjes leken. Herfst, ik had de herfst op mijn hoofd.
Toen moest ik föhnen op de kop, daarna met zo’n swoesj mijn hoofd omhoog. Toen had ik heel veel krullen, eventjes. Echt een grote bos.
Onderweg naar de studio begon het te regenen en ik had pijn in mijn oor van de wind, dus ik dacht na over mutsen.
Vanaf nu kijk ik niet meer in de spiegel, dan heb ik voor altijd heel veel krullen.

Een jaar

Morgen is mijn moeder een jaar dood. Ik kijk al een tijdje naar die dag in mijn agenda. Zoals hij daar tussen de andere dagen ligt als een vetbubbel, ongrijpbaar.
Ik ga naar mijn vader, morgen, maar we hebben het er nauwelijks over. Onze gesprekken zijn praktisch. Over wandelen in het bos, over geldzaken, wie het huis schoonmaakt. Ik krijg altijd na een tijdje heimwee naar haar, als ik daar ben, ook daar heb ik het nooit over. Niet omdat het niet mag, maar omdat die vetbubbel ook in mijn keel zit.
Ik droom van haar, van haar afwezigheid; dat ik met mijn jongetjes hun straat inrijd en de weg is afgesloten, de ramen zijn dicht. Ik sta voor het huis omhoog te kijken. Wat me weer doet denken aan een veel oudere nachtmerrie, die ik als kind vaak had. Dat het huis in de fik stond en dat ik mijn ouders riep en mijn moeder me streng meenam naar boven. ‘Want we moeten eerst de gordijnen dichtdoen.’
Nu zijn ze dicht, in deze nieuwe droom, die gordijnen. Er hangt nog wat vergeten wasgoed – waardoor ik wéét dat het een droom is, mijn moeder zou nóóit wasgoed buiten hangen.
Die factor tijd, zo onmogelijk. Dat ik morgen naar mijn vader ga, dat de vetbubbel dan in de kamer hangt, en of we er zelf nog wel bij passen. Ik schrijf het steeds opnieuw op briefjes, aan vrienden, maar ik krijg het niet hardop gezegd; dat het al bijna een jaar geleden is. Dat ze er al zo lang niet meer is.

Klaar voor de laatste van de kinderboekenweek

Mijn tas staat klaar, de Powerpoint stuurde ik gisteren naar basisschool Ter Cleeff. Straks rij ik ernaartoe, met die mix van zenuwen en nieuwsgierigheid. Het zijn groepen vijf en zes, de jaren waar de meisjes de hoogte in schieten en de jongens zich nog rond en wollig in kluitjes voortbewegen.
Vier klassen achter elkaar, die in omvang toenemen; eerst twee keer ruim dertig, daarna twee keer bijna vijftig kinderen. Mijn Powerpoint is mijn houvast, want na twee klassen weet ik niet meer wat ik al heb verteld, zodat ik steeds op het digiboard kan kijken wie ik ook alweer ben.
Geen foto’s (denk ik), dikke trui aan want laatst stonden de ramen zó ver open dat ik rillend de les afmaakte.
‘Ik sloot ze gisteren omdat hun lippen blauw werden,’ zei de juf verontschuldigend, ‘maar werd meteen door een ouder gebeld dat mijn ramen niet dicht mogen.’
Scholen, die kleine bolwerkjes, die mini samenlevingen en ik, de gast, met een tas vol briefkaarten met Beste broers voorop en achterop schreef ik 100 keer ‘ook met groeten van Jowi’. Voor opa of oma.

Winst

Tussen het schrijven door rij ik naar mijn vader. Hij krijgt vandaag, omdat hij een staaroperatie heeft gehad, een nieuwe oogmeting.
Zijn dag gaat wat stroef merk ik, en ik help niet. Ik sta te snel afgesteld, hij te langzaam. Dat vertraagt hem nog meer, en maakt mij een stuiterballetje.
Desondanks kopen we een scheerapparaat met een leuke draaikop, en we zoeken in de boekhandel ernaast naar een harde kaft, ruitjespapier, ringblok. We vinden het niet, maar dat hoort bij een zoektocht, besluiten we. Bij de opticien struikelt mijn vader over het opstapje, hij houdt zijn balans, maar we schrikken allebei en ik denk; hoe zou dat voor mij zijn, na weken geen of nauwelijks mensen die winkels, deze interactie. Iets met een stroboscoop denk ik vaag, en hol snel een Kruidvat in om spullen te kopen die ik niet nodig heb.
Als ik mijn vader twintig minuten later weer ophaal, ziet hij er uitgeput uit. Maar de opticien is tevreden: ‘Eerst drieënhalf nu anderhalf. En rechts bijna honderd procent.’ Het nieuw geslepen glas is over een week klaar, dan mogen we de bril langsbrengen en wordt alles in elkaar gezet.
Mijn vader neemt de drempel dit keer zorgvuldig. We slaan de Hema bij nader inzien over; het voelt allemaal net iets te wiebelig. Zijn knie, de wereld, al die mondkapjes.
‘Dat ging goed,’ zeg ik bij de auto. ‘Goeie cijfers,’ voeg ik eraan toe.
Hij knikt weer, en kijkt dan even net als een opgetogen schooljongen: ‘Welk cijfer had ik ook alweer?’

Stickie

’s Ochtends maakt Aran zijn presentatie af, over boten, hij heeft er de afgelopen dagen een powerpoint bij gemaakt, maar oh ja, het moet op een stickie, want anders is het gedoe met inloggen en uitloggen op school zegt de meester en zijn laptop (nog van mijn moeder geweest) heeft allerlei gedeactiveerde software en is ook nog eens heel traag, waarna de USB stick onvoldoende geheugen blijkt te bezitten en de printer, theoretisch draadloos, nergens een computer vindt of andersom.
We hebben nog tien minuten, Spinvis staat op (de nieuwe liefde van Milo die hem ‘meneer Spinvis’ noemt en ondertussen kunst op mijn telefoon produceert), er moeten nog haren gevlochten en iets met tandenpoetsen, Arans presentatie komt terecht op een andere stick waar ook al mijn presentaties op staan (‘niet kwijtraken!’ roep ik) en de printer print een blaadje met onleesbare tekens. We halen even adem.
Drie minuten nog, en dan -1, we zoeken de printer die naast ons staat, mijn computer ziet hem, eindelijk, ‘misschien moet ik de meester appen dat het niet lukt,’ fluistert Aran. ‘Even wachten,’ snauw ik en tegen Milo roep ik dat hij zijn schoenen aan moet trekken. Ja, het staat erop, waar is de Aran-presentatie? Oh, die heet gewoon ‘presentatie’, stickie eruit, nu allemaal op zoek naar onze spullen, brood, drinken, tassen, is er gym? Wat had ik zelf ook alweer nodig, een tas, waar is mijn telefoon – op het bed, er staat een plaatje op – daar is mijn geld en hoewel mijn fiets nat is, zit er een plasticje om het zitje voor Milo, die anders met kletsnatte broek de school in moet hollen, het is glad door alle bladeren, maar hij glijdt niet uit. Aran heeft zijn fiets zonder piepen gepakt ondanks zijn angst voor Harry de reuzenspin die ernaast woont en wespen kan vangen, we halen het heus nog wel als we doorfietsen. ‘Komt allemaal goed jongens,’ zeg ik. Ze knikken.
Het ís al goed.