Limonade

Mijn moeder had vijf jaar kanker, dus we wisten de route, maar niet hoe lang we hem konden lopen. En dan eindigt die weg altijd sneller dan gedacht.
Het achterblijven voelt verwarrend. De onomkeerbaarheid van sterven; iedereen die ooit met een stokje in een dood vogeltje heeft geprikt weet hoe dood dood kan zijn, en toch blijft mijn hoofd erop botsen. Ook omdat we alles zo goed hebben gedaan. Het sterven, thuis, met de poes op bed, mijn vader ernaast, ik op de bank, mijn broer in de buurt. De crematie; heel veel mensen, goeie verhalen. Alsof je, als alles zo goed gaat, een beloning verwacht. Onbewust natuurlijk. Als je vroeger straf had, mocht je immers meestal, na afloop van die straf, wel weer een keer limonade. En als je heel erg je best had gedaan al helemaal. Ik zie geen limonade.
Nu is het vandaag, het is herfstvakantie, de jongetjes sopten en stofzogen de boot en, jawel, kregen als beloning schermtijd. Ze zijn nu vol overgave robots aan het neerschieten. Ik hark wat door verstofte afspraken, zoek een kastje voor de badkamer. Neem er de tijd voor, zei een vriend. Ik weet niet of dit telt als ‘tijd’. Maar ik heb nog de rest van mijn leven om te oefenen.

Palen in zee

Mijn moeder is dood. Ze is afgelopen zondag overleden. Zaterdag kwam ik hier (Oegstgeest, het ouderlijk huis) toen leefde ze nog. Maar goed ging het niet. Ingevallen gezicht, ze had ook zuurstof, die niet hielp. Later had ze morfine, een klein beetje maar, zei de dokter, om haar met haar benauwdheid te helpen. Haar laatste gesprek met ons, aan tafel – mijn vader en broer er ook bij – ging over herfsttijlozen, en krokussen en dat ze zo mooi zijn deze tijd van het jaar. En dat mensen het verschil niet weten. ‘Krokussen zijn groter,’ zei ze. Denk ik.
Ze had zich zo verheugd op mijn komst, fluisterde ze ook nog tegen me (haar stem was al een week weg), ‘maar niet zo.’

De afgelopen vijf jaar heeft ze kanker gehad. Een zeldzame sarcoom, die begon in haar been, toen terugkwam in haar schouder, toen weer in haar been en uiteindelijk, augustus, twee maanden geleden nog maar, in haar longen. Januari dit jaar werd haar been geamputeerd. Grondig, inclusief heup, een hemipelvectomie, haar been gaf ze mee aan de wetenschap.
Ze bleek kampioen revalideren, mijn moeder. Met grote rust, ernst en aandacht gaf ze elke nieuwe situatie vorm, waarbij mijn vader minstens zo waardig niet van haar zijde week. ‘Mantelzorg’ was niet het juiste woord voor zijn houding. Hij ging waar zij ging, vanzelfsprekend. Ik zie twee mensen voor me, die moedig de berg op klimmen, ook al wil je niet naar de top. Steeds iets krommer door elke nieuwe tegenslag, maar zonder haperend ritme, en als er dan uitgerust moest worden, dan genoten ze samen van het uitzicht. Dat heb ik ervan geleerd: dat er in één moment meerdere gevoelens tegelijk kunnen bestaan. Schoonheid, verdriet, dood. Gevoelens die tegelijkertijd bestaan, soms nauwelijks met elkaar verbonden, of alleen in een onderstroom, als palen in zee.
Neem nu: in de achterkamer ligt de kist met mijn moeder. Op de voorgrond zitten mijn twee zonen met een dekentje, poes Dikkie steekt blij zijn nagels steeds opnieuw in het been van Aran. Ze mogen tekenfilms kijken, dat heb ik ze gisteren al beloofd: ‘We slapen bij opa met zijn drieën boven in het logeerkamertje en daarna mogen jullie tekenfilms kijken.’ Dus ze zaten klaar, strak om zeven uur. ‘Het is wel raar om hier te zijn,’ zei Aran vlak voor we de trap af slopen, ‘maar ook fijn.’

Stoeptegel

Na de Boekenweek voor jongeren, wat een week lang heel veel middelbare scholen betekende, was ik in de klas van Milo. Een verse groep 3, waar kinderen nog grote ogen krijgen als je behalve moeder ook auteur blijkt te zijn. We gingen een verhaal maken, dat had ik Milo en de juf beloofd, ik had mijn boeken bij me maar niet mijn gebruikelijke powerpoint show, want dit was intiem en klein. Een verhaal over dieren.
‘Jullie kunnen dat’, zei ik.
Wat ook zo was.
Al snel hadden we twee poezen in de hoofdrol die in een nat herfstbos een geweldige hut bouwden en toen ze een kind in een kuil om hulp hoorden roepen, onmiddellijk klaar stonden om te helpen.
De naam van de ene poes was iets van Poezel, de andere naam leverde een hobbeltje op.
‘Het hoeft niet poesachtig te ziijn,’ hielp ik. ‘Alles mag; tafel, stoel, deurpost.’ Ongelovig gelach. In groep drie leer je vooral dat níet meer ‘alles’ mag.
‘Stoeptegel’, zei een jongetje rechts van me. Ik vond het een mooie naam.
‘Maar dat is een jongensnaam!’ riep een meisje. ik was het met haar eens, er zat beslist iets jongensachtigs in de naam Stoeptegel. Heel even hadden we het over genderfluiditeit en net zo makkelijk waren we het eens dat het allemaal geen bal uitmaakt, dat een poes zelf wel bepaalt hoe hij of zij heet. Enige punt was misschien dat ‘Stoeptegel’ wat lang is om te roepen als je haast hebt.
‘Stoep,’ zei het meisje uiteindelijk en het jongetje knikte. In de kuil met het kind was inmiddels water gelopen dat steeds maar hoger kwam, maar Stoep en Poezel bleken in staat razendsnel een trap te bouwen.
‘Of niet,’ zei het jongetje, dat de eindeloze mogelijkheden van ‘alles mag’ begon in te zien. Omdat Stoep toen al halverwege de trap was en Poezel het kind al gegrepen had, sprak ik met het jongetje af dat hij zijn eigen einde nog ging verzinnen. Daar waren we allebei erg tevreden over.

Het vermoorde theater

Er zijn projecten die als water over drempels druppelen, door kieren glijden, onder nagels gaan zitten en blijven zitten. De verfilming van Ik heet Olivia en daar kan ik ook niks aan doen, bijvoorbeeld. Dat project sijpelt al een paar jaar. Het sijpelt dóór, dat wel, het stopt niet, maar stromen, dat ook weer niet. En toch, ze léven wel en voor al het leven, vind ik, moet je respect hebben. Het zijn de schildpadden onder de projecten, schildpadden met enige oriëntatievrees. Het vermoorde theater leek zo’n project. Maanden zoeken naar de ingang. Tot die er opeens was. En nu is er dus een film! En wat voor een film.
Het is zomaar de nieuwe documentaire van de geweldige Frans Weisz, en ik mocht (in samenwerking met Erik Disselhof) het scenario en de tekst schrijven. Scenario? Bij een documentaire? Ga maar kijken. Dan zie je die leuke Vincent van der Valk ook.
De film gaat bij Film at the Sea in première. Zaterdag 14 september.

Pionierspiemels

Op de laatste dag van Theaterfestival Boulevard loopt er een dichter BLVR&D binnen. Ik zit niet op dezelfde plek als aan het begin van de week, achter mijn bordje ‘hier zit de BLVR&D schrijver’, maar hij herkent me toch. Ik vermoed zelfs dat hij speciaal even voor mij op bezoek komt. Hij heeft een ticket gekocht zegt hij, en de voorstelling begint over twintig minuten. ‘Ik wilde even kijken hoe het hier veranderd is.’
We kijken samen: de zee aan post-its, een wereld van handschriften, doorwrochte meningen, lollige opmerkingen, en op de spandoeken die buiten hingen met de vraag van de dag, ook wat piemels. (Later vraagt Milo, die me op komt halen; waarom doen mensen dat? En voor ik antwoord kan geven heeft hij een stift gepakt en tekent er eigenhandig nog wat piemeltjes bij)
We hadden net een bijeenkomst, zeg ik tegen de dichter. Wat leuk, zegt hij. waarover? Over inclusiviteit.
Het was een goeie, zeg ik. We zijn aangeraakt, aan het denken gezet. Een waardige laatste bijeenkomst van een pioniersproject.
De dichter zegt: diversiteit, daar heb ik een keer een gedicht over geschreven, zal ik het voorlezen?
Hij leest voor. De mensen van de werksessie drinken hun koffie op en vertrekken. Nog even en we gaan evalueren hoe het was. Niet dat de conclusie moeilijk is: het was geweldig.

de laatste dag

Ik liep naar binnen, zette mijn laptop naast mijn naambordje. In mijn hoofd een liedje. Buiten de tenten van het plein. Een zingende technicus. Ik ging zitten, opende mijn laptop, miste koffie, nam me voor die later te halen. Het was hier helemaal leeg, geen overleg in de hoek, geen onrust met tafeltjes. Lekker, kon ik nog een paar meter verhaal voor de eerste werksessie. Een lege, nogal uit de kluiten gewassen werkplek voor mij en mijn laptop. Het naambordje viel om, ik liet het liggen en toen bedacht ik: eigenlijk woon ik hier een beetje. Ik begon te tikken, stond op. Pakte mijn telefoon, nam een foto. Om dat gevoel vast te leggen. Maar dat lukte natuurlijk helemaal niet.

Pakkertje

Gisteren mocht ik bij Theaterfestival Boulevard het gesprek van de dag modereren. Tussen theatermaaksters Nazmiye Oral en Sachli Gholamalizad. Oké, we doken er wat halsoverkop in en ik vergat me voor te stellen, maar uiteindelijk vond ik het heerlijk. Later zag ik Sachli’s indrukwekkende voorstelling Let us believe in the beginning of the cold season, waardoor ik weer anders terugkeek op die meneer uit het publiek die zei dat hij er niets van begrepen had. Ik ook niet, maar ik verstond heel veel. Deze nog het meest:

Sachli vertelde over tikkertje, vroeger, op het schoolplein. Ze was nog niet zo lang uit Iran in België, wilde deel uitmaken van een groep. Defining moments heet dat geloof ik. Ik heb ook zo’n tikkertje. Het ingegrifte van de herinnering – maar ook anders. En met een andere latere conclusie -afijn. Ik schrijf het gewoon op.

Sachli vertelde dat ze tikkertje speelden op het schoolplein en als de meisjes zich verstopten op de meisjes-wc, dan hadden ze gewonnen, want daar mochten de jongens niet komen. Dat zij, Sachli, op een dag niet naar de wc vluchtte, maar op het plein bleef staan, heel tikbaar. Dat jongens tóch eerst naar de wc renden en dat toen plots het spel was afgelopen; de meisjes hadden gewonnen. Ik tel niet mee, was haar conclusie. Ik ben onzichtbaar.

Mijn tikkertje was meer pakkertje. De jongens duwden de meisjes achter de school tegen de muur en hielden ze daar gevangen. Mij pakten ze nooit. Omdat ik te snel was, dacht ik eerst.
Tot ik het begon te willen, gevangen worden. Dus rende ik steeds langzamer, ze pakten me nog steeds niet. Die muur achter de school, waar zo hard gegild werd, werd iets aantrekkelijks. Ik vatte moed, ging alvast bij die muur staan. Naast het mooiste meisje van de klas, dat altijd als eerste werd gepakt, altijd tegen die muur werd gedrukt. Ik wrong me naast haar, gilde vol overgave mee. Tot de jongen die bezig was het mooiste meisje gevangen te houden, me raar aankeek. Zijn blik kantelde mijn wereld. Met een gevoel van diepe schaamte gleed mijn hart zo via mijn benen de grond in. Ik stond daar wel te gillen dat ik gevangen was, maar niemand hield me vast.

Het leven van een plopkap

3 augustus

Ik was met de jongetjes, dat geeft een heel andere dynamiek. Ik had kaartjes geregeld voor Pak ‘m, maar had bovenal veel zin om ze het festival te laten zien, om rond te lopen als een bezoeker. Iets minder van A naar B, wat meer in krulletjes, cirkels, van voor naar achter. Ze kwamen om twee uur, één grote en twee klein, toen hadden we nog een uur om bij de voorstelling te komen. Dus we gingen naar BLVR&D ik liet ze de ruimte zien waar ik werk en waar ze niet van onder de indruk waren. De grote aluminium trap beviel beter; ze konden meerdere treden per stap.
Toen het plein op, daar waren ze wél van onder de indruk. Van de drukte vooral, en het feit dat iedereen hoger was dan zij. De gebreide Minotaurus sprak Milo wel aan, hoewel hij niet helemaal snapte wat het ding daar deed en waarom hij niet bewoog of een kunstje kon. We liepen naar het Josephkwartier waar een kinderclub van Artemis was, waar Aran niet bij wilde, zelfs al was het er verboden voor ouders. Misschien had hij me te lang niet gezien. Wil hij juist wél met ouders. Ik trok hem op schoot. Als je tien bent en in ‘s-Hertogenbosch dan kan dat best. Milo ontdekte de interactieve robots een tafeltje verderop en sorteerde schroefjes voor ze. Daarna maakte hij torens, die vonden de robots erg mooi. Of de jongens de voorstelling ook mooi vonden kon ik niet helemaal peilen. Milo mopperde toen we na afloop naar buiten liepen, maar hij was wel blij met de multifunctionele miniplopkap die hij cadeau kreeg. Daar speelde hij ook heel multifunctioneel mee, Aran trouwens ook. En vanmorgen, vlak voor ze weer vertrokken opdat ik weer stukjes kon gaan schrijven en voorstellingen kon bezoeken, zei Milo opeens: ‘Weet je wat ik leuk vond mam, dat die plopkap oogjes had.’

Lachen met natte ogen

2 augustus. Er zit hier Bikram yoga om de hoek en nu aarzel ik of ik er om negen uur of om elf uur heen zal gaan. Als ik om elf uur ga heb ik meer tijd om te schrijven, want vandaag komen mijn zoons samen met Edwin van Theaterfestival Boulevard proeven. We gaan naar Pak ‘m van Bonte Hond in de Theatertent en daar heb ik zin in, want ik ben nog nauwelijks op het plein geweest. Ik zat vooral in het laboratorium van hoofd, hart en hoop, zoals chefkrant Eric het onderzoekscentrum van t festival noemt: BLVR&D (Research&Development), aan een tafeltje. Met een bordje. ‘Hier zit de schrijver’. Later zat ik in hetzelfde centrum aan een ander tafeltje, toen de werksessie over Publieke Ruimte ging. Ik kreeg ontzettend veel zin om volgend jaar die plek nog wat meer vorm te geven. Geen BLVR&D wat niemand begrijpt, maar een beter woord dat ook de gemeenschappelijkheid beter weergeeft. De kantine, het brein, Socrates. Ja, Socrates, da’s grappig; voor al uw vragen en opmerkingen.
‘Waar zit je?’
‘We zitten in Socrates het festival minder elitair te maken.’

Half negen, wat ga ik doen? Het is maar vijf minuten fietsen naar Bikram. Maar toch; schrijftijd. Anderzijds; het is heel nuttig, festival kijken door kinderogen. Ik heb gisteren bij de werksessie in het kader van ‘verzin je ideale festivalplein’ een Skywalk voor ze bedacht. Met touwladders in de kastanjes. Job bedacht al een fontein.

Wat me altijd opvalt in ’s Hertogenbosch; de bereidheid van bezoekers om met je te praten. Gisteravond zat ik in de Verkadefabriek naast een moeder en haar dochter bij de voorstelling Augusto, van Alessandro Sciarroni met almaar lachende dansers. Ik zat vooraan helemaal links en ze vertelden dat ze vooral waren gegaan omdat grootmoeder Sciarroni heette. Ze vonden het zelf ook een grappige reden. En ze hielden van dans, dat zei de moeder er snel bij. Oh, en, snelle blik op haar zo te zien volwassen dochter, haar dochter betaalde tegenwoordig zelf. Ik vond dat een lief detail. Het kind dat altijd meeging naar het festival en nu vrijwillig een eigen kaartje koopt. De dochter zei ook meteen; en dat vind ik echt niet erg.
Ik holde na afloop achter ze aan, want ze waren snel weg. ‘Er zat meer in,’ zei de moeder. ‘Ik weet zeker dat er meer in zat.’

Achter haar, aan het einde van de gang, hing een man ondersteboven. Ik zag alleen zijn onderstebovenbovenlichaam, en vroeg me af of ik naar zelfdoding keek, nogal een thema, gezien de openingsvoorstelling. Maar ik zei niks. Toen moeder en dochter hun spullen uit de kluisjes hadden gepakt en vertrokken waren, liep ik eerst naar het café en gluurde naar links. Kon ik die man zien? Zou er niet iemand gaan gillen als daar écht een man hing. Was dat niet al iemand vóór mij opgevallen?

Maar toen wist ik het weer: je bent verantwoordelijk voor wat je ziet. Dat is één van die ongemakkelijke waarheden die horen bij jezelf en de wereld serieus nemen. Een beetje als geen vlees eten omdat ik in mijn hoofd het beeld levende koe niet met eetbare koe kan verenigen. Dus dan telt ‘maar ik vind het zo lekker’ ook niet meer. In dit geval vond ik het ook helemaal niet ‘lekker’, die hangende man, maar eng. Maar het moest.

Ik liep dus terug langs de kluisjes, iets verder de gang in, richting lijk. Hé, daar hing ook een varken. Theater, registreerde mijn hoofd ogenblikkelijk, ik ontspande. En ja, de man was een pop, opgehangen in een atelier. Er stond ‘cabaret’ op de muur, maar daar lach ik ook nooit heel hard om. Ik liep terug door de gang, opgelucht. Naar mijn fiets, tranen van moeheid in mijn ogen opeens, en dat na nog maar twee dagen. Vroeg naar bed, Twix gegeten, nootjes, geen alcohol. Opdat ik vandaag eerst yoga kon doen, hoofd leeg, reset, en dan hups er weer in. Ik ga.