Nog even fixen

Nog even fixen is het refrein dat al dagen door mijn hoofd stuitert. Nog even dit, nog even dat, mijn hoofd in allemaal brokjes uit elkaar gevallen. Brokjes jongens, brokjes verdriet, brokjes verhuizing en verlangen. Geen wonder dat ik gisteren onderweg naar de supermarkt steeds dacht: een heel eenvoudig verhaal, ik ga een heel eenvoudig verhaal schrijven. Maar verder dacht ik niet, want toen was ik al bij de supermarkt en zag ik hoe vol het was, pakte ik een scanner en was per direct vergeten wat ik ook alweer ging kopen. Daar had ik natuurlijk op geanticipeerd dus ik trok verwachtingsvol het door mij, tien luttele eerdere minuten geschreven, lijstje uit de broekzak. Er stond: Fruit. Groente. Smint. En ik had gelijk natuurlijk, de mij van tien minuten wist precies wat ik nodig had.

Het nieuwe nastreven

Gisteren was ik bij mijn vader omdat hij een nieuwe koelkast kreeg. Natuurlijk kwamen ze later dan ze zeiden, dus we hadden tijd om in de woest verwilderde tuin een haring te eten, en de wat zachte paprika ook maar meteen, want misschien moest die nieuwe wel 24 uur zonder stroom vanwege het veilig terugklotsen van de koelvloeistof.
‘Veertig jaar,’ zei mijn vader, toen de haring op was. ‘Volgens mij hadden we de vorige al toen we hier naartoe verhuisden.’
Deze nieuwe had waarschijnlijk een vriesdeur die wél openwilde en die minder hard bromde, de hele tijd. Daar verheugden we ons op.
Toen we een paar weken geleden begonen met zoeken naar een nieuw apparaat, had mijn vader nog even bezorgd gekeken.
‘Ben ik er niet te oud voor, voor iets nieuws?’
‘Nooit,’ zei ik ferm.
Hij dachte er even over na en knikte toen ernstig.
Er werd aangebeld, twee forse mannen reden de Liebherr naar binnen. De oude Miele moest van de muur worden getrokken, maar ook dat hadden ze zo voor elkaar.
De nieuwe koelkast bleek meer twee uur zonder stroom te hoeven. Dat ging de overgebleven sla nog wel redden.
Ik kon niet blijven om te luisteren hoe hij klonk, maar ik ga wel binnenkort ijs meenemen. En doen we die vriesdeur een paar keer extra open en weer dicht. Omdat het nu kan.

Feelgoodboek

 

Ik woon op een boot, maar mijn hoofd klotst deze weken ook. Er is een avondvierdaagse, er zijn feestjes en  – o ja schaken regelen – er zijn andere, ernstiger zaken die mijn hoofd vullen. Ondertussen wandelt het Zeemeermeisje al door de wereld en druppelen de fijne reacties binnen. Vaak ook verbaasde reacties: ‘Ik lees nooit kinderboeken, maar deze voelde helemaal niet als een kinderboek.’
Van 9 tot 99, dat is mijn nieuwe genre. Doelgroepverbreding. Dubieus wellicht, omdat ik ze zelf schrijf – maar ik geloof er oprecht in – dat sommige kinderboeken, verse, Nederlandstalige kinderboeken, eigenlijk vanaf nu een eigen categorie voor volwassenen zouden moeten krijgen.
Zoals spelletjes; van 9-tot-99, sommige kinderboeken kunnen dat dus ook, echt niet alleen mijn Zeemeermeisje. Die 9-tot-99-boeken leveren het ultieme feelgood leesvoer, beter dan een chicklit boek omdat er meer onderwerpen aan bod komen, bovendien weet je zeker dat je het verhaal gaat begrijpen, bovendien ga je dieptes zien die je niet had verwacht in een kinderboek, maar die er dus wel in zitten. Feelgood met liefdevolle diepgang, als dát geen troost biedt…
Iets voor het CPNB om op te pakken? Dan heeft zo’n genre wel een nieuwe naam nodig, want er zijn mensen die bij ‘kinderboek’ meteen denken: niks voor mij.
Familieboek? Feelgoedboek? Goedboek? Suggesties?

 

Vrienden en een gouden horloge

De ochtend van de boekpresentatie was ik in de klas van Milo om een verhaal met ze te maken. Ik had stickers van Zeemeermeisje bij me waar ik uiteraard heel verantwoordelijk mee omging. ‘Niet op de school plakken hoor, maar als het op de auto van je moeder mag…’, en we hadden het over verhalen maken. Over boeken lezen en wat ze allemaal al wisten. Heel veel, zo bleek, want in groepen vijf merk je nog helemaal niks van leeshaat, of taalafkeer. Taal is een feestje en ze bleven maar met slingers komen.
Het verhaal dat we bedachten ging over een wilde rit van Frankrijk naar Nederland omdat er een gouden horloge gered moest worden uit een pand dat op het punt stond gesloopt te worden. Met steeds meer opmerkelijke details, een boef die het allemaal voor zijn zieke moeder deed, een schoolklas die de weg wees en fraaie namen, zoals een herder die Jacques Boulie heette.
’s Middags, tijdens de intieme boekpresentatie van het Zeemeermeisje, ging het ook al over namen. De namen van de mensen die ik wilde bedanken, want die stonden daar allemaal tijdens mijn speech zo trots glimmend naar me te kijken. Ik had ze willen noemen, mijn vrienden, allemaal, één voor één, en ze dan diep in de ogen willen kijken. Maar ik was toch net iets minder dapper dan ik hoopte, dus uiteindelijk zei ik wat weekjes: ‘Bedankt jullie allemaal.’ Wel probeerde ik nog even iedereen tegelijk heel diep in de ogen te kijken, want ik meende het. Boeken ontstaan uit slingers. Uit meelezers, uit biertjes, uit toevallige ontmoetingen en geleende zolders.  Slingers gemengd met pijn en misverstanden, en dát dan proberen op te lossen. Tijdens mijn speech voelde ik vooral die slingers. Een verhaal gebouwd op vrienden. Zeemeermeisje het slingermeisje.

 

Het Zeemeermeisje komt

Morgen komt het Zeemeermeisje. Een meisje dat op het dak van haar huis een oude vrouw ontdekt, in een tent. Ze gaan elkaar helpen, zelfs als dat bijna onmogelijk lijkt.
Een zacht verhaal denk ik, zonder haakjes, zonder ‘ik heb het allemaal zelf meegemaakt’. Hoewel ik het huis van Huda gebruikte en het dak van café het Loosje. En de boot naar Schotland, en nou ja, eigenlijk heb ik het wèl meegemaakt, allemaal. Omdat ze me meenam, Miki. Omdat ik samen met haar over de Nieuwmarkt liep met dat gevoel dat ik ook had toen ik er net woonde. Bewondering, en trots, dat het zomaar kon en mocht, temidden van die mooie oude huizen wonen, onderdeel zijn van een stad. Ga het maar lezen. Of voorlezen. Duik ik nog even die stad in.

 

Jariger

Eind april en half mei verjaren mijn zonen. Dan roept Aran eerst twee weken lang; haha, ik ben vijf jaar ouder dan jij. Totdat het vanmorgen niet meer hoefde.
We stonden om half zeven op voor de cadeautjes, en Milo was volgens zijn grote broer enorm ‘lucky’ is omdat hij een hele goeie pokemankaart packte. Er werd zelfs voor het eerst sinds twee jaar een uitdeelstekelbeest gemaakt, waar vervolgens een doek overheen bleek te moeten (stress!) wat niet ging, want dan vielen alle spiesjes eruit. Waarna we dus uiteindlijk heel zichtbaar jarig over straat naar school liepen en Milo, ‘we komen te laat!’, eenmaal in de klas, spontaan applaus kreeg. Toen keek hij even heel jarig.

Vlekken vol verlangen

Soms begint 1 januari niet op 1 januari maar na een vakantie. Een meivakantie bijvoorbeeld. Dan zijn er opeens op de terugreis hele bergen nieuwe plannen. Dan ga ik een baan zoeken, veranderen, opleidingen doen. Van een vriendin leerde ik dat je dan naar het strand moet. Om met iemand te lopen en te vertellen wat die plannen zijn. Om ze de wereld in te werpen, om ze met woorden te testen en ze na afloop met chocolademelk en slagroom en een meeuwenveer in een schriftje te krassen. In bruine vlekken met vet komen plannen vaak nóg beter uit. En dan over een half jaar weer een wandeling, om te kijken of er al iets lukt. Maar dat is dan pas. Ik ga een veer zoeken.

Naar Parijs

We zijn op weg naar Parijs met de Thalys. Milo, Aran en ik. Ik heb nog nooit in de Thalys gezeten, we gaan hárd, Antwerpen en Brussel vliegen voorbij, niet dat we kijken, want ik heb de jongens verleid met ongelimiteerd schermpje kijken, en zelf zit ik te schrijven. Naar het Zuiden! Met de trein! Als ik opkijk zijn we Brussel alweer voorbij. Ik probeer online een ticket voor de Eiffeltoren te reserveren, uitverkocht. Maar we kunnen wel op de dag zelf in de rij gaan staan, voor de echte experience. Doen we dat, ik wil nog wat verder surfen, maar de wifi valt uit, vertraagt, stopt. De jongens hebben er geen last van, die zijn overgestapt op wifiloze spelletjes, game-professioneels die ze zijn. Dus ik kijk naar buiten en hoop dat ik een hert zie.

Geen boek, wel een verhaal

Ik ben op een school waar ik drie jaar geleden ook al was, het is ‘activiteitenweek’ en wij zijn één van die activiteiten, met meerdere schrijvers, we mogen allemaal drie keer een klas ‘doen’. Een school die verhalen wil, die auteurs uitnodigt, ik ben er blij om.
Alle klassen die binnenkomen hebben mijn boek Weg gelezen (of op zijn minst een keer gezien), een handjevol komt eigenlijk voor Marco Kunst, maar die is ziek. ‘Mogen we u dan dezelfde vragen stellen?’ Dat mag van mij.
Vooral de tweede groep die ik krijg is ervan overtuigd dat lezen echt volslagen nutteloos is. Sowieso, creativiteit. ‘Ik bedoel, ja, wat héb je eraan,’ zegt een meisje. Ze kijkt me medelijdend aan. Ik snap die blik wel, ik ben natuurlijk zo iemand die zo nodig creatief wil doen. Sterker nog, die wil dat zij dat óók allemaal gaan doen. Nee, dan sporten, daar krijg je buikspieren van.
‘Maar als ik nou zeg dat jij, nu, moeiteloos een verhaal kan maken? Dat je daar per keer beter in wordt. Als ik nou zeg dat jouw verhaal je leven kan veranderen? Echt?’ Ik voel me als die coach die ik laatst bij een Tedtalk zag. ‘Het kan écht!’ Die coach kreeg daverend applaus. Het meisje kijkt me aan alsof ik gek ben.
Maar ik zet door. ‘Ons leven bestaat uit verhalen. Wij bepalen wat we vertellen, aan onszelf, aan anderen. Zodra je dat weet, heb je macht over je eigen verhaal. Dan kun je je verhaal veranderen en als je je verhaal verandert, verander je zelf ook. Simpel. Daar hoef je heus geen boek voor te schrijven.’
De klas wordt er stil van, geen idee of ze me geloven. Ik hoop het.
Het is wennen om weer op een middelbare school te zijn. Sinds ik iets kritisch schreef over de aanpak van Ontlezing word ik niet meer zo vaak uitgenodigd, misschien ben ik uit de kaartenbak van de Schrijverscentrale gevallen. Wat jammer is, want een paar tellen later krijg ik gelijk. De opdracht: verzin samen met je buurman een hoofdpersoon, verzin een verlangen, maak het hem moeilijk, en dan nóg moeilijker, kies je einde. Klaar.
Binnen tien minuten liggen er vijftien verhalen. Niet allemaal even briljant, maar allemaal met kop en staart, allemaal met enthousiasme gemaakt. Ik ben trots, en opgelucht, zie je wel, het werkt, het werkt nog steeds.
Na afloop deel ik bij de deur stickers uit.
Het meisje loopt langs, geeft me een halve glimlach, grijpt de sticker en verdwijnt naar buiten.

 

Verzint een nieuwe baan

Stel dat je een inboedel in zijn geheel overneemt, misschien zelfs het huis erbij, als de eigenaar in kwestie is overleden. Een oma bijvoorbeeld, geen beroemdheid, niet bijzonder aardig, misschien zelfs nauwelijks opgemerkt door haar omgeving. Ze wordt uitsluitend gemist door haar kleinkinderen vanwege de enorme hoeveelheden zondagse taartjes die ze leverde, en door de bakker, vanwege diezelfde taartjes.
Stel dat je door de familie wordt aangesteld om als een tijdsdetective haar leven terug te halen. Niet het grote gebaar, maar de details.
Het begin is makkelijk. Aan het toetsenbord kun je zien waar haar vingers het vaakste kwamen, in de keuken noteer je de indeling, de stapeling van kopjes, de vegen op de pan. Op de bank schuif je net zo lang tot je benen precies in de slijtplekken vallen, je lokaliseert de kuilen die de kinderen erin sprongen.
In de verweerde spiegel in de slaapkamer zoek je steeds opnieuw de reflectie van iemand die er niet meer is, je gaat haar zien, uiteindelijk. Je ontdekt dat oma geen lezer was, er ligt stof op haar boeken. Maar ze lás wel. Je bevoelt ezelsoren, bestudeert de krassen op de elpee van Carl Orff, luistert naar de ruis, die bij de muziek hoort. De plaat ligt op een platenspeler met een stekker die in bijna geen enkel stopcontact meer past.
Je opdracht is om het leven dat voorbij ging in stand te houden, één jaar, met mogelijkheid tot een vaste aanstelling (hoewel die zelden komt). Daar word je door de rouwende familie voor betaald. Je koopt elke zondag taartjes. Je fungeert als orakel. Stellen ze een vraag aan oma, dan ben jij degene die het antwoord zoekt. Maar één ding is alvast zeker: ze hield van jullie, oma, en dat doet ze nog steeds.