De schop

Mijn website gaat op de schop. Want nu mijn vader beter gaat (ja, hij gaat beter, woehoe!), zie ik het rommeltje dat ik er hier van heb gemaakt en na een goed gesprek met Merel is er nu een plan. Meestal werkt iemand zo’n plan dan in stilte uit, maar ik dacht: ik doe het hier, in mijn achtertuin. Daar ligt toch al van alles open en bloot te wezen, dus waarom niet ook dit.
‘Voor welke klus kun je mij bellen,’ is de wat onromantische werkvraag.
Er komen twee blogs in plaats van één. De ene is deze; wispelturig.
De andere is gericht op mijn lievelingsonderwerp: mensen.
Mensen en schrijven en interviewen en modereren en vertellen wat ze moeten doen. Dat soort zaken. Schrijftips misschien ook. Ongevraagde tips, zeker, maar dat is het voordeel van lezen: je hóeft het niet te doen. Daar schaamt niemand zich meer voor, tegenwoordig (gisteren reed ik met de auto naar Barneveld en ontmoette daar een meisje dat vol overtuiging zei: ‘Ik lees nooit.’ Toen heb ik natuurlijk gezegd dat ze op een dag – je weet nooit precies wanneer – door een gat in de aarde verzwolgen gaat worden).
Aan de slag dus. Waar is mijn schop (oh ja, in de auto).

Dominosteentjes

Een week geleden.
‘Als ik jou duw,’ zegt Els de fysio, ‘dan struikel je een beetje opzij, maar blijf je overeind.’ We staan in de lange gang naast twee stoelen, een bal en wat gewichtjes. Mijn broer en ik knikken. ‘Maar als ik jullie vader duw, dan valt hij om.’
Mijn vader, in de rolstoel, knikt ook. We hebben het niet getest natuurlijk, maar het lijkt ons allemaal heel waarschijnlijk. Het geldt vast voor deze hele revalidatieafdeling. Het heet hier niet voor niets ‘balans’.
Ik stel me voor dat ik al die mensen uit die sociale ruimte pluk en op een rijtje zet. Dan hoef je dus maar één keer te duwen. Bedekken ze als dominosteentjes het onbestemdkleurig linoleum.

Gisteren. We staan weer in de gang. Mijn vader moet van stoel naar stoel lopen. Zonder rollator. Alleen al het los staan is een nieuwe ervaring, je ziet het aan zijn lijf. Ik stel me die hersenen voor, die zich rot zoeken naar de juiste touwtjes. Waar zat de knop voor de benen ook alweer, wat doen je ogen als je loopt, en die handen, moeten die wel zo strak langs het lichaam? Met ingehouden adem bekijken we de oversteek. Els heeft mijn broer en mij verteld dicht bij hem te blijven, voor tegen het omvallen. Maar hij loopt zelf, hij gaat zelf zitten, hij staat zelf weer op. Na vier keer zwaaien zijn armen een beetje mee, is zijn nek iets meer ontspannen. Wat een wonder, dat opnieuw leren bewegen. Wat een raar apparaat, zo’n hoofd, zo’n lijf. Maar hij doet het maar mooi, hij is bezig zichzelf naar huis te lopen. Bij het keren voor de stoel valt hij bijna om. Ik grijp hem vast. ‘Ik heb je,’ fluister ik in zijn oor.

Katapult

‘Sadistisch eten,’ noemt mijn vader al die kuipjes, die plasticjes om kazen, die onlostrekbare hoekjes. Op zijn afdeling zitten alleen maar mensen met een hersenbeschadiging, overal hangen onbruikbare vlerkjes, wordt er somber naar het bord gestaard waar geen eten ligt, maar een aanstormende worsteling.
‘Kom kom, meneer Schmitz,’ zeggen de verpleegkundigen wat dwingend en leggen een schaar voor hem neer. ‘Zelf je boterham beleggen. Dat is goed voor het oefenen van de coördinatie.’
Handig, scharen, mijn vader is er dol op, dus hij knipt de kaas door en ook meteen maar een kuipje doormidden.
De volgende keer bouwen we een fort. Leen ik een katapult van Aran. Is vast ook een hele goeie coördinatie-oefening. Ik heb zo’n vermoeden dat die kuipjes wel willen vliegen.

38 toefjes

Opeens ben ik me heel bewust van geen pijn in mijn rug. Van mijn snelle vingers die dit opschrijven. Van een hoofd dat niet zwaar is, sterker nog, dat uitstekend functioneert. Misschien ben ik wel goed in tijden van veel tegelijk. Mijn vader sinds gisteren in die revalidatiekliniek, en (gelukkig) een rij vrienden die bij hem langs wil en online docs, appgroepen en heel veel telefoontjes om dat te coördineren, terwijl ik heen en weer trein en gestaag verder schrijf. Terwijl deadlines worden afgerond, binnen de tijd nog wel, plannen voor nieuwe boeken worden gesmeed – waar ik zin in heb – terwijl zevende groeper Aran en ik voorzichtig beginnen met het bezoeken van middelbare scholen omdat het er zoveel zijn, en we dan alvast begonnen zijn.
Misschien ben ik een carrière als koelbloedig jongleur van brandende zwaarden misgelopen. Er vallen sociale uitjes af, dat is de prijs van zoveel intensieve aandacht. Maar wat heel goed ging was die open dag, waar Aran en ik over coderklassen en een jongerenrechtbank leerden.
‘Laten we voortaan altijd na afloop chocomel drinken,’ zei ik na afloop terwijl ik een lepel vol slagroom in mijn mond stak.
Mijn zoon begon te stralen. ‘Het zijn er 38.’

Verhuizen

Ik vraag me af of die verhuizing een goed teken is, schrijft een vriend van mijn vader. Ik ook. Mijn vader gaat morgen per ambulance (in een auto hangt hij nog te scheef) vanuit het ziekenhuis naar een ‘geriatrisch revalidatiehuis’, omdat het hardere werken van ‘echte’ revalidatie in een kliniek als Basalt te hoog gegrepen is. En ik wil het niet. Want eenmaal op de geriatrische route ga je niet meer versnellen, wat ze ook beweren. Geraniums, bingo, domino, daar ruikt het naar. Niks mis met domino. Of geraniums. Of bingo. Maar ik moet nog zo wennen aan mijn altijd iets te drukke vader van vorige week, die deze week in een rolstoel in de familiekamer van het ziekenhuis met een slap handje met dominosteentjes schuift.
Ik heb me er kwaad om gemaakt, indringend met een neuroloog gesproken, ontzettend veel steun gehad aan Enide, die expert is op revalidatiegebied.
Maar het moet ook ‘haalbaar’ zijn, zei de neuroloog.
Dat stomme nieuwe woord opeens. Net als: ‘prikkels’, of de ‘opstopping’ die Peter zou veroorzaken als hij in Basalt zat en niet hard genoeg vooruit ging. En de wachtlijst ís al zo lang. Jonkies gaan voor.
Haalbaarheid. Ik keer terug naar de familiekamer waar mijn vader inmiddels huilend zit te worstelen met het flapje van een kuipje smeerkaas.
‘Het ís ook een stom ontwerp,’ zeg ik.
Mijn vader knikt. ‘Er is wel meer stom,’ zegt hij.
Ik kijk naar die handen van hem, zo raar onbruikbaar opeens.
Morgen dus de volgende stap. Nu eerst naar huis om mijn kinderen van school te halen.
Een half uur later belt hij me op, ik zit in de trein. Ik versta hem nauwelijks, weet dat het moeilijk voor hem is om die telefoon bij zijn oor te houden. Maar uiteindelijk begrijp ik wat hij wil zeggen. Kwis is jarig. Of ik haar wil feliciteren. Onhandige handen, maar zo’n ontzettend lief hoofd.

De zon

Het moment dat de jongetjes en ik de boot uitkomen om naar school te gaan, valt sinds een paar dagen gelijk met de opkomst van de zon. Wat elke dag hoopvol maakt. Dat is nodig, want met mijn vader gaat het nog niet zo lekker. Vrijdag kreeg hij een tweede ‘stuttering stroke’, waardoor hij zaterdag weer moeilijker sprak. Maar grapjes maken lukt nog.
Als ze steeds weer vragen: ‘Hoe is het nou meneer Schmitz?’
Zegt hij na een tijdje, voor de afwisseling: ‘Best goed voor iemand die er beroerd aan toe is.’
Grappen maken is een beetje liegen.
Ik ga er zo weer naartoe. Met een upgrade eerste klas, waardoor ik eindelijk weer die schrijvende nomade ben die ik al een tijdje niet meer was. Het zou nog romantischer zijn als ik dit blogje in de trein schreef. Maar romantiek, vind ik, mag je net als grapjes een beetje liegen. Dus zit ik in de trein en ik schrijf dit bericht, de dag begint daarginds bij de molen, en ik rij de zon tegemoet.

Stippen

Ik had wel gezien dat mijn vader ’s nachts vier keer had gebeld, maar mijn telefoon stond al uit en ik vermoedde een broekzakbel. Dus toen hij ’s ochtends nog een keer belde nam ik vrolijk op om hem dat te vertellen. Maar het was geen broekzakbel. Hij heeft een beroerte gehad en ligt in het ziekenhuis. Hij hangt scheef naar links. Mond, arm, been. ‘Een klassieke CVA,’ zei de verpleegkundige die het telefoongesprek overnam, want ik verstond mijn vader niet. Een CVA is een herseninfarct met blijvend letsel. Je hebt ook TIA’s, die heeft mijn vader ook gehad, maar die trokken weg.
De vraag is nu, hoeveel letsel.
Deze blog is het gevolg van mijn voornemen om na de dood van mijn moeder, drie maanden geleden, in ieder geval tot eind januari elke drie dagen een bericht te schrijven. Vanuit mezelf (dus niet vanuit boeken schrijven of verhalen promoten ofzo – tenzij het zo uitkomt natuurlijk). Blogs om de tijd bij te houden. Om mijn hoofd te onderzoeken. In het openbaar ja, blijkbaar wil ik dat. Dus nu schrijf ik dit ook. En nu weten jullie dat dus ook. Kunnen we in ieder geval in koor verzuchten wat een berg ellende dit is. Ik kan er bijna niets relativerends op verzinnen. Ben wel blij dat Leo me laatst vertelde dat heftige emoties maximaal 90 seconden te voelen zijn. Ik zwem dapper door die branding.
En misschien nog dit: mijn vriendin Lon stuurde me een berichtje dat er workshops ‘porselein stippen’ bestaan. In de reclametekst voor die workshop stond ook dat het zo heerlijk rustgevend is, stippen zetten. Daarna hoorde ze pas van mijn vader, dus toen schrok ze. Maar ik vond het troostgevend. Dat de wereld vergeven is van dat soort workshops. En dat er ook beroertes zijn. Dat er mensen doodgaan, dat kinderen leren lezen en heel trots kijken als ze ‘raar’ en ‘nu’ hebben ontcijferd. Ik ga me misschien inschrijven.

Apen

We gingen naar de nachtwandeling van Artis. Met Willemijn en mijn eigen twee aapjes, die harder kwetterden dan welk beest dan ook. We liepen een route met een app en Aran was de reisleider.
Ik had vorig jaar met Milo en Maarten een soort speurtocht na sluit in Artis gedaan en het mooiste vonden we toen het nieuwe Apenhuis, waar de vleerhonden heel wakker rondfladderden. Waar de dwergoeistiti’s oftewel de dwergzijdeaapjes als gekken over de takken renden. Heel anders dan de slaperige boel overdag.
Dit keer, wist ik al, was de app meer informatief, inclusief een verantwoorde groene zaklamp, want daar hadden de beesten minder last van. We werden door de app zelfs belerend toegesproken over klimaatverandering – ik begin een beetje allergisch te worden voor dat soort preken. Zeker als ze aan een beeld (koning Winter) in Artis worden opgehangen.
Maar de rest van de tocht was fijn. Simpelweg omdat het leuk is om met Willemijn en twee kinderen door Artis te lopen. De vallende schemering, en (hou je ogen maar even dicht als je bang voor ze bent) wilde muizen en ratten, die over de paadjes schoten.
Bovendien was er een rossige babygibbon die we in de schemer nog prima konden zien. Met die enorm lange armen van zijn rossige moeder en die baby die gewoon meeslingerde, van tak naar tak.
Het deed me denken aan dat onderzoek dat ik zou willen doen als ik psycholoog geworden was: meten of het uitmaakt dat prematuren ‘buidelen’ of kangaroeien’. Meten of veel fysiek contact met je opgroeiende kind later ook een steviger kind oplevert. Of dat echt meetbaar is bedoel ik, dat het minder verknipte types oplevert, niet alleen dat het lekker voelt. Of het een kind oplevert met ‘fysieke intelligentie’, dat met zijn lijf weet dat het wel goed zit als hij tegen je aan kruipt. Zoiets. Stel dat het meetbaar is. Dat je dan al die ouders buidels cadeau gaat doen, als overheid. Kun je er heel verantwoord bij zeggen: ‘Weg met die vervuilende kinderwagen, hier, neem deze verantwoorde biokatoenen draagzak maar’. Per app, als je dat echt heel graag wilt.
Milo klom op dat moment op mijn rug, dus we liepen verder.
Langs de gieren, die als grote zwarte vlekken deel uitmaakten van de paal waarop ze zaten. Ik verheugde me op de vleerhonden in het Apenhuis, ook omdat Willemijn niet zo vaak in Artis komt en die plek dus nog nooit had gezien. Dwergzijdeaapjes, die met elkaar speelden – die weten wel dat knuffelen goed voor ze is. Ik had zelfs zoveel zin dat we bijna langs de krokodillen holden – lekker warm bij die reptielen, maar ze doen ook ’s nachts niet zoveel.
Natuurlijk viel het tegen. Want het stond er vol nachtwandeling-mensen die met hun groene apps heel starwarsachtig naar al die beesten stonden te zwaaien. Met joekels van kinderwagens waar verveelde peuters in hingen die met ongekoesterde lijfjes naar vierkante minecraftje aapjes tuurden.
De vleerhonden en de dwergaapjes hadden zich achter een struik verstopt. Terecht.
Gelukkig hadden wij eigen aapjes bij ons. Al waren die inmiddels niet meer zo gezellig: het was voedertijd. We hadden een muis voor ze kunnen vangen. Maar volgens Aran eten apen geen muizen.

Natte hoedjes

Aan het einde van de yogales golfde het weer over me heen. Verdriet. Het besef dat ik nu in een wereld leef waarin mijn moeder niet leeft. En ik probeerde erover na te denken. Waarom het zo moeilijk is om dat echt te beseffen.
Het antwoord dat ik verzon is misschien een open deur. Maar ik schrijf het toch op:
Gevoel wil een zee zijn, wil niet nuanceren. Het wil ‘ja’ of ‘nee’ en geen ‘misschien’. Als kinderen op hun knie vallen is er niets dan pijn. Dat is waarom radicale afleiding helpt en niet een zinnetje als: ‘gut ik ken ook mensen met veel grotere gaten in hun lichaam.’
We leren het wel, nuanceren, op school, misschien ook door opgroeien, en we noemen het ratio. Ratio is niets anders dan ‘misschien’ en ‘ja maar’ en ‘ho wacht eens even’. Ratio is wat er gebeurde toen ik aan het einde van die les werd overvallen door gevoel en ervan schrok. Huu, dacht mijn ratio, stapje terug, daar gaan we eens even iets genuanceerds op verzinnen.
Ratio is handig, meestal, want het houdt een mens binnen de perken. Bovendien is het meeste gevoel al die ruimte niet waard. Ik bedoel, zo’n bloedende knie, dat heelt, dat weet een groot mens, dat weet alleen een kind nog niet.
Maar rouw wíl die ruimte. Dat geeft een andere klank van binnen. Dat geeft een besef van nooit meer overgaan. Het is ontwaken in een fundamenteel veranderde wereld – maar dan wel een wereld die nog steeds volgens de wetten van de ratio functioneert. Je kúnt wel in bed gaan liggen en dagen huilen, maar mensen verwachten toch dat je er op een gegeven moment weer uit klimt. Uit dat bed, uit die zee.
Als ik opeens de rouw voel, schrik ik ervan omdat ik gewend ben dat gevoel kleiner is. En ik weet niet waar ik de rouw moet laten, want als ik het toelaat (vrees ik) raak ik grip kwijt. Terwijl ik tegelijkertijd vermoed dat ik het misschien wel niet kán, aan één stuk door zoveel voelen. Het past dus eigenlijk niet. In mijn hoofd. En dát levert nachtmerries later op, tranen bij ontspanning, diepe meren met een vulkaan eronder. Ted van Lieshout schreef een keer dat je van verdriet grappige hoedjes kunt vouwen. Dit is geen hoedje. Dit is uit je schedel klotsen.