De zon

Het moment dat de jongetjes en ik de boot uitkomen om naar school te gaan, valt sinds een paar dagen gelijk met de opkomst van de zon. Wat elke dag hoopvol maakt. Dat is nodig, want met mijn vader gaat het nog niet zo lekker. Vrijdag kreeg hij een tweede ‘stuttering stroke’, waardoor hij zaterdag weer moeilijker sprak. Maar grapjes maken lukt nog.
Als ze steeds weer vragen: ‘Hoe is het nou meneer Schmitz?’
Zegt hij na een tijdje, voor de afwisseling: ‘Best goed voor iemand die er beroerd aan toe is.’
Grappen maken is een beetje liegen.
Ik ga er zo weer naartoe. Met een upgrade eerste klas, waardoor ik eindelijk weer die schrijvende nomade ben die ik al een tijdje niet meer was. Het zou nog romantischer zijn als ik dit blogje in de trein schreef. Maar romantiek, vind ik, mag je net als grapjes een beetje liegen. Dus zit ik in de trein en ik schrijf dit bericht, de dag begint daarginds bij de molen, en ik rij de zon tegemoet.

Stippen

Ik had wel gezien dat mijn vader ’s nachts vier keer had gebeld, maar mijn telefoon stond al uit en ik vermoedde een broekzakbel. Dus toen hij ’s ochtends nog een keer belde nam ik vrolijk op om hem dat te vertellen. Maar het was geen broekzakbel. Hij heeft een beroerte gehad en ligt in het ziekenhuis. Hij hangt scheef naar links. Mond, arm, been. ‘Een klassieke CVA,’ zei de verpleegkundige die het telefoongesprek overnam, want ik verstond mijn vader niet. Een CVA is een herseninfarct met blijvend letsel. Je hebt ook TIA’s, die heeft mijn vader ook gehad, maar die trokken weg.
De vraag is nu, hoeveel letsel.
Deze blog is het gevolg van mijn voornemen om na de dood van mijn moeder, drie maanden geleden, in ieder geval tot eind januari elke drie dagen een bericht te schrijven. Vanuit mezelf (dus niet vanuit boeken schrijven of verhalen promoten ofzo – tenzij het zo uitkomt natuurlijk). Blogs om de tijd bij te houden. Om mijn hoofd te onderzoeken. In het openbaar ja, blijkbaar wil ik dat. Dus nu schrijf ik dit ook. En nu weten jullie dat dus ook. Kunnen we in ieder geval in koor verzuchten wat een berg ellende dit is. Ik kan er bijna niets relativerends op verzinnen. Ben wel blij dat Leo me laatst vertelde dat heftige emoties maximaal 90 seconden te voelen zijn. Ik zwem dapper door die branding.
En misschien nog dit: mijn vriendin Lon stuurde me een berichtje dat er workshops ‘porselein stippen’ bestaan. In de reclametekst voor die workshop stond ook dat het zo heerlijk rustgevend is, stippen zetten. Daarna hoorde ze pas van mijn vader, dus toen schrok ze. Maar ik vond het troostgevend. Dat de wereld vergeven is van dat soort workshops. En dat er ook beroertes zijn. Dat er mensen doodgaan, dat kinderen leren lezen en heel trots kijken als ze ‘raar’ en ‘nu’ hebben ontcijferd. Ik ga me misschien inschrijven.

Apen

We gingen naar de nachtwandeling van Artis. Met Willemijn en mijn eigen twee aapjes, die harder kwetterden dan welk beest dan ook. We liepen een route met een app en Aran was de reisleider.
Ik had vorig jaar met Milo en Maarten een soort speurtocht na sluit in Artis gedaan en het mooiste vonden we toen het nieuwe Apenhuis, waar de vleerhonden heel wakker rondfladderden. Waar de dwergoeistiti’s oftewel de dwergzijdeaapjes als gekken over de takken renden. Heel anders dan de slaperige boel overdag.
Dit keer, wist ik al, was de app meer informatief, inclusief een verantwoorde groene zaklamp, want daar hadden de beesten minder last van. We werden door de app zelfs belerend toegesproken over klimaatverandering – ik begin een beetje allergisch te worden voor dat soort preken. Zeker als ze aan een beeld (koning Winter) in Artis worden opgehangen.
Maar de rest van de tocht was fijn. Simpelweg omdat het leuk is om met Willemijn en twee kinderen door Artis te lopen. De vallende schemering, en (hou je ogen maar even dicht als je bang voor ze bent) wilde muizen en ratten, die over de paadjes schoten.
Bovendien was er een rossige babygibbon die we in de schemer nog prima konden zien. Met die enorm lange armen van zijn rossige moeder en die baby die gewoon meeslingerde, van tak naar tak.
Het deed me denken aan dat onderzoek dat ik zou willen doen als ik psycholoog geworden was: meten of het uitmaakt dat prematuren ‘buidelen’ of kangaroeien’. Meten of veel fysiek contact met je opgroeiende kind later ook een steviger kind oplevert. Of dat echt meetbaar is bedoel ik, dat het minder verknipte types oplevert, niet alleen dat het lekker voelt. Of het een kind oplevert met ‘fysieke intelligentie’, dat met zijn lijf weet dat het wel goed zit als hij tegen je aan kruipt. Zoiets. Stel dat het meetbaar is. Dat je dan al die ouders buidels cadeau gaat doen, als overheid. Kun je er heel verantwoord bij zeggen: ‘Weg met die vervuilende kinderwagen, hier, neem deze verantwoorde biokatoenen draagzak maar’. Per app, als je dat echt heel graag wilt.
Milo klom op dat moment op mijn rug, dus we liepen verder.
Langs de gieren, die als grote zwarte vlekken deel uitmaakten van de paal waarop ze zaten. Ik verheugde me op de vleerhonden in het Apenhuis, ook omdat Willemijn niet zo vaak in Artis komt en die plek dus nog nooit had gezien. Dwergzijdeaapjes, die met elkaar speelden – die weten wel dat knuffelen goed voor ze is. Ik had zelfs zoveel zin dat we bijna langs de krokodillen holden – lekker warm bij die reptielen, maar ze doen ook ’s nachts niet zoveel.
Natuurlijk viel het tegen. Want het stond er vol nachtwandeling-mensen die met hun groene apps heel starwarsachtig naar al die beesten stonden te zwaaien. Met joekels van kinderwagens waar verveelde peuters in hingen die met ongekoesterde lijfjes naar vierkante minecraftje aapjes tuurden.
De vleerhonden en de dwergaapjes hadden zich achter een struik verstopt. Terecht.
Gelukkig hadden wij eigen aapjes bij ons. Al waren die inmiddels niet meer zo gezellig: het was voedertijd. We hadden een muis voor ze kunnen vangen. Maar volgens Aran eten apen geen muizen.

Natte hoedjes

Aan het einde van de yogales golfde het weer over me heen. Verdriet. Het besef dat ik nu in een wereld leef waarin mijn moeder niet leeft. En ik probeerde erover na te denken. Waarom het zo moeilijk is om dat echt te beseffen.
Het antwoord dat ik verzon is misschien een open deur. Maar ik schrijf het toch op:
Gevoel wil een zee zijn, wil niet nuanceren. Het wil ‘ja’ of ‘nee’ en geen ‘misschien’. Als kinderen op hun knie vallen is er niets dan pijn. Dat is waarom radicale afleiding helpt en niet een zinnetje als: ‘gut ik ken ook mensen met veel grotere gaten in hun lichaam.’
We leren het wel, nuanceren, op school, misschien ook door opgroeien, en we noemen het ratio. Ratio is niets anders dan ‘misschien’ en ‘ja maar’ en ‘ho wacht eens even’. Ratio is wat er gebeurde toen ik aan het einde van die les werd overvallen door gevoel en ervan schrok. Huu, dacht mijn ratio, stapje terug, daar gaan we eens even iets genuanceerds op verzinnen.
Ratio is handig, meestal, want het houdt een mens binnen de perken. Bovendien is het meeste gevoel al die ruimte niet waard. Ik bedoel, zo’n bloedende knie, dat heelt, dat weet een groot mens, dat weet alleen een kind nog niet.
Maar rouw wíl die ruimte. Dat geeft een andere klank van binnen. Dat geeft een besef van nooit meer overgaan. Het is ontwaken in een fundamenteel veranderde wereld – maar dan wel een wereld die nog steeds volgens de wetten van de ratio functioneert. Je kúnt wel in bed gaan liggen en dagen huilen, maar mensen verwachten toch dat je er op een gegeven moment weer uit klimt. Uit dat bed, uit die zee.
Als ik opeens de rouw voel, schrik ik ervan omdat ik gewend ben dat gevoel kleiner is. En ik weet niet waar ik de rouw moet laten, want als ik het toelaat (vrees ik) raak ik grip kwijt. Terwijl ik tegelijkertijd vermoed dat ik het misschien wel niet kán, aan één stuk door zoveel voelen. Het past dus eigenlijk niet. In mijn hoofd. En dát levert nachtmerries later op, tranen bij ontspanning, diepe meren met een vulkaan eronder. Ted van Lieshout schreef een keer dat je van verdriet grappige hoedjes kunt vouwen. Dit is geen hoedje. Dit is uit je schedel klotsen.

Kleurendief

‘Ik snapte het einde niet zo goed.’ Ik neem een slok koffie en kijk naar mijn twee zonen en mijn twee neefjes.
‘Nou,’ zegt Joost van vier, ‘er was dus een kleurenvanger.’
‘Een kleurendief,’ knikt Milo.
‘En die raakte zijn kracht kwijt als je zijn helm afpakte,’ gaat Joost verder.
‘Dus toen hadden de rovers gewonnen.’ Alle jongens knikken.
We zijn in Den Haag naar de voorstelling Rovers van meneer Monster geweest en zitten nu na te hijgen. Neefje Thomas van 7 heeft zelfs nog een gesprek gehad met de Bruut, op wiens borst je je hand kunt stukslaan. De Ninja, die ook in het stuk zat, zag wel een Ninja in Thomas, waarop Thomas een karatesprong maakte.
Het theaterbezoek is het Sinterklaascadeau van mijn vader en die zit naast me, met cola voor zijn neus, wat ik hem nog nooit heb zien drinken. Maar misschien komt dat omdat hij daarnet ook lunchte met patat (we hadden afgesproken op het station van Leiden want daar hebben ze de beste ijsjes, maar de ijswinkel was nog niet open, dus patat, logisch). Hij heeft de cola in een wijnglas gedaan.
Ik vind het leuk om met de trein en de bus te gaan, omdat zo de reis naar het theater onderdeel wordt van het theaterkijken. We gaan dan ook heel tevreden met de trein via Leiden weer terug (waar we alsnog dat ijsje eten – samen met mijn vader). Onderweg in de trein naar Amsterdam tekenen we Ninja’s en salamanders en auto’s in mijn schrift.
Ik app mijn vader als ik thuis ben. Dat ik het gezellig met hem vond. Vond hij ook, appt hij terug. Alleen thuis wat minder, voegt hij eraan toe. Ik zie hem voor me, op die oranje bank van ze, kerstversiering al in dozen gestopt. Daar is ook een kleurendief langs geweest. Gelukkig is kat Dikkie net op schoot gekropen. Dikkie wordt heel blij van een schoot.

Maar of dat slim is

In de krant las ik dat het goed is om je goeie voornemens op te schrijven omdat ze dan voelen als een contract. Bovendien leer je dan omgaan met je valkuilen. Want wij vallen er altijd weer in, schijnt.
Het beste is het om écht op 1 januari (te laat) of op zijn minst in januari en anders op je verjaardag (dat duurt nog even) die goeie voornemens vast te leggen. Het artikel ging over geld, maar ik nam aan dat het ook voor andere zaken telt, dus daarnet schreef ik mijn goeie voornemens op voor het nieuwe jaar.
Komend jaar wil ik minstens één eigen schrijfcursus gaan geven, bijvoorbeeld, dus niet via de Schrijversacademie, maar gewoon, zelf. Heel wild is dat misschien niet, ik wil vooral ook meer boeken en verhalen schrijven. Want verhalen, dat is de levensader van de mensheid. In ieder geval van mijn mensheid.
Ik zette er nog ‘sport’ bij en toen was ik er wel.
Bij het teruglezen van het lijstje kreeg ik dat gevoel dat ik vroeger op school altijd had en dat me daar fiks heeft opgebroken: ik kreeg zin om het lijstje ‘af’ te maken. Dus hup, snel even die boeken eruit knallen, hup, een plek zoeken voor het ontwikkelen van een theatertekst, hup, potje sport en financieel eindelijk iets slims verzinnen zodat voortaan ik altijd rijk genoeg ben om er niet over na te hoeven denken of ik rijk genoeg ben (wees concreet, stond er in het artikel, maar je mocht ook een financieel adviseur inhuren).
Wat nou, dacht ik, als ik het jaar al af heb voor het om is. Want zo ging dat met mijn huiswerk op school: ik dacht dat ik slim was omdat ik snel was, maar was te dom om te begrijpen dat het om de inhoud ging. Valkuilen, dacht ik vaag, daar was iets mee. En toen dacht ik verlekkerd; het lijstje af, in februari ofzo. Hoe gaaf zou dat zijn.
Wat zou ik dán doen? Op reis. Uit schrijven. De wereld in. Ik zou me de rest van het jaar in ieder geval niets meer voornemen. Voornemensvrij.
Nu eerst nog even dat lijstje.

Plomp

Het was tweede kerstdag en we gingen naar de Heemtuin om een herinneringsplek voor Helbertijn te zoeken. De gemeente had namelijk gezegd dat het bijna nergens mag, maar heel soms wel. Als wij concreet waren, konden zij dat ook zijn.
We gingen naar de Heemtuin om concreet te zijn.
Er was een plomp met van die gladde stapsteentjes. Heel aantrekkelijk voor de vier kleinkinderen, Aran, Thomas, Milo, Joost. Joost werd te nat en te moe, zijn moeder droeg hem naar huis. Wij liepen met zijn zevenen door, drie kleinkinderen, mijn broer Bart, mijn vader, en Edwin.
We vonden een plek, in een bocht, bij een bruggetje, bij het water. Er stond nog niks. Had er wel wat gestaan, dan was het een kaal bankje geweest, zonder rugleuning. Die hadden we al op meerdere plekken gezien. ‘We kunnen ook een rugleuning doneren,’ zei mijn vader.
We stonden en keken en ik nam foto’s om het later beter aan te kunnen wijzen.
Ze zeggen dat doden erbij zijn, op zo’n moment. Maar het voelde tegenovergesteld: mijn moeder was er heel erg niet. Al de hele dag niet. Niemand had onderweg gezegd: ‘Wat gezellig, wat heerlijk dit.’ Zelfs al was de lucht zo grijs dat we de jongetjes stokken hadden kunnen geven om er doorheen te hakken. Niemand vroeg hoe het nou ging met die voetnoot in Barts ingewikkelde onderzoek. Niemand vertelde hoe lekker er gegeten was, hoe heerlijk in tuinen gewandeld, hoe aandachtig gelezen. We liepen en zwegen. Of nou ja, Bart zei: ‘In de lente zitten hier winterkoninkjes’. Maar dat is gezien de naam onlogisch, dus misschien zei hij IJsvogeltjes, die zijn ook mooier: fel blauw met een oranje borst en een lange snavel. Toen ik net een foto opzocht las ik dat mensen tot in de Middeleeuwen geloofden dat IJsvogeltjes een compleet rouwproces doormaken als hun partner overlijdt. Huwelijkstrouw, daar staan IJsvogeltjes symbool voor.

Maar dat wist ik in de Heemtuin nog niet. Pas bij het teruglopen, Bart was met Thomas richting Leiden afgeslagen, kwamen de tranen. Ik liep gearmd met mijn vader, de modder ontwijkend, ook voor zijn pijnlijke knie. Aran en Milo hadden de route door de plomp genomen. Tegelijk met mijn eerste snif viel Milo erin. Tot aan zijn middel.
Ik holde naar het druipnatte jongetje dat daarna in galop met Edwin richting auto verdween. Toen waren we nog maar met zijn drieën. Aran, mijn vader en ik liepen terug langs de ijsbaan die al jaren niet meer wordt gebruikt wegens te weinig winter. Ze gingen er binnenkort dure villa’s neerzetten. De tranen waren alweer weg. IJsvogeltjes. Bart zei vast ijsvogeltjes.

De meerkoet heeft het gedaan

Toen mijn moeder nog in de revalidatiekliniek lag, zonder been, bijkomend van de operatie, werd het lente. Dus we gingen naar buiten. Achter de kliniek was een schelpenpad, een bruggetje, bomen.
‘Hoor je de specht,’ zei ze dan opgetogen.
Ik wees op plantjes, waarvan ze altijd de namen wist.
Het rondje werd steeds groter, hoewel ik altijd oplette of ze niet scheef ging zitten. Dan had ze stiekem pijn. Maar, verklaarde ze, als ik daar streng over deed, het was ook zo leuk, zo’n rondje.
We staken de weg over naar het aanpalende park, daar waren ook stokken, vooral die keer dat Milo mee was. Hij gooide de grootste in de sloot en wilde de volgende keer kijken of hij er nog lag. Hij lag er niet meer. Er zwom wel een meerkoet.

Zonder korsten

De doos waar de as van mijn moeder in zit lijkt op zo’n hoekig geval waar de Jumbo ook haar kattenbakvulling in verpakt.
En het kattengrit was op.
Ik had online al nieuwe besteld – dan krijg je zo’n enorme hoeveelheid die een boze postbode met een steekkarretje komt brengen en als het even kan op het platje voor de boot achterlaat – maar daarmee gingen we het weekend niet redden. Twee katten, behoorlijk neurotisch, buiten storm.
Dus ik kocht iets wat niet op een doos leek. Aran was mee en wilde graag dragen; het werd een soort langwerpige zak, waar nu net, bij nadere inspectie, twee kant en klare kattenbakvullingen in blijken te zitten.
Een geweldige uitvinding.
De vulling zag eruit als een dikke envelop, die ik alleen maar hoefde open te vouwen en die zelfs elastiek had, zodat de plastic ondergrond moeiteloos aan de randen bleef zitten en het grit zich heel ordelijk over de kattenbak verdeelde. Ik was in luttele minuten klaar, waardoor ik nu in alle rust deze blog kan schrijven.
Die enveloppen gaan rechtstreeks op mijn lijstje ‘cadeautjes voor mezelf als ik het een beetje moeilijk heb maar geen tijd of geld voor een losbandiger leven’. Jeweetwel, die lijst waar ook extra hard zuigend keukenpapier en voorverpakte oploskoffie met heftig schuimende melk op staat. Oftewel brood zonder korsten voor volwassenen. Iemand nog suggesties?