De verzorging van het haar zo doe je dat

Ik was bij de krullenkapper. Want ik geloof in sprookjes. Het was er druk en we hadden allemaal mondkapjes op, waardoor alle kapsters met hun enorme bossen krullen op elkaar leken. Dat vonden ze andersom van de klanten ook, we moesten steeds zeggen wat onze naam was. Gelukkig werden er geen benen afgehakt. Oeps, sorry, verkeerde been, je leek zo op de andere.
Ik keek naar mezelf in de spiegel. Heel lang leek het alsof er niets ging veranderen. De kapster knipte heel liefdevol vond ik, met kleine plukjes haar. Alles wat nog blond was (een eerder sprookje) werd eruit geknipt, dat wel, maar ik had zelf ook wel gezien dat die puntjes nogal op verdorde takjes leken. Herfst, ik had de herfst op mijn hoofd.
Toen moest ik föhnen op de kop, daarna met zo’n swoesj mijn hoofd omhoog. Toen had ik heel veel krullen, eventjes. Echt een grote bos.
Onderweg naar de studio begon het te regenen en ik had pijn in mijn oor van de wind, dus ik dacht na over mutsen.
Vanaf nu kijk ik niet meer in de spiegel, dan heb ik voor altijd heel veel krullen.

Een jaar

Morgen is mijn moeder een jaar dood. Ik kijk al een tijdje naar die dag in mijn agenda. Zoals hij daar tussen de andere dagen ligt als een vetbubbel, ongrijpbaar.
Ik ga naar mijn vader, morgen, maar we hebben het er nauwelijks over. Onze gesprekken zijn praktisch. Over wandelen in het bos, over geldzaken, wie het huis schoonmaakt. Ik krijg altijd na een tijdje heimwee naar haar, als ik daar ben, ook daar heb ik het nooit over. Niet omdat het niet mag, maar omdat die vetbubbel ook in mijn keel zit.
Ik droom van haar, van haar afwezigheid; dat ik met mijn jongetjes hun straat inrijd en de weg is afgesloten, de ramen zijn dicht. Ik sta voor het huis omhoog te kijken. Wat me weer doet denken aan een veel oudere nachtmerrie, die ik als kind vaak had. Dat het huis in de fik stond en dat ik mijn ouders riep en mijn moeder me streng meenam naar boven. ‘Want we moeten eerst de gordijnen dichtdoen.’
Nu zijn ze dicht, in deze nieuwe droom, die gordijnen. Er hangt nog wat vergeten wasgoed – waardoor ik wéét dat het een droom is, mijn moeder zou nóóit wasgoed buiten hangen.
Die factor tijd, zo onmogelijk. Dat ik morgen naar mijn vader ga, dat de vetbubbel dan in de kamer hangt, en of we er zelf nog wel bij passen. Ik schrijf het steeds opnieuw op briefjes, aan vrienden, maar ik krijg het niet hardop gezegd; dat het al bijna een jaar geleden is. Dat ze er al zo lang niet meer is.

Klaar voor de laatste van de kinderboekenweek

Mijn tas staat klaar, de Powerpoint stuurde ik gisteren naar basisschool Ter Cleeff. Straks rij ik ernaartoe, met die mix van zenuwen en nieuwsgierigheid. Het zijn groepen vijf en zes, de jaren waar de meisjes de hoogte in schieten en de jongens zich nog rond en wollig in kluitjes voortbewegen.
Vier klassen achter elkaar, die in omvang toenemen; eerst twee keer ruim dertig, daarna twee keer bijna vijftig kinderen. Mijn Powerpoint is mijn houvast, want na twee klassen weet ik niet meer wat ik al heb verteld, zodat ik steeds op het digiboard kan kijken wie ik ook alweer ben.
Geen foto’s (denk ik), dikke trui aan want laatst stonden de ramen zó ver open dat ik rillend de les afmaakte.
‘Ik sloot ze gisteren omdat hun lippen blauw werden,’ zei de juf verontschuldigend, ‘maar werd meteen door een ouder gebeld dat mijn ramen niet dicht mogen.’
Scholen, die kleine bolwerkjes, die mini samenlevingen en ik, de gast, met een tas vol briefkaarten met Beste broers voorop en achterop schreef ik 100 keer ‘ook met groeten van Jowi’. Voor opa of oma.

Winst

Tussen het schrijven door rij ik naar mijn vader. Hij krijgt vandaag, omdat hij een staaroperatie heeft gehad, een nieuwe oogmeting.
Zijn dag gaat wat stroef merk ik, en ik help niet. Ik sta te snel afgesteld, hij te langzaam. Dat vertraagt hem nog meer, en maakt mij een stuiterballetje.
Desondanks kopen we een scheerapparaat met een leuke draaikop, en we zoeken in de boekhandel ernaast naar een harde kaft, ruitjespapier, ringblok. We vinden het niet, maar dat hoort bij een zoektocht, besluiten we. Bij de opticien struikelt mijn vader over het opstapje, hij houdt zijn balans, maar we schrikken allebei en ik denk; hoe zou dat voor mij zijn, na weken geen of nauwelijks mensen die winkels, deze interactie. Iets met een stroboscoop denk ik vaag, en hol snel een Kruidvat in om spullen te kopen die ik niet nodig heb.
Als ik mijn vader twintig minuten later weer ophaal, ziet hij er uitgeput uit. Maar de opticien is tevreden: ‘Eerst drieënhalf nu anderhalf. En rechts bijna honderd procent.’ Het nieuw geslepen glas is over een week klaar, dan mogen we de bril langsbrengen en wordt alles in elkaar gezet.
Mijn vader neemt de drempel dit keer zorgvuldig. We slaan de Hema bij nader inzien over; het voelt allemaal net iets te wiebelig. Zijn knie, de wereld, al die mondkapjes.
‘Dat ging goed,’ zeg ik bij de auto. ‘Goeie cijfers,’ voeg ik eraan toe.
Hij knikt weer, en kijkt dan even net als een opgetogen schooljongen: ‘Welk cijfer had ik ook alweer?’

Stickie

’s Ochtends maakt Aran zijn presentatie af, over boten, hij heeft er de afgelopen dagen een powerpoint bij gemaakt, maar oh ja, het moet op een stickie, want anders is het gedoe met inloggen en uitloggen op school zegt de meester en zijn laptop (nog van mijn moeder geweest) heeft allerlei gedeactiveerde software en is ook nog eens heel traag, waarna de USB stick onvoldoende geheugen blijkt te bezitten en de printer, theoretisch draadloos, nergens een computer vindt of andersom.
We hebben nog tien minuten, Spinvis staat op (de nieuwe liefde van Milo die hem ‘meneer Spinvis’ noemt en ondertussen kunst op mijn telefoon produceert), er moeten nog haren gevlochten en iets met tandenpoetsen, Arans presentatie komt terecht op een andere stick waar ook al mijn presentaties op staan (‘niet kwijtraken!’ roep ik) en de printer print een blaadje met onleesbare tekens. We halen even adem.
Drie minuten nog, en dan -1, we zoeken de printer die naast ons staat, mijn computer ziet hem, eindelijk, ‘misschien moet ik de meester appen dat het niet lukt,’ fluistert Aran. ‘Even wachten,’ snauw ik en tegen Milo roep ik dat hij zijn schoenen aan moet trekken. Ja, het staat erop, waar is de Aran-presentatie? Oh, die heet gewoon ‘presentatie’, stickie eruit, nu allemaal op zoek naar onze spullen, brood, drinken, tassen, is er gym? Wat had ik zelf ook alweer nodig, een tas, waar is mijn telefoon – op het bed, er staat een plaatje op – daar is mijn geld en hoewel mijn fiets nat is, zit er een plasticje om het zitje voor Milo, die anders met kletsnatte broek de school in moet hollen, het is glad door alle bladeren, maar hij glijdt niet uit. Aran heeft zijn fiets zonder piepen gepakt ondanks zijn angst voor Harry de reuzenspin die ernaast woont en wespen kan vangen, we halen het heus nog wel als we doorfietsen. ‘Komt allemaal goed jongens,’ zeg ik. Ze knikken.
Het ís al goed.

Precies goed en toch een beetje vies

We zaten in Artis bij de pinguïns die een meisje met een tuinslang volkomen aan het negeren waren.
Tiny en ik hadden het over kiezen, omdat ik iets te kiezen had. Hoe belangrijk het is dat je voelt wat je kiest en je niet teveel laat leiden door eerzucht, of geld, of andere zaken waarvan mensen altijd doen alsof ze erboven staan.
‘Het lastige is’, zei ik, ‘dat veel keuzes goed kunnen voelen en dan bij nader inzien toch wat groezelig zijn.’
We keken naar de pinguïns, die met de groezeligheid van hun zwembad minder moeite leken te hebben dan het meisje met de tuinslang. Daar lag de oplossing. Ik zag hem wel, maar ik had nog geen zin om hem te grijpen.
Mijn telefoon ging, een collega, ze belde over die keuze, ze wilde ‘m wel. Als ik het niet deed, ontving ik geen duizend euro, maar er was ook de zorg voor anderen.
‘Vroeger, als ik een klus niet deed, om wat voor reden dan ook,’ zei ik tegen Tiny, ‘kocht ik altijd van het geld dat ik niet had verdiend een paar schoenen.’
We bespraken een tijdje ernstig hoeveel schoenen je nodig hebt. Keerden daarna terug bij harde grenzen in jezelf die je moet respecteren, en bij uitdagingen, waar je juist, hoofd eerst, doorheen moet.
Het meisje met de tuinslang was nu vlakbij de pinguïns die uit voorzorg een stukje opzij waggelden, met een blik die ik ken van Milo, als zijn broer met precies zo’n slang komt aanzetten.
‘Ik doe het niet,’zei ik tenslotte. ‘Er is al teveel gezegd, mijn collega is blij met de klus. Ik ga zorgen dat ik dit weekend gebruik voor iets anders. Voor het bedenken van een nieuw boek ofzo.’ Tiny merkte op hoe mooi schoenen van duizend euro kunnen zijn. We grijnsden naar elkaar.
Het meisje met de tuinslang was verdwenen, even later begon er water in het zwembad van de pinguïns te stromen.
Ik probeerde iets samen te vatten wat ik niet kon overzien. ‘Dus soms kies je iets, heb je een nare nasmaak, maar is het toch een goeie keuze.’ Het was moeilijk om het vraagteken aan het einde weg te laten.
We stonden op. Tijd om aan het werk te gaan. De koffie had uitstekend gesmaakt. De eerste pinguïns doken in het verse water. Het rook naar vis en zon.
Het was allemaal precies goed.

Geluk in de regen

Na mijn avontuur in de bieb van de Banne , ontdekte ik dat ik mijn vulpen kwijt was. Mijn enige, prachtige, trouwe vulpen, die ik kreeg toen Aran ongeveer één was en waarvan hij meteen met zijn kleine knuistjes de dop molde. De dop die ik vervolgens met veel liefde en lijm weer repareerde, een keer of honderd. Mijn vulpen, waarmee ik boeken schrijf.
Ik had hem wat slordig in mijn jas gestopt, ik had de pont gemist, en was daar dus ook in mijn jaszak aan het rommelen. Ik was de liefste crèchejuf van Aran op straat tegengekomen en had met haar staan kletsen, telefoon gepakt om een foto te laten zien. Maar misschien, zo schreef ik hoopvol aan Grace van Noordje, had ik mijn pen wel in die ándere blauwe jas die daar aan kapstok hing gestopt. Tien keer controleerde ik mijn tas, ik bleef de route in mijn hoofd opnieuw fietsen en constateerde elke keer dat het tijd was om afscheid te nemen.
Ik vertelde het luchtigjes aan Anna toen we gisteren koffie dronken om mijn nieuwe boek te vieren en terwijl ik het zei kon ik de symboliek toch niet helemaal negeren. Mijn pen kwijt.
‘Het is vast tijd voor iets nieuws,’ zei ik dapper. ‘Een nieuwe pen,’ bedoel ik, zei ik er snel achteraan.
Anna was zo lief om er niet heel omineus bij te kijken. Je pen weg, is dat niet je stem verliezen?
Vanmorgen groef ik een andere pen op, oud, stoffig, altijd inkt sputterend, al eerder afgekeurd wegens niet willen schrijven op cruciale momenten, maar wel een vulpen en als linkspoot scheelt dat heel veel blauwe vlekken. Ik liep naar het aanrecht om de punt onder de kraan te reanimeren en voelde in mijn tas of er een inktvulling in zat. Wat rolde daar in mijn hand, alsof hij daar al de hele tijd had gezeten, oké, terwijl hij daar dus waarschijnlijk, ondanks tien keer voelen, al de hele tijd had gezeten: MIJN PEN!
Nu ben ik heel gelukkig. En ik weet het, het is maar een ding. Maar het is wel een Belangrijk Ding. En dat ding is terug.
Hoe ik dat symbolisch moet interpreteren weet ik nog niet. Maar die regen van vandaag? Die doet me niks.

Beste broers in Amsterdam Noord

Vanmiddag ga ik naar een bibliotheek in Noord om met de kinderen een verhaal te maken. >Beste broers gaat mee, en dan leest een vrijwilliger eerst voor uit het boek. Daarna maken we een verhaal.
Het is iets wat ik vaker doe, waar ik meestal in gelijke delen een beetje zorgelijk over ben (zal alles goed gaan) en me op verheug (er zitten altijd geweldige kinderen bij). Nu komt daar het voorlezen bij. Stilletjes zitten en luisteren naar mijn boek. Voor het eerst. Daar heb ik zin in. Sterker nog, zouden schoolbezoeken niet ook iets meer een cadeautje voor de schrijver kunnen zijn? Kom maar binnen schrijver, we gaan je even voorlezen. Hartstikke nuttig voor die kinderen ook, voorlezen. Misschien moet ik dat eens opperen bij de Schrijverscentrale binnenkort.
Kunnen die kinderen daarna mopperen op eventuele rare zinnen, hebben we meteen iets om over te praten. En daarna familieverhalen verzinnen. Want familie, daar zijn we allemaal expert in.

Er komt…

Om me heen: de katten die als verbaasde kuikens uit hun dekbed kruipen. Er kwam regen, maar de wereld bestaat nog steeds. Heel veel huppelende honden voor de deur, het zal er wel lekker ruiken. Het filmpje over Beste broers dat zo’n beetje klaar is (zo’n Call to Action schijnt ook heel belangrijk te zijn). De vakantie bijna ten einde, maar nog twee dagen vrij voor de jongetjes: we rekken ons uit na een collectieve zomerslaap, we reikhalzen. Op het minuscule (lievelingswoord van Milo) schoolplein wordt een bouwsel met boomstammen gemaakt, heel hip. Naar de bieb met 26 boeken, naar de supermarkt.
En op de achtergrond dat zachte deuntje dat al klonk vanaf april: er komt een boek, een boek, een boek.

 

(illustratie: Chuck Groenink)