Verjaardagsbrownies

Vandaag zou mijn moeder jarig zijn geweest als ze niet vijf maanden geleden was overleden. Na haar dood besloot ik hier een blog bij te houden. Over rouw, stelde ik me voor, over verlies. Het werd, zoals dat wel vaker gaat met leven, een rommeltje. Een beetje zoals de kast vol potjes die ik daarnet opruimde: we bleken vijf soorten nauwelijks aangeraakte pindakaas te hebben.
Ik bedoel te zeggen: wat een blog-voornemen was, werd een verhaal en het verhaal werd onderdeel van mijn leven, waardoor ik het voornemen vergat en me bijvoorbeeld stortte op de corona-schrijfopdrachten, op een andere pagina van deze website. Omdat je met schrijven deze wonderlijke tijd nog een beetje kunt bijhouden, wellicht.
Hoewel ik het van tevoren had verwacht, is er in de afgelopen vijf maanden niemand geweest die me vroeg of ik de dood van mijn moeder al had ‘verwerkt’, een begrip waarvoor ik – net als voor ‘genieten’ – een beetje bang ben. Als vandaag iemand het zou vragen dan zou ik een antwoord hebben. Ik zou zeggen: ‘Vijf soorten pindakaas. Ik heb er een recept voor gevonden: pindakaasbrownies. Alle vijf de potten erin. Veel chocolade erbij. Alles opeten. En dan moedig voorwaarts.’

Schrijfopdrachten

Sinds kort heb ik TWEE blogs. De ene is deze. Met persoonlijke verhalen. De andere is meer zakelijk of staat, zoals nu, vol schrijfopdrachten in tijden van Corona. Je krijgt gratis schrijfadvies mocht je vragen hebben en je mag zelf kiezen welke opdracht je wilt maken.
Kijk maar hier

 

Nu met verse verhalen

Fotocredits: Kika Booy

Ik plaatste een nieuwe, verse foto, gemaakt door Kika Booy, ik werkte twee verhalen bij, die je nu online kunt lezen. Hier en hier.
Yoko is waargebeurd. Mieren in een bus ook. Zoetzure zaken, want ik schreef het verhaal over mijn moeder in het jaar voor ze stierf. Dingen die je nog niet wist. Iets wat achteraf meezindert. Zou daar een woord voor zijn?

Lees maar. Het zijn wat langere verhalen dan de korte blogjes. Maar niet heel veel langer.

Bij de les

Niet ziek worden voor iemand anders is een stuk lastiger dan voor jezelf. Vooral omdat je zo helemaal niks mag hebben. Geen snufje, geen kuchje.
‘Ik blijf twee meter van je af,’ waarschuwde ik mijn vader gisteren al, terwijl ik er morgen pas heenga. Vandaag heb ik de hele dag mijn hypochondrische voelsprieten uit. Is dat hoofdpijn? Is dat keelpijn – of gewoon dorst?
Ik kom langs de Jumbo waar mensen met zijn allen aan een pak rijst staan te sjorren en ik hoor iemand somber melden dat ‘alleen al het inademen van de lucht’ voldoende is om ziek te worden. Ik ga de Jumbo niet in.
Later, nadat ik op de studio schreef, maar vooral ook veel werd afgeleid door alle berichten (op de studio zitten we trouwens goed; we hebben plantenspuiten met opgeloste allesreiniger én, grote trots, een giga torkrol met papier om je handen af te drogen oh en we hádden al, al jaren eigenlijk omdat ik dat zo leuk vond (als enige) een prullenbak die uit zichzelf opengaat), later dus, probeer ik het bij de Albert Heijn.
Ze zullen in ieder geval komkommers hebben, denk ik, want hoe hamster je die?
De komkommers zijn op.
Dus ik verleg mijn verlangens.

Boekenbal

Reed ik met mijn dappere laarzen in mijn fladderjurkje naar de schouwburg. Enorme rij. Was ik meteen onder de indruk. Want blijkbaar gaat verlegenheid niet over als je ouder wordt en al helemaal niet als je twee jaar geen boek hebt gepubliceerd. En áls je dan al een boek publiceerde, was het een kinderboek.
Stond ik daar naast drie eksters in fluwelen jonkherenpak met dikke staarten en zulke gezwollen borsten dat de rij er drie keer zo lang van werd. Erachter twee ganzen met weelderige borsten van witte en bruine pudding, ze drilden bij iedere stap. Een vrouw als een reiger, met een kuifje grijs, haar man een kikker met glitterhoed, zijn lange tong keurig gestrikt om zijn nek.
Dus ik dwarrelde binnen, met exact dat gevoel van Koningsdag, draaikolk en overal oever, maar niemand trekt je erop. Ik greep de hand van Manon Duintjer, raakte haar kwijt, botste tegen Eva Cossee op, landde bij Saskia de Bodt.
Zo stonden we even later bij de trappen van de zaal te praten terwijl de ruis nog door de gangen waarde en opeens wist ik weer waarom ik hier was. Vanwege de pracht en praal, zeker, maar ook vooral om dit; zo’n onverwacht moment, connectie. Het uitwisselen van verhalen die de moeite waard zijn met iemand die de moeite waard is. Dat ik een vak met haar deel, dat we allebei verhalen zoeken, hoe fantastisch dat is.
Het was de kiem van iets simpels dat tijdens al het geroep daarna wortel schoot en razendsnel plant werd. Ik zag wortels en bladeren langs de muren omhoog kruipen, hij kleurde het einde, die plant, toen ik Joukje Akveld had gevonden en we in een leeg gedanste zaal naar de man zaten te kijken die plakletters van spiegels trok: Ken jij jezelf? Hou je van jezelf? Ben je een rebel? De man trok ze eraf, en terecht. Want wat doet het ertoe of je van jezelf houdt. Als je maar groeit, als je maar schrijft. Als je maar begrijpt dat het einde altijd nabij is en dat dat niet geeft. Want als er bijna niks over is, is er ook niks meer om bang voor te zijn.

Naar huis verhuizen

Gisteren hebben we mijn vader naar huis verhuisd. Hij had zijn spullen al gepakt. Opeens was zijn kamer weer een revalidatiekamer. Het blauwe plastic matras en de robuuste stoelen vol rollatorbutsjes.
We gingen langs de Albert Heijn en mijn vader keek zoals ik me voel als ik in New York kom: dat je een supermarkt binnenloopt om even snel iets te kopen en totaal overvallen wordt door het aanbod. Niet één kuipje kwark, maar acht soorten en niks in de juiste maat. Eieren? Hoe vrij wil je de kip. Kaas zag hij de afgelopen twee maanden uitsluitend in plastic plakjes.
Op straat liep een mevrouw met de rollator die we via Marktplaats hadden uitgezocht, maar nog niet opgehaald.
Ik sprak de mevrouw aan.
‘Hij vouwt nog iets te groot op,’ zei ze. Ze liet het meteen zien, met een vernuftig hendeltje. We keken aandachtig. ‘Verder rijdt hij heerlijk.’
Ik had ook nog de trappers van een fiets georganiseerd, zo’n fitnessapparaat, zonder fiets eromheen. Leek me handig met al die regen, fietsen in je stoel. Ook Marktplaats, een adres om de hoek. Maar het ding gleed weg op de laminaattegels van het huis. En volgens de fysio kon mijn vader beter uit wandelen gaan, regen of geen regen.
Veel wandelen dus, de komende weken, en veel leren over boodschappendiensten, reisondersteuning, ergotherapie en de haalbaarheid van doelen  – nooit geweten dat er zoveel nuance zat in al dat geriatrische grijs. Nooit gedacht dat ik het leuk zou vinden me erin te verdiepen. Toon mij een rollator en ik noem je het merk.

Nieuw en vers

We gaan op bezoek in het AMC, of eigenlijk het UMC, bij een te vroeg geboren kindje, of eigenlijk, bij de ouders van het te vroeg geboren kindje. Aangezien de vakantie nooit meer op lijkt te houden, gaan de jongetjes mee. Milo heeft er wel zin in. Die is nog steeds onder de indruk van het feit dat zijn hele hand ooit zo groot was als mijn duimnagel. Ik heb mijn laptop bij me opdat we foto’s van het verse kindje kunnen vergelijken met de baby die Milo ooit was.
In plaats van de fiets kies ik voor de tram, anders waait er misschien een jongetje weg. Na de tram komt de metro. Beide broertjes stuiteren van opwinding.
Dat is het voordeel van onderweg zijn met kinderen: de reis maakt bijna evenveel indruk als het doel.
Op het centrale plein in het ziekenhuis bunkeren we broodjes en sap. Daarna gaan we foto’s kijken. Broertjes lijken het, de vroegere Milo en het verse jongetje. Met van die grote zwarte ogen (of: een groot zwart oog) en dikke oogleden. Zowel Aran als Milo kijken aandachtig.
‘En, hoe vonden jullie het?’ vraag ik als ze ’s avonds in bed liggen, Aran met een boek, Milo met al zijn beesten om zich heen gedrapeerd.
‘Was ik kleiner dan dat baby’tje?’ Ik kan horen dat Milo hoopt dat het antwoord ja is. Milo, de kleinste baby ter wereld.
‘Leuk om dat ene filmpje te zien,’ zegt Aran, ‘zelfs superklein reageert hij al op de stem van zijn moeder. Dat vinden ze allebei fijn, denk ik.’
‘Trouwens,’ Aran kijkt nog steeds heel bedachtzaam. ‘Ik was nog nooit met de metro geweest.’

 

De schop

Mijn website gaat op de schop. Want nu mijn vader beter gaat (ja, hij gaat beter, woehoe!), zie ik het rommeltje dat ik er hier van heb gemaakt en na een goed gesprek met Merel is er nu een plan. Meestal werkt iemand zo’n plan dan in stilte uit, maar ik dacht: ik doe het hier, in mijn achtertuin. Daar ligt toch al van alles open en bloot te wezen, dus waarom niet ook dit.
‘Voor welke klus kun je mij bellen,’ is de wat onromantische werkvraag.
Er komen twee blogs in plaats van één. De ene is deze; wispelturig.
De andere is gericht op mijn lievelingsonderwerp: mensen.
Mensen en schrijven en interviewen en modereren en vertellen wat ze moeten doen. Dat soort zaken. Schrijftips misschien ook. Ongevraagde tips, zeker, maar dat is het voordeel van lezen: je hóeft het niet te doen. Daar schaamt niemand zich meer voor, tegenwoordig (gisteren reed ik met de auto naar Barneveld en ontmoette daar een meisje dat vol overtuiging zei: ‘Ik lees nooit.’ Toen heb ik natuurlijk gezegd dat ze op een dag – je weet nooit precies wanneer – door een gat in de aarde verzwolgen gaat worden).
Aan de slag dus. Waar is mijn schop (oh ja, in de auto).

Dominosteentjes

Een week geleden.
‘Als ik jou duw,’ zegt Els de fysio, ‘dan struikel je een beetje opzij, maar blijf je overeind.’ We staan in de lange gang naast twee stoelen, een bal en wat gewichtjes. Mijn broer en ik knikken. ‘Maar als ik jullie vader duw, dan valt hij om.’
Mijn vader, in de rolstoel, knikt ook. We hebben het niet getest natuurlijk, maar het lijkt ons allemaal heel waarschijnlijk. Het geldt vast voor deze hele revalidatieafdeling. Het heet hier niet voor niets ‘balans’.
Ik stel me voor dat ik al die mensen uit die sociale ruimte pluk en op een rijtje zet. Dan hoef je dus maar één keer te duwen. Bedekken ze als dominosteentjes het onbestemdkleurig linoleum.

Gisteren. We staan weer in de gang. Mijn vader moet van stoel naar stoel lopen. Zonder rollator. Alleen al het los staan is een nieuwe ervaring, je ziet het aan zijn lijf. Ik stel me die hersenen voor, die zich rot zoeken naar de juiste touwtjes. Waar zat de knop voor de benen ook alweer, wat doen je ogen als je loopt, en die handen, moeten die wel zo strak langs het lichaam? Met ingehouden adem bekijken we de oversteek. Els heeft mijn broer en mij verteld dicht bij hem te blijven, voor tegen het omvallen. Maar hij loopt zelf, hij gaat zelf zitten, hij staat zelf weer op. Na vier keer zwaaien zijn armen een beetje mee, is zijn nek iets meer ontspannen. Wat een wonder, dat opnieuw leren bewegen. Wat een raar apparaat, zo’n hoofd, zo’n lijf. Maar hij doet het maar mooi, hij is bezig zichzelf naar huis te lopen. Bij het keren voor de stoel valt hij bijna om. Ik grijp hem vast. ‘Ik heb je,’ fluister ik in zijn oor.

Katapult

‘Sadistisch eten,’ noemt mijn vader al die kuipjes, die plasticjes om kazen, die onlostrekbare hoekjes. Op zijn afdeling zitten alleen maar mensen met een hersenbeschadiging, overal hangen onbruikbare vlerkjes, wordt er somber naar het bord gestaard waar geen eten ligt, maar een aanstormende worsteling.
‘Kom kom, meneer Schmitz,’ zeggen de verpleegkundigen wat dwingend en leggen een schaar voor hem neer. ‘Zelf je boterham beleggen. Dat is goed voor het oefenen van de coördinatie.’
Handig, scharen, mijn vader is er dol op, dus hij knipt de kaas door en ook meteen maar een kuipje doormidden.
De volgende keer bouwen we een fort. Leen ik een katapult van Aran. Is vast ook een hele goeie coördinatie-oefening. Ik heb zo’n vermoeden dat die kuipjes wel willen vliegen.