Overmangood

Sommige thuislesdagen duren langer dan andere. Deze duurde lang. Er kwam een mango in voor. En een foto waarop Milo en ik een rare bek trekken, maar die plaats ik lekker niet. We speelden een keer of vijf ‘Escape Room’, ideetje van dedagvandaag.nl die het weer van Klokhuis had geleend. Net als de vorige lockdown leer ik een hele nieuwe wereld kennen. Vanmorgen zaten we al enorm ijverig te tafelrappen. Het is een nieuwe wereld vol filmpjes, enorm vrolijke tips – man, ik krijg er plaatsvervangend kramp in mijn kaken van – en vooral ook; nieuwe woorden.
Al die tijd verheugde ik me erop dat ik misschien aan het einde van dag, nu ongeveer, zelf ook wat kon schrijven. Want ze zijn nu eindelijk lekker vertrouwd aan het gamen. Maar die mango dus, dat wou ik nog zeggen, die was geprint, in stukjes geknipt en moest toen weer bij elkaar gezocht worden. Dat duurde even. het was best leuk. Ik denk dat ik hem vanavond maar opeet. Want hoe ik ook rondkijk van binnen, veel zinnigs zit er niet meer in. Mijn hoofd is leeg gemangood (is dat met een t of een d? Categorie 11, vermoed ik, ik kan het de jongens niet vragen wegens gegame (gegame?) dus ik gok blind op die 11 (elf), op een ‘langer-maak-woord’, opdat je beter de -t of de -d kunt kiezen. Mangode? Echt geen idee meer, heel internet gaat schande van me spreken, gelukkig kan ik het morgen aan mijn twee jonge meesters vragen. Vraag ik ook meteen of ik eerder naar huis mag.

Wat je niet van elkaar weet

Ik sta bij de bakker om croissantjes te kopen voor de kinderen. Vijf om precies te zijn, twee van vier en drie van zeven. Het is de bakkerij met een klein cafédeel, waar ik vroeger aan Beste broers schreef. Ik ken de man achter de toonbank, want hij vertelde toen dat hij ook graag schrijft. Nu kijkt hij peinzend. Ik volg zijn blik, de kinderen staan als hongerige aapjes voor het raam op en neer te springen, we hebben een longboard bij ons en een step.
‘Zijn die allemaal van jou?’ zegt hij dan.
‘Een drieling en een tweeling,’ ik glimlach er trots bij.
Daar is hij even stil van.
Hij geeft me de croissants. ‘Dat weet je niet hè, van mensen, totdat er opeens zo’n lockdown is,’ zegt hij dan ernstig.
‘Ik heb er thuis nog een van elf,’ knik ik.
Hij kijkt mij en mijn kleine karavaan hoofdschuddend na.

Lockdownlijstjes

’s Nachts maak ik lijstjes omdat de regen maar doorgaat, net zoals alles maar doorgaat en toch zo onzichtbaar blijft. Lessen uit de lesboeken van mijn zevenjarige, hoe zat het ook alweer met die categorieën en een rijtje met ‘uw’, kan me niet herinneren dat ik dat ooit geleerd heb. Maar wat kan ik me herinneren, wat gaan we ons herinneren hoe wordt deze tijd bijgezet in ons geheugen en hoe zit dat, dacht ik daarnet, met al die mensen die dit leven al leefden, die de avondklok niet gaan merken omdat ze dan toch al in pyjama door het huis stiefelden, bekertje heet water, boek in de hand. Het leven van een beestje in een nest, allemaal nesten naast elkaar, wat je kunt zien als je ’s avonds door het land rijdt, al die lichtjes in al die huizen – maar dat zie je niet, want je rijdt er niet.
Het is weer dag, ik begin.

Spetterend fikkie

De buren hadden een vuurkorf en dat maakte het beeld wakker dat al een tijdje sluimerde. Dat ik mezelf ook bij zo’n vuurkorf zag staan, mijn eigen vuurkorf. Voor de boot, met een tafel vol hapjes en allemaal lachende mensen als in een reclame. “Wij hebben een gezonde én warme oplossing gevonden”, zei die reclame in mijn hoofd. Voor alles. Buiten is het goed, mits je een vuurkorf hebt, zei die reclame.
En aangezien het toevallig oudejaarsavond was zei ik iets in die trant tegen Edwin. Of eigenlijk zei ik vooral, om half twaalf, ik was net wakker geworden terwijl ik eigenlijk een boek las, de jongens zaten tevreden hun tweede film te kijken (Finding Nemo) – ik zei dus: ‘We hebben nog hout in het vooronder.’ Het was glad op het dek. Maar er was inderdaad hout. En de vuurkorf was er ook. We hadden zelfs vuur, en benzine, dus aansteken was geen enkel probleem.
Zo kon het dat ons nieuwe jaar begon met vuur en vuurwerk. Geen tafel vol hapjes, geen vrienden (hoewel er na verloop van tijd buren kwamen langslopen), kleine spetterende sissertjes die Milo en Aran voorzien van veiligheidsduikbrillen produceerden, door elke keer opnieuw vol verwachting vuurwerk van vorig jaar in de korf te werpen. De foto van Milo werd mijn hoera-appje en die zet ik nu ook hier. Bij wijze van hoera. Dankjewel dat jullie er zijn, bij mijn fikkie, aan deze tafel vol hapjes, met op de achtergrond al het vuurwerk dat nog gaat komen. Dit is een laat Nieuwjaarsbericht. Kleine spetters zijn ook leuk. En klein vuur is ook vuur. We maken er zelf ons verhaal wel bij. Wij kunnen dat.

Onverwachte voordelen van corona

Mijn toetsenbord had het moeilijk (het piepte astmatisch) en daarom zocht ik al een tijdje een nieuwe. Online natuurlijk, want dan heb je lekker veel keuze. Ik had geen geluk; de eerste typte niet lekker. Bij de tweede bleef na een paar verhalen de enter-toets hangen.
‘Ik tik vast te hard,’ zei ik grappend tegen Willemijn.
‘Zeker weten,’ zei ze zonder echt heel hard terug te lachen.
Dus toen zocht ik een mooi, weinig geluid producerend apparaat en dat vond ik. Een Silver Eagle.
‘Heb je nou alweer een toetsenbord,’ zei Aran. Het was een plug and play, wat ze allemaal zeggen te zijn, deze had er nog een mooi handzaam muisje bij ook, en die deed het uitstekend, die muis. Maar het toetsenbord wilde geen contact met mijn computer. Wel plug, geen play.
Dus nu ga ik straks naar een toetsenbordwinkel. Een noodzakelijke verplaatsing.
De eigenaar van het kapotte toetsenbord belde me overigens nog heel vriendelijk om te kijken of hij kon helpen. Hij raadde me aan nog eens bij hem te bestellen, maar veel had hij niet in de aanbieding. ‘Dat is het voor- en nadeel van corona: al die thuiswerkers.’
‘En die gaan allemaal schrijven,’ zei ik begripvol.
Hij zuchtte. ‘Dat is natuurlijk goed voor mijn verkoop, maar het zijn er wel heel véél.’

Roze en pluizig

Ik had dikke zachte sokken gekocht om de wereld vandaag, om te beginnen bij mijn voeten, wat warmer te maken. Ze werden gisteravond direct geconfisqueerd.
Zo gaat dat met zachte warme dingen, er zijn altijd wezens die ze meer nodig hebben dan ik. Soms moet je die wezens dat gunnen.

Zo’n stukje dat eigenlijk te intiem is

Ik was even heel bang; zo van wow, ze woonde in zo’n Ariel doos in een hoekje van dat toch al zo donkere hoekjesvolle huis. Ze stond daar best.
Te snel, dacht ik angstig, te snel. Maar er zat dus best weinig as in die doos, bleek, voor de helft gevuld. En witter ook, ik heb een keer voor een boek opgezocht hoe dat zat, en toen leerde ik dat kinderen heel wit zijn, maar moeders dus blijkbaar ook. Ze vloog zo vanaf het bruggetje het water in, moest nog door een soort pijp en dan aan de andere kant de brede sloot in waar haar bankje stond. Had ik geregeld bij de gemeente. Een heel mooi, simpel bankje, ik moet er alleen nog stiekem haar naam op plakken. We liepen erheen, van de brug naar dat bankje, mijn vader molde onderweg de doos een beetje, mijn broer gooide het steentje dat je erbij krijgt als bewijs dat het je moeder is, in het water.
‘We kunnen kijken wanneer ze aan de andere kant de pijp uitkomt,’ zei mijn vader met een klein lachje, bijna tevreden. Het waaide en het water gleed voorbij, maar de as zagen we niet. We bedachten dat we bij het bankje heel veel bloembollen gaan planten, dat vrienden dat ook mogen doen. Dat jullie dat allemaal mogen doen; kom je een bankje tegen, plant er dan een bloembol bij. We hadden er al een paar bij ons, bloembollen, we waren al begonnen. Het verhaal was al begonnen, al lang natuurlijk. En toen ik dat allemaal had bedacht en naast mijn vader weer op dat verse bankje zat voelde het even heel vrij.
De as was weg, mijn moeder is overal.
‘Voelt het nou heel gek?’ vroeg ik hem, hij had de lege doos nog steeds tegen zich aangedrukt.
‘Niet gekker dan dat ze er niet meer is,’ zei hij.

Bier in de speeltuin

We stonden bij het schoolplein terwijl onze kinderen rondrenden alsof ze de hele dag met ducttape aan hun stoel vastgeplakt hadden gezeten. Wat misschien ook zo was, want de klas is onbegaanbaar gebied, dus moesten we geloven dat de foto’s en de berichten van de juf de waarheid waren. Misschien dat mensen achterdochtig worden als ze worden gedwongen te vertrouwen op zaken die ze niet kunnen zien. En moeten we dan, mijmerde ik, op scholen juist méér lessen in vertrouwen geven of juist lessen in ‘omgaan met je eigen achterdocht.’
De twee andere moeders hadden het over bier. Hun favoriete café had heel slim hun zelf gebrouwen bier in flessen gestopt en dat werd nu elke zaterdag bij de afhaalbalie verkocht. Er was één favoriet, die smaakte naar zomer. Ik trok mijn winterjas wat dichter tegen me aan. Mijn zoon kwam voorbijrennen in zijn T-shirt. Hij vindt sinds een paar dagen dat jassen nergens voor nodig zijn. Vertrouwde ik voor het gemak dan ook maar op, op zijn gevoel voor kou.
We liepen richting speeltuin.
‘Ik zou dat bier er zo bij kunnen halen,’ zei de ene moeder.
Ik bibberde inmiddels een beetje.
‘Met een vuurkorf erbij!’ opperde de andere moeder. ‘Of zou bier in een speeltuin niet mogen?’
We zagen klassenborrels voor ons, en gezellig samen om een vuurtje staan. Of nee, er waren restricties, regels, we werden niet geacht gezellig te doen. En toch; zo’n nieuwe vorm, waarin alles afhaal, alles buiten, alles met veel dekens en vuur gepaard ging. En met wandelen. Onverwachte winnaar van corona: de wandelschoenenspecialist.
We waren allemaal even stil. Het was donker aan het worden, al bijna etenstijd.
‘Ik hoop het wel,’ zei ik toen.

De verzorging van het haar zo doe je dat

Ik was bij de krullenkapper. Want ik geloof in sprookjes. Het was er druk en we hadden allemaal mondkapjes op, waardoor alle kapsters met hun enorme bossen krullen op elkaar leken. Dat vonden ze andersom van de klanten ook, we moesten steeds zeggen wat onze naam was. Gelukkig werden er geen benen afgehakt. Oeps, sorry, verkeerde been, je leek zo op de andere.
Ik keek naar mezelf in de spiegel. Heel lang leek het alsof er niets ging veranderen. De kapster knipte heel liefdevol vond ik, met kleine plukjes haar. Alles wat nog blond was (een eerder sprookje) werd eruit geknipt, dat wel, maar ik had zelf ook wel gezien dat die puntjes nogal op verdorde takjes leken. Herfst, ik had de herfst op mijn hoofd.
Toen moest ik föhnen op de kop, daarna met zo’n swoesj mijn hoofd omhoog. Toen had ik heel veel krullen, eventjes. Echt een grote bos.
Onderweg naar de studio begon het te regenen en ik had pijn in mijn oor van de wind, dus ik dacht na over mutsen.
Vanaf nu kijk ik niet meer in de spiegel, dan heb ik voor altijd heel veel krullen.