Bakens

We hadden het erover dat Anna nog steeds, al jaren, om de drie dagen een blog schrijft. Dat heel veel mensen haar lezen.
‘Heb ik wel gedaan,’ zei ik. ‘Maar ik durf zo vaak niet te schrijven. Het is of te privé of juist te politiek.’
Anna wuifde het weg, ze had er geen last van. Misschien door dat driedaagse ritme ook. Zoals ademhalen, dat doen de meesten ook vanzelf – waarmee ik niet wil zeggen dat het schrijven blogs geen moeite kost trouwens (en ademhalen valt ook nog weleens tegen). Liefde en discipline zijn de basis. En – in mijn geval dan toch – moed.
Later ging het over haar vermogen om een baken te zijn. Met vaste dinsdagavonddiners voor haar dochters plus aanhang, een huisje op Texel in de zomer. Knap vind ik dat. Fijn ook, als ik weer eens hard aan het zwemmen ben en geen idee heb waar naartoe. Dan zijn er bakens, dat weet ik gewoon. Zelfs met zout in mijn ogen.
Later, toen ik alleen in de bed lag, de witte wijn tolde nog wat door mijn hoofd, zag ik die zee weer voor me. De golven, de muistromen, ‘the undertow’ in het Engels – er zijn wel tien boeken met Undertow in de titel.
Misschien mag ik dan de dolfijn zijn, dacht ik voor ik in slaap viel. Later op de nacht dacht ik er weer anders over. Van die doorzichtige diepzeevissen met lampjes, enge spinachtige kreeften, dat soort beesten. Maar dat was later.

Supermanlollie

Vanmorgen heb ik het wereldrecord traktaties maken verbroken. Coronaproof ook nog. Milo is in de vakantie jarig geweest en ik had het bedacht van tevoren, dat dinsdag een goeie dag zou zijn. Dan is er de leuke juf (de andere is ook leuk, maar vaker boos), dan hebben ze die eerste rommelig nadevakantie-maandag al gehad.
Perfect.
Behalve dan dat ik het was vergeten.
We hadden drie kwartier.
Dus snel naar de jumbo, voor lollies, want het moet verpakt, dus dan kun je kiezen uit lollies en chips.
We hadden supermannetjes bedacht. Of bedacht, afgekeken van internet. Milo zat thuis de maskers met de ogen te knippen en te kleuren en daarna in supersnelle samenwerking zelfs hier en daar nog wat capejes aan die lollies geplakt, ik pulkte net nog wat lijm van mijn vingers.
Ik ben geen knutselaar, doe mij maar banjeren en verhalen vertellen, gelukkig is Milo handig en geduldig met me.
Hij liep er zelf mee naar binnen, alle superlollies in een ‘door kind draagbare bak’ – want dat is ook nog iets, dat je niet als hulpje de klas in kunt hollen om alle losgelaten oogjes nog snel even met wat spuug (mag tegenwoordig ook al niet meer, spuug) vast te plakken.
We hebben het gered. Nu is hij echt acht.

Slaperige leeuwen

Terwijl ik de manen van mijn jongste kam, denk ik aan het verhaal dat ik aan het schrijven ben. Hoe het zijn einde nadert – maar dat doet het al een tijdje. En hoe heerlijk dat kan voelen. Een wereld om naartoe te gaan. Muren om nog iets rechter te zetten, een kek versierinkje gewoon voor de leuk. Het kleien.
Ondertussen spetteren er schelle stemmetjes uit mijn telefoon. Een filmpje dat Milo altijd tijdens het borstelen en vlechten mag kijken. We vinden het allebei een uitstekende regeling.
‘Zo,’ zeg ik, als ik zoals altijd net iets eerder klaar ben dan zijn filmpje, maar hij toch zonder morren de telefoon uitzet, misschien wel omdat er morgen weer een dag van borstelen en filmpjes kijken komt. Hij heeft daar in ieder geval een rotsvast vertrouwen in. Zijn dagen als sliert vol tevreden herhaling waarbij de meeste veranderingen niet door hem worden bepaald en hij zich er dus ook geen zorgen over maakt. Als je zeven bent zit je leven vol overmacht en vertrouwen. Vage abstracte gedachtes, die passen bij ochtenden en borstelen, de manen van mijn verhaal; ik laat ze nog even loshangen. En dan straks naar de zon brullen.

Citroencake in het bos

Vandaag zou mijn moeder tachtig zijn geworden. In plaats daarvan is ze al anderhalf jaar dood. Ik bak citroencake met Aran, naar het recept van die geweldige blog van Caroline en haar vriendinnen, de Universal Moms.
De hele ochtend heb ik foto’s van Aran zitten uitzoeken voor zijn twaalfde verjaardag, dan krijgt hij een fotoboek. Nog liever wil hij een playstation 5, maar je hebt waarde en waarde, dat weet je als twaalfjarige vast al – de playstations zijn bovendien allemaal uitverkocht.
Ik ben er een beetje wiebel van, van die foto’s, de cake, de rit naar mijn vader straks, meteen door naar het bos, naar het bankje voor mijn moeder. Met die cake natuurlijk, in de vorm van een hartje, een cakevorm uit het ouderlijk huis.
‘Ik bak toch niet meer,’ zei mijn vader.
Dus bak ik met Aran.
Ik mopper op de boter die vrolijk druipend uit de oven komt, waar ik hem – was de bedoeling – alleen maar even liet kamertemperaturen. Ik mopper op het meel, dat enorm volkoren is, wat niet helemaal hoort bij iets luchtigs als een cake.
‘Ik heb een soort van koud,’ zeg ik dan.
We hebben de eieren in het deeg, het meel zit er ook in.
‘Ik voel het aan je,’ zegt mijn oudste ernstig.

Droombaby

Vannacht droomde ik dat ik een baby ging ophalen bij de garderobe van de Praxis, maar dat de buurvrouw hem al had meegenomen. Er ontstond onenigheid over de vraag of dat mocht, zomaar baby’s aan buurvrouwen meegeven. Ik was daar ook druk mee bezig, in die droom. Volgens mij vond ik dat ze eerst een formulier had in moeten vullen. Dan had ik haar kunnen bellen.
Toen ik wakker werd vertelde ik het aan Aran en hij vroeg: wie laat er dan ook een baby achter in de garderobe van de Praxis. Sowieso: Garderobe? In een kluswinkel?
Ik moest bij de koffie, even later, denken aan een gesprek dat ik gisteren had, waarin ik ‘verwondering’ als antwoord gaf op de vraag wat ik mooi vond aan mijn dag.
Vandaag denk ik: misschien moet ik me ook eens afvragen wat er onder al die verwondering woont. Want wáár is die baby gebleven?

Steeds groter

Aran mag meedoen met een pilot van Alasca (Amsterdam Liberal Arts & Sciences Academie) waarbij achtstegroepers die wel een beetje klaar zijn met die achtste groep alvast op vrijdagen naar de middelbare mogen. Ontzettend fijn, want de verveling was behoorlijk aan het toeslaan.
Vandaag was de eerste keer, en we gingen fietsen. Over de brug, langs de nieuwbouw, bouwterrein op, keren, onze fietsen botsten even (hij was er met zijn hoofd niet helemaal bij), door naar de school, eerst kijken waar de ingang is, dan parkeren. We waren ruim op tijd, er was een jongen van zijn school, wat hielp, maar erg spraakzaam waren ze allebei niet. Ik en de moeder van die jongen juist wel, wij vulden de stilte en de jongetjes hielpen hier en daar een zinnetje.
Mooie school, lekker ruim, en nog ontdaan van al die gigantische middelbare scholieren, want die beginnen volgende week pas.
Uiteindelijk gingen we naar boven, waar de achtstegroepers een eigen lokaal kregen, fijn leek me, een soort van veilig eiland in de grote schoolzee.
‘High five?’ zei ik, toen Aran al naar binnen wilde lopen. Zijn gezicht stond bloedernstig.
Ik kreeg bij wijze van afscheid een kneepje in mijn hand, zo’n klein jongenshandje eigenlijk nog, warm en plakkerig.

(Over scheefhangende mensen)

Laatst zei iemand tegen me: ‘Wat ik grappig vind aan jouw blogs, is dat ze eigenlijk over hele kleine dingen gaan.’ Ik verstond: dat ze eigenlijk nergens over gaan.
Sindsdien vraag ik me af of dat waar is, en of ze niet eigenlijk over grotere dingen zouden moeten gaan. Of ik harder moet brullen (dat vraag ik me trouwens heel vaak af, moet ik harder brullen? Moet ik jullie vertellen dat ik boeken schrijf, dat iedereen ze moet lezen, dat ik iets vind van, ik noem maar wat, COVID-19? Zijn er meer mensen die dat hebben? Dat vraag ik me ook heel vaak af – zijn er meer mensen die vinden dat ze harder moeten brullen? En als het dan van de daken moet, waar die daken dan zijn?). Of zou ik juist heel blij naar mijn leven moeten kijken, omdat ik gestaag verder schrijf, omdat ik nog steeds die hoop niet heb opgegeven dat iedereen mijn boeken daadwerkelijk gaat lezen – ook zonder brullen. Dat ik blij ben omdat ik schrijf, punt (Een punt? Hebben meer mensen dat, van die dagen dat ze bang zijn om niet goed begrepen te worden – en zou dat met brullen samenhangen – hoe harder de wereld brult, hoe banger ze zijn dat niemand ze hoort?). (Hebben meer mensen dat: tussenhaakjes-dagen?).
En dan fiets ik naar de stad en loop een Spar binnen waar een jongen van de pakketdienst met een pakketje maar zonder mondkapje iets aan de de kassamevrouw vraagt die zowel afkeurend als angstig zo schuin achterover leunt dat ze bijna uit haar stoel valt. En daar sta ik dan te wachten, tot de jongen klaar is met brullen (hij brulde niet, maar dat zou leuk zijn, voor deze blog) en wegloopt. Tot ik aan de beurt ben om af te rekenen. Tot die mevrouw weer recht zit.

Piraten te voet

We zagen op het jeugdjournaal een jongen die 160 km naar zijn oma was gelopen, dus we dachten: wij lopen naar Melle, maar eerst tot Muiderberg, ik en de jongens, 22 kilometer over een dijk. Volgens het kaartje.
Dat ontdekten we als eerste: dat je beter je ogen dan het kaartje kunt geloven, want het stuk door het Diemerpark bleek niet rustiek en gezellig, maar een hysterische dure lycrapakjesfietsensnelweg: bizar coronaprobleem dat heel Nederland maar de hele tijd zo nodig buiten wil zijn. Overal die snelle wielen, met hun rottige neiging om te bellen in plaats van te zwenken.
Maar we zetten door, na het Diemerpark kwamen de schapen, oerkoeien, bomen vol vleermuizen, eindeloze meren en een kist met een piratenschat. We komen dus nooit meer terug, hebben onze baarden laten staan en ik heb ringen in mijn oren, de jongens nog niet, die moeten eerst nog drie haringen durven eten. Rauw en levend, zoals dat hoort op reis.

Ik loop

Doordat het ging sneeuwen was ik begonnen met lopen. Mijn studio is twintig minuten van de boot, en de route leidt langs een supermarkt en langs water.
Dat lopen bevalt na een ruime week zo goed, dat ik vind dat ik ermee door zou moeten gaan. Al was het maar omdat je de zin ‘ik liep me vanmorgen af te vragen’ dan zowel letterlijk als figuurlijk kunt nemen, wat heel bevredigend is.
Onderweg zijn er buurvrouwen, maak ik praatjes en glimlach naar mensen met mondkapjes die meestal eerst heel strak terugkijken en dan ontdooien.
Maar het kost zoveel tijd.
En ik voel in de verte de lente naderen en alle dingen die ik nog wil doen, binnen wil halen, geschreven wil hebben, iets met verslinden en grijpen en er doorheen rennen, nee racen, sneller dan ik zelf ben en dát is nou precies wat je niet doet met lopen, sneller zijn dan jezelf. Wat je misschien wel nooit bent, maar wat je wel kunt hopen? – of toch gewoon, nog even lopen.