Boekenbal

Reed ik met mijn dappere laarzen in mijn fladderjurkje naar de schouwburg. Enorme rij. Was ik meteen onder de indruk. Want blijkbaar gaat verlegenheid niet over als je ouder wordt en al helemaal niet als je twee jaar geen boek hebt gepubliceerd. En áls je dan al een boek publiceerde, was het een kinderboek.
Stond ik daar naast drie eksters in fluwelen jonkherenpak met dikke staarten en zulke gezwollen borsten dat de rij er drie keer zo lang van werd. Erachter twee ganzen met weelderige borsten van witte en bruine pudding, ze drilden bij iedere stap. Een vrouw als een reiger, met een kuifje grijs, haar man een kikker met glitterhoed, zijn lange tong keurig gestrikt om zijn nek.
Dus ik dwarrelde binnen, met exact dat gevoel van Koningsdag, draaikolk en overal oever, maar niemand trekt je erop. Ik greep de hand van Manon Duintjer, raakte haar kwijt, botste tegen Eva Cossee op, landde bij Saskia de Bodt.
Zo stonden we even later bij de trappen van de zaal te praten terwijl de ruis nog door de gangen waarde en opeens wist ik weer waarom ik hier was. Vanwege de pracht en praal, zeker, maar ook vooral om dit; zo’n onverwacht moment, connectie. Het uitwisselen van verhalen die de moeite waard zijn met iemand die de moeite waard is. Dat ik een vak met haar deel, dat we allebei verhalen zoeken, hoe fantastisch dat is.
Het was de kiem van iets simpels dat tijdens al het geroep daarna wortel schoot en razendsnel plant werd. Ik zag wortels en bladeren langs de muren omhoog kruipen, hij kleurde het einde, die plant, toen ik Joukje Akveld had gevonden en we in een leeg gedanste zaal naar de man zaten te kijken die plakletters van spiegels trok: Ken jij jezelf? Hou je van jezelf? Ben je een rebel? De man trok ze eraf, en terecht. Want wat doet het ertoe of je van jezelf houdt. Als je maar groeit, als je maar schrijft. Als je maar begrijpt dat het einde altijd nabij is en dat dat niet geeft. Want als er bijna niks over is, is er ook niks meer om bang voor te zijn.

Naar huis verhuizen

Gisteren hebben we mijn vader naar huis verhuisd. Hij had zijn spullen al gepakt. Opeens was zijn kamer weer een revalidatiekamer. Het blauwe plastic matras en de robuuste stoelen vol rollatorbutsjes.
We gingen langs de Albert Heijn en mijn vader keek zoals ik me voel als ik in New York kom: dat je een supermarkt binnenloopt om even snel iets te kopen en totaal overvallen wordt door het aanbod. Niet één kuipje kwark, maar acht soorten en niks in de juiste maat. Eieren? Hoe vrij wil je de kip. Kaas zag hij de afgelopen twee maanden uitsluitend in plastic plakjes.
Op straat liep een mevrouw met de rollator die we via Marktplaats hadden uitgezocht, maar nog niet opgehaald.
Ik sprak de mevrouw aan.
‘Hij vouwt nog iets te groot op,’ zei ze. Ze liet het meteen zien, met een vernuftig hendeltje. We keken aandachtig. ‘Verder rijdt hij heerlijk.’
Ik had ook nog de trappers van een fiets georganiseerd, zo’n fitnessapparaat, zonder fiets eromheen. Leek me handig met al die regen, fietsen in je stoel. Ook Marktplaats, een adres om de hoek. Maar het ding gleed weg op de laminaattegels van het huis. En volgens de fysio kon mijn vader beter uit wandelen gaan, regen of geen regen.
Veel wandelen dus, de komende weken, en veel leren over boodschappendiensten, reisondersteuning, ergotherapie en de haalbaarheid van doelen  – nooit geweten dat er zoveel nuance zat in al dat geriatrische grijs. Nooit gedacht dat ik het leuk zou vinden me erin te verdiepen. Toon mij een rollator en ik noem je het merk.

Nieuw en vers

We gaan op bezoek in het AMC, of eigenlijk het UMC, bij een te vroeg geboren kindje, of eigenlijk, bij de ouders van het te vroeg geboren kindje. Aangezien de vakantie nooit meer op lijkt te houden, gaan de jongetjes mee. Milo heeft er wel zin in. Die is nog steeds onder de indruk van het feit dat zijn hele hand ooit zo groot was als mijn duimnagel. Ik heb mijn laptop bij me opdat we foto’s van het verse kindje kunnen vergelijken met de baby die Milo ooit was.
In plaats van de fiets kies ik voor de tram, anders waait er misschien een jongetje weg. Na de tram komt de metro. Beide broertjes stuiteren van opwinding.
Dat is het voordeel van onderweg zijn met kinderen: de reis maakt bijna evenveel indruk als het doel.
Op het centrale plein in het ziekenhuis bunkeren we broodjes en sap. Daarna gaan we foto’s kijken. Broertjes lijken het, de vroegere Milo en het verse jongetje. Met van die grote zwarte ogen (of: een groot zwart oog) en dikke oogleden. Zowel Aran als Milo kijken aandachtig.
‘En, hoe vonden jullie het?’ vraag ik als ze ’s avonds in bed liggen, Aran met een boek, Milo met al zijn beesten om zich heen gedrapeerd.
‘Was ik kleiner dan dat baby’tje?’ Ik kan horen dat Milo hoopt dat het antwoord ja is. Milo, de kleinste baby ter wereld.
‘Leuk om dat ene filmpje te zien,’ zegt Aran, ‘zelfs superklein reageert hij al op de stem van zijn moeder. Dat vinden ze allebei fijn, denk ik.’
‘Trouwens,’ Aran kijkt nog steeds heel bedachtzaam. ‘Ik was nog nooit met de metro geweest.’

 

De schop

Mijn website gaat op de schop. Want nu mijn vader beter gaat (ja, hij gaat beter, woehoe!), zie ik het rommeltje dat ik er hier van heb gemaakt en na een goed gesprek met Merel is er nu een plan. Meestal werkt iemand zo’n plan dan in stilte uit, maar ik dacht: ik doe het hier, in mijn achtertuin. Daar ligt toch al van alles open en bloot te wezen, dus waarom niet ook dit.
‘Voor welke klus kun je mij bellen,’ is de wat onromantische werkvraag.
Er komen twee blogs in plaats van één. De ene is deze; wispelturig.
De andere is gericht op mijn lievelingsonderwerp: mensen.
Mensen en schrijven en interviewen en modereren en vertellen wat ze moeten doen. Dat soort zaken. Schrijftips misschien ook. Ongevraagde tips, zeker, maar dat is het voordeel van lezen: je hóeft het niet te doen. Daar schaamt niemand zich meer voor, tegenwoordig (gisteren reed ik met de auto naar Barneveld en ontmoette daar een meisje dat vol overtuiging zei: ‘Ik lees nooit.’ Toen heb ik natuurlijk gezegd dat ze op een dag – je weet nooit precies wanneer – door een gat in de aarde verzwolgen gaat worden).
Aan de slag dus. Waar is mijn schop (oh ja, in de auto).

Dominosteentjes

Een week geleden.
‘Als ik jou duw,’ zegt Els de fysio, ‘dan struikel je een beetje opzij, maar blijf je overeind.’ We staan in de lange gang naast twee stoelen, een bal en wat gewichtjes. Mijn broer en ik knikken. ‘Maar als ik jullie vader duw, dan valt hij om.’
Mijn vader, in de rolstoel, knikt ook. We hebben het niet getest natuurlijk, maar het lijkt ons allemaal heel waarschijnlijk. Het geldt vast voor deze hele revalidatieafdeling. Het heet hier niet voor niets ‘balans’.
Ik stel me voor dat ik al die mensen uit die sociale ruimte pluk en op een rijtje zet. Dan hoef je dus maar één keer te duwen. Bedekken ze als dominosteentjes het onbestemdkleurig linoleum.

Gisteren. We staan weer in de gang. Mijn vader moet van stoel naar stoel lopen. Zonder rollator. Alleen al het los staan is een nieuwe ervaring, je ziet het aan zijn lijf. Ik stel me die hersenen voor, die zich rot zoeken naar de juiste touwtjes. Waar zat de knop voor de benen ook alweer, wat doen je ogen als je loopt, en die handen, moeten die wel zo strak langs het lichaam? Met ingehouden adem bekijken we de oversteek. Els heeft mijn broer en mij verteld dicht bij hem te blijven, voor tegen het omvallen. Maar hij loopt zelf, hij gaat zelf zitten, hij staat zelf weer op. Na vier keer zwaaien zijn armen een beetje mee, is zijn nek iets meer ontspannen. Wat een wonder, dat opnieuw leren bewegen. Wat een raar apparaat, zo’n hoofd, zo’n lijf. Maar hij doet het maar mooi, hij is bezig zichzelf naar huis te lopen. Bij het keren voor de stoel valt hij bijna om. Ik grijp hem vast. ‘Ik heb je,’ fluister ik in zijn oor.

Katapult

‘Sadistisch eten,’ noemt mijn vader al die kuipjes, die plasticjes om kazen, die onlostrekbare hoekjes. Op zijn afdeling zitten alleen maar mensen met een hersenbeschadiging, overal hangen onbruikbare vlerkjes, wordt er somber naar het bord gestaard waar geen eten ligt, maar een aanstormende worsteling.
‘Kom kom, meneer Schmitz,’ zeggen de verpleegkundigen wat dwingend en leggen een schaar voor hem neer. ‘Zelf je boterham beleggen. Dat is goed voor het oefenen van de coördinatie.’
Handig, scharen, mijn vader is er dol op, dus hij knipt de kaas door en ook meteen maar een kuipje doormidden.
De volgende keer bouwen we een fort. Leen ik een katapult van Aran. Is vast ook een hele goeie coördinatie-oefening. Ik heb zo’n vermoeden dat die kuipjes wel willen vliegen.

38 toefjes

Opeens ben ik me heel bewust van geen pijn in mijn rug. Van mijn snelle vingers die dit opschrijven. Van een hoofd dat niet zwaar is, sterker nog, dat uitstekend functioneert. Misschien ben ik wel goed in tijden van veel tegelijk. Mijn vader sinds gisteren in die revalidatiekliniek, en (gelukkig) een rij vrienden die bij hem langs wil en online docs, appgroepen en heel veel telefoontjes om dat te coördineren, terwijl ik heen en weer trein en gestaag verder schrijf. Terwijl deadlines worden afgerond, binnen de tijd nog wel, plannen voor nieuwe boeken worden gesmeed – waar ik zin in heb – terwijl zevende groeper Aran en ik voorzichtig beginnen met het bezoeken van middelbare scholen omdat het er zoveel zijn, en we dan alvast begonnen zijn.
Misschien ben ik een carrière als koelbloedig jongleur van brandende zwaarden misgelopen. Er vallen sociale uitjes af, dat is de prijs van zoveel intensieve aandacht. Maar wat heel goed ging was die open dag, waar Aran en ik over coderklassen en een jongerenrechtbank leerden.
‘Laten we voortaan altijd na afloop chocomel drinken,’ zei ik na afloop terwijl ik een lepel vol slagroom in mijn mond stak.
Mijn zoon begon te stralen. ‘Het zijn er 38.’

Verhuizen

Ik vraag me af of die verhuizing een goed teken is, schrijft een vriend van mijn vader. Ik ook. Mijn vader gaat morgen per ambulance (in een auto hangt hij nog te scheef) vanuit het ziekenhuis naar een ‘geriatrisch revalidatiehuis’, omdat het hardere werken van ‘echte’ revalidatie in een kliniek als Basalt te hoog gegrepen is. En ik wil het niet. Want eenmaal op de geriatrische route ga je niet meer versnellen, wat ze ook beweren. Geraniums, bingo, domino, daar ruikt het naar. Niks mis met domino. Of geraniums. Of bingo. Maar ik moet nog zo wennen aan mijn altijd iets te drukke vader van vorige week, die deze week in een rolstoel in de familiekamer van het ziekenhuis met een slap handje met dominosteentjes schuift.
Ik heb me er kwaad om gemaakt, indringend met een neuroloog gesproken, ontzettend veel steun gehad aan Enide, die expert is op revalidatiegebied.
Maar het moet ook ‘haalbaar’ zijn, zei de neuroloog.
Dat stomme nieuwe woord opeens. Net als: ‘prikkels’, of de ‘opstopping’ die Peter zou veroorzaken als hij in Basalt zat en niet hard genoeg vooruit ging. En de wachtlijst ís al zo lang. Jonkies gaan voor.
Haalbaarheid. Ik keer terug naar de familiekamer waar mijn vader inmiddels huilend zit te worstelen met het flapje van een kuipje smeerkaas.
‘Het ís ook een stom ontwerp,’ zeg ik.
Mijn vader knikt. ‘Er is wel meer stom,’ zegt hij.
Ik kijk naar die handen van hem, zo raar onbruikbaar opeens.
Morgen dus de volgende stap. Nu eerst naar huis om mijn kinderen van school te halen.
Een half uur later belt hij me op, ik zit in de trein. Ik versta hem nauwelijks, weet dat het moeilijk voor hem is om die telefoon bij zijn oor te houden. Maar uiteindelijk begrijp ik wat hij wil zeggen. Kwis is jarig. Of ik haar wil feliciteren. Onhandige handen, maar zo’n ontzettend lief hoofd.

De zon

Het moment dat de jongetjes en ik de boot uitkomen om naar school te gaan, valt sinds een paar dagen gelijk met de opkomst van de zon. Wat elke dag hoopvol maakt. Dat is nodig, want met mijn vader gaat het nog niet zo lekker. Vrijdag kreeg hij een tweede ‘stuttering stroke’, waardoor hij zaterdag weer moeilijker sprak. Maar grapjes maken lukt nog.
Als ze steeds weer vragen: ‘Hoe is het nou meneer Schmitz?’
Zegt hij na een tijdje, voor de afwisseling: ‘Best goed voor iemand die er beroerd aan toe is.’
Grappen maken is een beetje liegen.
Ik ga er zo weer naartoe. Met een upgrade eerste klas, waardoor ik eindelijk weer die schrijvende nomade ben die ik al een tijdje niet meer was. Het zou nog romantischer zijn als ik dit blogje in de trein schreef. Maar romantiek, vind ik, mag je net als grapjes een beetje liegen. Dus zit ik in de trein en ik schrijf dit bericht, de dag begint daarginds bij de molen, en ik rij de zon tegemoet.