Te laat

Ik was te laat met een tekst. Dat ben ik nooit. Of zelden. En vreemder nog, het was me enigszins ontgaan, dat ik bezig was de deadline te missen. Ook dat is niks voor mij. Het voordeel van een dode moeder is dan wel weer dat het je vergeven wordt. Bovendien was er van alles te doen. Milo had op zijn step met nog twee zesjarige medeplichtigen in de plaatselijke winkel van eigen geld maar zonder toestemming snoep gekocht, om maar wat te noemen. Volgens hem kwam het niet door hem, maar de andere twee gaven ook elkaar de schuld. Het was een beetje een kluwen, op smaak gebracht met kauwgom en colasnoepjes. Het regende ook nogal veel. Ik schreef een artikel. Er was een heel verdrietig verhaal van mijn vriendin W over een meisje dat zelfmoord pleegde. Er was, kortom, heel veel leven aan de hand.
Ik voorzie het missen van nog meer deadlines. Maar ik ben er wel verbaasd over. Dus pas ik voorlopig de Milo-methode toe: Tommie heeft het gedaan. Denk ik. En ik was wel in de winkel. Of niet. En het was wel mijn geld, maar ik heb er nul snoepjes van gegeten.

As dinsdag

We gingen de as ophalen bij het crematorium. Het was een kamer, derde deur links vanaf de familiekamer, vol hangers en urnen en glazen kralen waar de as als ‘speels element’ tussen geperst kon worden. De afspraak was gisteren gemaakt. De mevrouw van de Dela had door de telefoon nog gezegd dat ze daar blij van werd, van het maken van een afspraak op zo’n korte termijn.
Chantal stond er op het bordje van de medewerkster die de afhandeling deed. Mijn vader moest zijn rijbewijs laten zien, daarna kregen we de as. In een doos waar vaak kattenbrokjes in zitten, hoog, hoekig – cornflakes zou ook kunnen, maar de doos was te zwaar voor cornflakes. Ik moest huilen toen ik het naambordje van mijn moeder zag, met geboorte- en sterfdatum. Chantal vroeg of we even alleen wilden zijn. Maar dat wilde ik niet. Ik wilde de as terugbrengen naar Oegstgeest, ik wilde dat er geen as hoefde te zijn, wensen waarbij dat kamertje ons in ieder geval niet ging helpen.
Of we nog vragen hadden. ‘Of er altijd evenveel as is,’ vroeg ik.
‘De ene keer is de as zwaarder dan de andere keer,’ zei Chantal. ‘Dat heeft met de dichtheid van de botten te maken. Zo te voelen is mevrouw iets lichter dan gemiddeld.’
We gaven haar een hand en liepen terug naar de auto.
‘Zo hebben we nog nooit met zijn drieën gelopen,’ zei mijn vader. En toen, eenmaal bij de auto. ‘Ze miste natuurlijk een been, dat scheelt weer wat botten.’

Synchroniseren

Sinds de identiteitsfraude heb ik al mijn wachtwoorden gewijzigd (het dilemma: allemaal nieuwe wachtwoorden die je gaat vergeten, één versleutelde sleutelhanger – maar wat als iemand die kraakt, maar wat als je dát wachtwoord vergeet), dus nu duurt het even voor ik verder kan aan een verhaal, want alle software (lees, in dit geval, Dropbox) is per computeren ijverig aan het synchroniseren.
Dus ik schrijf deze blog.
Vannacht droomde ik voor het eerst dat mijn moeder dood was. Iets meer dan een maand na haar overlijden. Je zou kunnen zeggen: de ziel gaat te paard, maar ik denk meteen: waarheen dan, oftewel; waar ben ik eigenlijk (aangenaam vaag en existentieel, zo op de vroege ochtend).
Hoe dan ook, ik droomde dat ze dood was en dat ik erover ging schrijven. Het waren grote letters, dat herinner ik me nog wel. Ik kan ze nog steeds voor me zien, maar ik kan ze niet meer lezen.

Identiteitsfraude

Paola van het politiebureau had het ook wel eens gehad: haar zoon appte haar dat hij geld nodig had. ‘Maar die had ook echt geld nodig.’
Ze bedoelde maar te zeggen: ze had haar zoon meteen gebeld. ‘Want dat doe je op zo’n moment.’
Ik stond te blauwbekken voor haar balie en knikte. Identiteitsfraude. Mijn broer liet mij ook meteen weten dat iemand zich voordeed als Jowi en geld van hem wilde. Hij stuurde me later screenshots, hij had zich vermaakt met de boef. De screenshots mocht Paola nu hebben. Ik legde mijn telefoon op de balie.
Boef: Ha Bart, kun je me geld lenen?
Bart: Hoeveel is het dit keer?
Alsof ik hem dagelijks om geld app.
Maar wel fijn, dat hij er erom kon lachen. Want het is raar als iemand opeens gebruikmaakt van je privé-informatie. Een foto van Aran en Milo in het profiel, het nummer van mijn broer – hoe komt ie eraan? – ergens opgeduikeld. Naakt, voelt het. Naakter dan ik wil zijn.
Ook vond ik het lief dat ze meeleefde, de agente. Het deed me denken aan een artikel over rouw dat ik laatst las Daarin stond dat de kans dat je bij een sterfgeval oprecht medeleven krijgt, groter is dan bij een zeldzame ziekte. Omdat iedereen zich bij sterven wel realiseert dat hij ook een keer aan de beurt is.
Iets dergelijks geldt misschien ook wel voor afpersers, boeven en fraudeurs: je gaat ze op een dag tegenkomen. En als dat gebeurt oogst je ellende, maar ook medeleven. Bovendien was Bart er niet ingetrapt, dat maakte de ellende wat minder groot.
‘Ze wilden wel veel meer geld dan mijn zoon.’ Paola keek naar mijn telefoon.
Ik knikte, €1983,44, ff lenen, per app.
Zou je het me kunnen voorschieten heb je het donderdag terug?
Tuurlijk!
had Bart geappt, vast met een grijns om de lippen, Kom maar halen!

Boodschappenlijstjes

Ik zit in bed met een das om en ik stink naar diesel. We moesten diesel tanken voor de verwarming dus kwam er een bunkerboot langszij en verkouden of niet, stak ik daarnet een nozzel in een gat in de boot. Daar zwom vervolgens 1000 liter doorheen, zo de buik in. Dat is wat fijn is aan wonen op een schip: dat je je ‘huis’ kunt voederen.
Het in bed liggen is preventief: de griep loert en als ik nu stillig, gaat ie misschien wel weg. Bovendien past dat dan heel goed bij die lieve tip die ik regelmatig krijg: ‘neem de tijd’. Al weet ik dan steeds niet waar ik die tijd mee naartoe moet nemen.
‘De tijd nemen’ klinkt als nadenken, koesteren zelfs, maar mijn verdriet – ik vermoed een bondje met die griep – laat zich niet goed bedenken. Mijn verdriet slaat toe als ik even niet oplet.
Gisteren zei mijn vader: ‘Wil je kijken of er nog jassen zijn die jou passen. Helbertijn had een hele collectie.’
Er waren er twee die pasten. De ene een regenjas, de andere iets onduidelijker van functie, maar mooi schemerblauw, met een subtiel lijntje. Ik trok hem aan en vond in de jaszak een boodschappenlijstje. Heel kort.
Koffie
Yoghurt
Haring 4
Meteen kneep mijn keel dicht, miste ik mijn moeder zo ontzettend. Omdat die haring op was, de yoghurt ook, de koffie, zeker sinds de nadagen, allang opgedronken. En dat schrijf ik, maar dat is niet precies genoeg. Ik moest huilen omdat haar hand nooit meer boodschappenlijstjes zal krabbelen, het verdwenen alledaagse ervan. Dat er geen plek meer is waar mijn moeder met mijn vader woont. Waar je naartoe kunt gaan. Dat ik haar jas nu ga dragen, geen cadeau van haar, maar een huls waar zij niet meer in past. Omdat ze niks meer op kan vullen. 
Wat nou de tijd nemen. Die tijd, die is er helemaal niet meer.

Het project: om te zien wat er gebeurt als je de tijd bijhoudt

Ik was er even stil van. Sterker nog, dat ben ik nog steeds. Het deel dat mijn moeder mist is een kind in een trein dat uit het raampje kijkt. Je hoopt dat ze de wolken ziet, maar misschien ziet ze wel niks. Af en toe werpt ze een blik de coupé in, of ze al terugkomt, mama.
Maar ze komt niet.
Een ander deel van mij is strijdlustig. Goed geconcentreerd, zin in nieuwe projecten. Ik rond Beste broers af, zag al een schets van de cover die ik mooi vind. Ik wil eigenlijk alleen maar fictie schrijven, want in fictie voel ik me thuis. En dat betekent, als een soort bijlijn, ook hier weer meer schrijven. Elke drie dagen, in ieder geval tot het einde van het jaar. Dat is mijn Project.
Kijken wat het kind ziet. Als het geen wolken zijn.

Limonade

Mijn moeder had vijf jaar kanker, dus we wisten de route, maar niet hoe lang we hem konden lopen. En dan eindigt die weg altijd sneller dan gedacht.
Het achterblijven voelt verwarrend. De onomkeerbaarheid van sterven; iedereen die ooit met een stokje in een dood vogeltje heeft geprikt weet hoe dood dood kan zijn, en toch blijft mijn hoofd erop botsen. Ook omdat we alles zo goed hebben gedaan. Het sterven, thuis, met de poes op bed, mijn vader ernaast, ik op de bank, mijn broer in de buurt. De crematie; heel veel mensen, goeie verhalen. Alsof je, als alles zo goed gaat, een beloning verwacht. Onbewust natuurlijk. Als je vroeger straf had, mocht je immers meestal, na afloop van die straf, wel weer een keer limonade. En als je heel erg je best had gedaan al helemaal. Ik zie geen limonade.
Nu is het vandaag, het is herfstvakantie, de jongetjes sopten en stofzogen de boot en, jawel, kregen als beloning schermtijd. Ze zijn nu vol overgave robots aan het neerschieten. Ik hark wat door verstofte afspraken, zoek een kastje voor de badkamer. Neem er de tijd voor, zei een vriend. Ik weet niet of dit telt als ‘tijd’. Maar ik heb nog de rest van mijn leven om te oefenen.

Palen in zee

Mijn moeder is dood. Ze is afgelopen zondag overleden. Zaterdag kwam ik hier (Oegstgeest, het ouderlijk huis) toen leefde ze nog. Maar goed ging het niet. Ingevallen gezicht, ze had ook zuurstof, die niet hielp. Later had ze morfine, een klein beetje maar, zei de dokter, om haar met haar benauwdheid te helpen. Haar laatste gesprek met ons, aan tafel – mijn vader en broer er ook bij – ging over herfsttijlozen, en krokussen en dat ze zo mooi zijn deze tijd van het jaar. En dat mensen het verschil niet weten. ‘Krokussen zijn groter,’ zei ze. Denk ik.
Ze had zich zo verheugd op mijn komst, fluisterde ze ook nog tegen me (haar stem was al een week weg), ‘maar niet zo.’

De afgelopen vijf jaar heeft ze kanker gehad. Een zeldzame sarcoom, die begon in haar been, toen terugkwam in haar schouder, toen weer in haar been en uiteindelijk, augustus, twee maanden geleden nog maar, in haar longen. Januari dit jaar werd haar been geamputeerd. Grondig, inclusief heup, een hemipelvectomie, haar been gaf ze mee aan de wetenschap.
Ze bleek kampioen revalideren, mijn moeder. Met grote rust, ernst en aandacht gaf ze elke nieuwe situatie vorm, waarbij mijn vader minstens zo waardig niet van haar zijde week. ‘Mantelzorg’ was niet het juiste woord voor zijn houding. Hij ging waar zij ging, vanzelfsprekend. Ik zie twee mensen voor me, die moedig de berg op klimmen, ook al wil je niet naar de top. Steeds iets krommer door elke nieuwe tegenslag, maar zonder haperend ritme, en als er dan uitgerust moest worden, dan genoten ze samen van het uitzicht. Dat heb ik ervan geleerd: dat er in één moment meerdere gevoelens tegelijk kunnen bestaan. Schoonheid, verdriet, dood. Gevoelens die tegelijkertijd bestaan, soms nauwelijks met elkaar verbonden, of alleen in een onderstroom, als palen in zee.
Neem nu: in de achterkamer ligt de kist met mijn moeder. Op de voorgrond zitten mijn twee zonen met een dekentje, poes Dikkie steekt blij zijn nagels steeds opnieuw in het been van Aran. Ze mogen tekenfilms kijken, dat heb ik ze gisteren al beloofd: ‘We slapen bij opa met zijn drieën boven in het logeerkamertje en daarna mogen jullie tekenfilms kijken.’ Dus ze zaten klaar, strak om zeven uur. ‘Het is wel raar om hier te zijn,’ zei Aran vlak voor we de trap af slopen, ‘maar ook fijn.’

Stoeptegel

Na de Boekenweek voor jongeren, wat een week lang heel veel middelbare scholen betekende, was ik in de klas van Milo. Een verse groep 3, waar kinderen nog grote ogen krijgen als je behalve moeder ook auteur blijkt te zijn. We gingen een verhaal maken, dat had ik Milo en de juf beloofd, ik had mijn boeken bij me maar niet mijn gebruikelijke powerpoint show, want dit was intiem en klein. Een verhaal over dieren.
‘Jullie kunnen dat’, zei ik.
Wat ook zo was.
Al snel hadden we twee poezen in de hoofdrol die in een nat herfstbos een geweldige hut bouwden en toen ze een kind in een kuil om hulp hoorden roepen, onmiddellijk klaar stonden om te helpen.
De naam van de ene poes was iets van Poezel, de andere naam leverde een hobbeltje op.
‘Het hoeft niet poesachtig te ziijn,’ hielp ik. ‘Alles mag; tafel, stoel, deurpost.’ Ongelovig gelach. In groep drie leer je vooral dat níet meer ‘alles’ mag.
‘Stoeptegel’, zei een jongetje rechts van me. Ik vond het een mooie naam.
‘Maar dat is een jongensnaam!’ riep een meisje. ik was het met haar eens, er zat beslist iets jongensachtigs in de naam Stoeptegel. Heel even hadden we het over genderfluiditeit en net zo makkelijk waren we het eens dat het allemaal geen bal uitmaakt, dat een poes zelf wel bepaalt hoe hij of zij heet. Enige punt was misschien dat ‘Stoeptegel’ wat lang is om te roepen als je haast hebt.
‘Stoep,’ zei het meisje uiteindelijk en het jongetje knikte. In de kuil met het kind was inmiddels water gelopen dat steeds maar hoger kwam, maar Stoep en Poezel bleken in staat razendsnel een trap te bouwen.
‘Of niet,’ zei het jongetje, dat de eindeloze mogelijkheden van ‘alles mag’ begon in te zien. Omdat Stoep toen al halverwege de trap was en Poezel het kind al gegrepen had, sprak ik met het jongetje af dat hij zijn eigen einde nog ging verzinnen. Daar waren we allebei erg tevreden over.

Het vermoorde theater

Er zijn projecten die als water over drempels druppelen, door kieren glijden, onder nagels gaan zitten en blijven zitten. De verfilming van Ik heet Olivia en daar kan ik ook niks aan doen, bijvoorbeeld. Dat project sijpelt al een paar jaar. Het sijpelt dóór, dat wel, het stopt niet, maar stromen, dat ook weer niet. En toch, ze léven wel en voor al het leven, vind ik, moet je respect hebben. Het zijn de schildpadden onder de projecten, schildpadden met enige oriëntatievrees. Het vermoorde theater leek zo’n project. Maanden zoeken naar de ingang. Tot die er opeens was. En nu is er dus een film! En wat voor een film.
Het is zomaar de nieuwe documentaire van de geweldige Frans Weisz, en ik mocht (in samenwerking met Erik Disselhof) het scenario en de tekst schrijven. Scenario? Bij een documentaire? Ga maar kijken. Dan zie je die leuke Vincent van der Valk ook.
De film gaat bij Film at the Sea in première. Zaterdag 14 september.