Naar Parijs

We zijn op weg naar Parijs met de Thalys. Milo, Aran en ik. Ik heb nog nooit in de Thalys gezeten, we gaan hárd, Antwerpen en Brussel vliegen voorbij, niet dat we kijken, want ik heb de jongens verleid met ongelimiteerd schermpje kijken, en zelf zit ik te schrijven. Naar het Zuiden! Met de trein! Als ik opkijk zijn we Brussel alweer voorbij. Ik probeer online een ticket voor de Eiffeltoren te reserveren, uitverkocht. Maar we kunnen wel op de dag zelf in de rij gaan staan, voor de echte experience. Doen we dat, ik wil nog wat verder surfen, maar de wifi valt uit, vertraagt, stopt. De jongens hebben er geen last van, die zijn overgestapt op wifiloze spelletjes, game-professioneels die ze zijn. Dus ik kijk naar buiten en hoop dat ik een hert zie.

Geen boek, wel een verhaal

Ik ben op een school waar ik drie jaar geleden ook al was, het is ‘activiteitenweek’ en wij zijn één van die activiteiten, met meerdere schrijvers, we mogen allemaal drie keer een klas ‘doen’. Een school die verhalen wil, die auteurs uitnodigt, ik ben er blij om.
Alle klassen die binnenkomen hebben mijn boek Weg gelezen (of op zijn minst een keer gezien), een handjevol komt eigenlijk voor Marco Kunst, maar die is ziek. ‘Mogen we u dan dezelfde vragen stellen?’ Dat mag van mij.
Vooral de tweede groep die ik krijg is ervan overtuigd dat lezen echt volslagen nutteloos is. Sowieso, creativiteit. ‘Ik bedoel, ja, wat héb je eraan,’ zegt een meisje. Ze kijkt me medelijdend aan. Ik snap die blik wel, ik ben natuurlijk zo iemand die zo nodig creatief wil doen. Sterker nog, die wil dat zij dat óók allemaal gaan doen. Nee, dan sporten, daar krijg je buikspieren van.
‘Maar als ik nou zeg dat jij, nu, moeiteloos een verhaal kan maken? Dat je daar per keer beter in wordt. Als ik nou zeg dat jouw verhaal je leven kan veranderen? Echt?’ Ik voel me als die coach die ik laatst bij een Tedtalk zag. ‘Het kan écht!’ Die coach kreeg daverend applaus. Het meisje kijkt me aan alsof ik gek ben.
Maar ik zet door. ‘Ons leven bestaat uit verhalen. Wij bepalen wat we vertellen, aan onszelf, aan anderen. Zodra je dat weet, heb je macht over je eigen verhaal. Dan kun je je verhaal veranderen en als je je verhaal verandert, verander je zelf ook. Simpel. Daar hoef je heus geen boek voor te schrijven.’
De klas wordt er stil van, geen idee of ze me geloven. Ik hoop het.
Het is wennen om weer op een middelbare school te zijn. Sinds ik iets kritisch schreef over de aanpak van Ontlezing word ik niet meer zo vaak uitgenodigd, misschien ben ik uit de kaartenbak van de Schrijverscentrale gevallen. Wat jammer is, want een paar tellen later krijg ik gelijk. De opdracht: verzin samen met je buurman een hoofdpersoon, verzin een verlangen, maak het hem moeilijk, en dan nóg moeilijker, kies je einde. Klaar.
Binnen tien minuten liggen er vijftien verhalen. Niet allemaal even briljant, maar allemaal met kop en staart, allemaal met enthousiasme gemaakt. Ik ben trots, en opgelucht, zie je wel, het werkt, het werkt nog steeds.
Na afloop deel ik bij de deur stickers uit.
Het meisje loopt langs, geeft me een halve glimlach, grijpt de sticker en verdwijnt naar buiten.

 

Verzint een nieuwe baan

Stel dat je een inboedel in zijn geheel overneemt, misschien zelfs het huis erbij, als de eigenaar in kwestie is overleden. Een oma bijvoorbeeld, geen beroemdheid, niet bijzonder aardig, misschien zelfs nauwelijks opgemerkt door haar omgeving. Ze wordt uitsluitend gemist door haar kleinkinderen vanwege de enorme hoeveelheden zondagse taartjes die ze leverde, en door de bakker, vanwege diezelfde taartjes.
Stel dat je door de familie wordt aangesteld om als een tijdsdetective haar leven terug te halen. Niet het grote gebaar, maar de details.
Het begin is makkelijk. Aan het toetsenbord kun je zien waar haar vingers het vaakste kwamen, in de keuken noteer je de indeling, de stapeling van kopjes, de vegen op de pan. Op de bank schuif je net zo lang tot je benen precies in de slijtplekken vallen, je lokaliseert de kuilen die de kinderen erin sprongen.
In de verweerde spiegel in de slaapkamer zoek je steeds opnieuw de reflectie van iemand die er niet meer is, je gaat haar zien, uiteindelijk. Je ontdekt dat oma geen lezer was, er ligt stof op haar boeken. Maar ze lás wel. Je bevoelt ezelsoren, bestudeert de krassen op de elpee van Carl Orff, luistert naar de ruis, die bij de muziek hoort. De plaat ligt op een platenspeler met een stekker die in bijna geen enkel stopcontact meer past.
Je opdracht is om het leven dat voorbij ging in stand te houden, één jaar, met mogelijkheid tot een vaste aanstelling (hoewel die zelden komt). Daar word je door de rouwende familie voor betaald. Je koopt elke zondag taartjes. Je fungeert als orakel. Stellen ze een vraag aan oma, dan ben jij degene die het antwoord zoekt. Maar één ding is alvast zeker: ze hield van jullie, oma, en dat doet ze nog steeds.

Eenentachtig


Vandaag zou mijn moeder eenentachtig zijn geworden.
We zouden naar Oegstgeest zijn gegaan, broer, aanhang, een kleine kudde neefjes. En mijn moeder (in mijn fantasie heeft ze allebei haar benen nog) zou één van haar taarten hebben gebakken, naar Zweeds recept. We zouden in de tuin zijn gaan zitten, waar allerlei plantjes als vanzelf heel prachtig stonden te bloeien (ik weet tegenwoordig dat dat niet zo vanzelfsprekend is). Ze zou me wijzen op een bloeiende boom. ‘Prunus,’ zou ze zeggen, omdat ik dat ieder jaar vergeet. En dan zou ik Milo vertellen dat zijn oma van alle planten de namen weet. ‘Nee hoor,’ riep ze dan snel. ‘Niet van allemaal.’ We zouden thee drinken in te kleine kopjes, en mijn kinderen en hun neefjes veegden de kruimels van hun schoteltjes, waarna ze haastig in het bos van Wijckerslooth verdwenen.
‘Eenentachtig,’ zou mijn moeder zeggen. ‘Goh. Dat is echt oud.’ En dan keek ze er behoorlijk tevreden bij, omdat ze dat maar mooi was geworden.

Feestje

Gisteren was ik op een echt feestje. Dat was dan ook één van de gespreksonderwerpen, dat we daar ondanks alles allemaal waren, en hoe fijn dat was. We waren iets aan het doen, namelijk samen aan het zijn. En dat de magie van zo’n feestje is dat je nooit weet wat je mee naar huis neemt, maar dat je altijd íets mee naar huis neemt. Een gezicht dat je lang niet zag, een lach, een zinnetje. En natuurlijk was er nog nog de jarige zelf. We zongen, we dronken hem toe. Hij stond op een wankel krukje en zei mooie dingen over vieren en ouder worden en het was lastig luisteren want dat krukje wiebelde zo en dat gaf niet want hij stapte er heelhuids weer af.
Het was een feestje, dat feestje.

Actuele ontwikkelingen

Ik was in Zuid-Afrika gelukkig aan het zijn toen er opeens een oorlog begon. Ik bleef er nog iets langer, omdat ik corona had, en niet naar huis mocht vliegen. Ik hoorde dus opeens bij het nieuws. Nu ben ik weer thuis met muts en wanten en blij met het licht en het blauw. In mijn telefoon een felicitatie omdat het wereldvrouwendag is en ik een vrouw ben. Jullie ook gefeliciteerd trouwens, iedereen die zich ook maar een beetje vrouw voelt, gefeliciteerd.
Op Facebook en Insta zie ik oproepen tot acties, donaties, te lezen artikelen. Ik doneer, en lees, en bal tijdens het lezen een vuist, in mijn zak weliswaar, maar ik bal ‘m. Verder heb ik moeite met afstanden. Dat ik daarnet nog onderaan die wereldkaart zat en nu weer hier ben en dat er dus dáár, aan de rechterkant, een oorlog gaande is. Dat er mensen die oorlog tegemoet lopen, om te vechten, om vluchtelingen op te halen. Ik vraag me af of boeken en verhalen schrijven daar wel tegenop weegt. Hoe je dát verschil op een wereldkaart zou moeten tekenen. Niets in mij wil iets politiek verantwoords roepen. Eigenlijk wil ik stil zijn. Maar dat lukt ook al niet.
Gisteren met mijn vader in het Alrijne ziekenhuis bleek de vloer Oekrainse kleuren te hebben, het was nogal vol in de wachtkamer, maar niemand had het nog gezien.
Vanmorgen drukte ik op mijn kat Broccoli, omdat ik deed alsof ze een telefoon was waar mijn jongste zoon Milo dan weer Netflix op kon kijken voor tijdens het borstelen en vlechten van zijn lange haren.
‘Druk maar op Netflix,’ zei ik, en drukte in de dij van Broccoli. Milo drukte ook, Broccoli vond ons stom en sprong van vensterbank naar de tafel, waar Aran zat. Weg Netflix.
Iets verderop zat Mo, de andere kat. Toen keken we allemaal naar Mo.
‘Disney Plus proberen?’ opperde Aran.
Er is oorlog en mijn katten heten sinds vandaag Netflix en Disney Plus.

Verderop valt alles eraf

Ik zit op het puntje van de wereld, ouderwetse wereldkaart voor ogen, daar, voorbij de horizon, houdt het op, daar valt alles eraf.
Verderop graast een struisvogelpaar, een bavianenfamilie wandelt de weg op. Een schildpad is druk bezig er juist weer af te komen, van die weg. Die eindeloze weg die hier in een fraaie lus om het schiereiland onder Kaapstad cirkelt, en ik zit naast Joukje aan de passagierskant van de auto, de kant waar bij ons het stuur zit, en ze heeft dus een national parc in haar achtertuin, en overal uitzicht op zee. Overal zee, soms opgejut door golven, soms glad en bedekt met vogels en kano’s en misschien wel dolfijnen onder het wateroppervlak, wat maakt dat je steeds opnieuw wilt kijken, als bij een gokspel, want je weet maar nooit, altijd prijs, uiteindelijk, belooft het water.

Weerstand

Als er een versie van een boek af is, valt er even een stilte. Ik kan niet meteen door naar een nieuw project, ik heb nog niet genoeg afstand voor een nieuwe kritische ronde. En hoewel ik me dan tijdens het schrijven enorm verheugd heb op die tijdelijke leegte, valt hij altijd tegen.
Toen ik nog Aikido deed had ik dat ook altijd: een perfecte worp bevat eenzelfde soort leegte: geen weerstand, geen kracht, dán vliegt je tegenstander door de lucht, dan stort hij pas lekker hard ter aarde. Maar terwijl je zo’n perfecte worp aan het doen bent, voel je dus niks. Vond ik altijd moeilijk te verwerken. Bij een gevecht verwacht ik weerstand. Zoals ik bij pijn verdriet verwacht. Voel ik niks, dan ga ik het zoeken, die weerstand, zelfs al weet ik dat het zonder niet alleen kan, maar lichter is.
Die leegte dus, ik wandel er doorheen vandaag. Probeer het open te laten. of nou ja, een beetje open. misschien dat ik stiekem aan een verhaal begin. Of een verhaal luister. Of iemand tegen de grond mep. Omdat het kan.

Gemist

Ik maakte net deze foto, de weerspiegeling van mezelf in de ruit van mijn studio, waar ik net binnenkwam, Milo naar school, die blije opluchting omdat er opeens een vrijwel rimpelloze dag voor me ligt, met weliswaar stomme klusjes als adminstratie, maar toch, helemaal van mij, pas in de avond onderbroken door zoet kindergeregel in de buik van de boot. Je hebt schoolklassen waar aan muren van die zakjes hangen om je mobiel in te stoppen, opdat je ze tijdens de les niet gebruikt. Het is net alsof iemand (de directeur van de basisschool, met een stemmig gezicht) ook voor de ouders zo’n zakje heeft gemaakt en nu hun hersenen met een minzaam glimlachje weer teruggeeft. Ze hebben er drie weken lang gehangen, die hersenen, dus het is even kijken of alles het nog doet (nooit zo goed als eerst), maar het feit dat ik weer mag werken, bedoel ik maar, stemt me altijd dankbaar. En die dankbaarheid leidt dan tot de onvermijdelijke conclusie dat min of meer vrijwillig samenleven tijdens lockdown, tijdens regen, met twee jongetjes een handvol nachten in een net te klein bed toch – uiteindelijk – vrijheid oplevert. Maar misschien denk ik dat omdat er nog vakantiestof in mijn hoofd zit. Blaas ik het er straks allemaal af.

De Neushoorns in het Noorderpark hadden zich verstopt

Ze kwamen. Omdat het in de buurtkrant had gestaan, omdat ze het op de site hadden gezien, of omdat ze mijn vrienden zijn. Wat zeg ik; iedereen die kwam was mijn vriend. Ze trotseerden de twee dagen pisweer die we per ongeluk voor ons evenement hadden uitgekozen. Ze liepen met erwtensoep en gluhwein van Sonja door de regen, en ze kwamen allemaal terug van hun audiowandeling met een glimlach op hun gezicht. En daar word ik nog steeds heel erg blij van.
Jij kan ‘m ook lopen, de wandeling; klik op dit linkje en de wandeling start vanzelf. Loop hem in je huiskamer als je in quarantaine zit, met een oliebol erbij. Kies een park, een straat, een laantje: en laat me weten of het werkt. Roald en ik gaan ons bezinnen op het vervolg. En als je liever eerst een reportage van een minuut of vijf van Jeroen de Jager hoort die op NPO1 te horen was, dan kun je het makkelijkste op het linkje hiernaast klikken.