En weer terug

 

De eerste dag dat ik weer in Nederland wakker werd was ik verrast: er zat geen gevoel voor tijd in me. Niet dat ik me daar normaal zo bewust van ben, maar de afwezigheid ervan merkte ik wel: was het drie uur, zeven uur, elf uur? Ik had geen idee. Het gaf niet: de jongens moesten naar school en Aran had een wekker dus het leven maakte mijn tijdsgevoel niet zoveel uit. Ik bewoog mee en miste mijn vleugels een beetje.
Vliegen, en dat je de ene wereld voor de andere wereld inruilt, ik vind het magisch. Jammer natuurlijk dat die magie dezer dagen is bedekt met een laagje klimaatschaamte, maar ik ging naar New York, ik vloog en ik vloog weer terug. Nu heb ik een stapeltje verhalen waarvan ik niet weet of het wat is, omdat ik vlak voor het vliegen besloot mijn gevoel te volgen in plaats van mijn stevig doorkookte plannen. En dan roepen er vast mensen dat het goed is, je gevoel volgen (zou ik ook doen, als ik juf van mezelf was en ik mezelf om raad vroeg) maar dan roep ik terug; jullie hebben makkelijk praten. Jullie weten hoe laat het is, waar je bent, en waarom het regent vandaag. Ik zweef nog ergens boven onze zacht borrelende aarde, ergens daarboven waar ik de verwarring al zie aankomen, maar er nog niet helemaal in ben geland.

New York Meerkoet

Zondag vlieg ik naar New York. Voor het eerst sinds honderd jaar weer, ongeveer. Christoph zegt dat er tegenwoordig een heleboel mensen (mole people) in de ondergrondse leven – een corona-erfenis – en dan moet ik meteen aan het boek van Anna Woltz denken. Ik herinner me dat ik een keer in de metro in New York zat, op weg naar huis, en dat we stopten en de lichten uitgingen en dat de driver zei dat er een ‘customer’ on the track rende. Het was warm, en ongemakkelijk, en heel spannend tegelijk. En dát is misschien de soundtrack van mijn leven op dit moment (plus het feit dat ik opeens een heleboel Engels gebruik): dat het hier niet makkelijk is, in dit hoofd, vaak te warm of te koud, maar wel spannend. En als ik dan toch ankerloos richting New York vlieg, dan geloof ik graag in de wonderen die me daar te wachten staan. Misschien schrijf ik er wel over.

En op de foto staat een albino-meerkoet, mijn nieuwe buurman-vrouw-wezen

Velletjes

Bij pokemonkaarten heb je een kaart waar je een velletje af kan trekken en dan zit daaronder nóg een kaart. Een totaal onbekende, of een veel betere. Het heeft het gokspel voor mijn zonen – toch al, met ceremonies bij het omdraaien van de bovenste kaart en gevoelens bij het kopen van een pakje ‘deze ís het, ik voel het gewoon’ – nog aantrekkelijker gemaakt. En ik herken dat, want ik doe dat ook. Ik zit hier op een nieuwe boot, met al die nieuwe mogelijkheden en trek overal velletjes af. Ik blijf maar ordenen, verschuiven, heroverwegen. Mijn katten zijn al meer gewend dan ik, die zou ik om een rondleiding moeten vragen, één van de twee kwam ik gisteren al halverwege de lange – hoe heet zoiets – loopplank/entree tegen. Daaronder hangen de vissen rond, trouwens. Enorme beesten, vooral als de zon fel schijnt, stil, zwevend in het water, wachtend tot de ergste hitte voorbij is. We hebben hier ook een albinomeerkoet in het riet, die ongelooflijk veel kabaal kan maken. ‘Rotkip’ noemt Milo hem soms. En tussen al die plaatjes zit ik, aan een lange tafel, ochtendzon trilt op de muren, alle kussens van de bank, die ga ik snel nog even stofzuigen zo, biebboeken, een bureaubed in onderdelen, alles wat uit elkaar is getrokken wordt weer op andere manieren in elkaar gezet en misschien hoeven er niet eens al teveel velletjes af. Misschien is het al best goed.

Nog even fixen

Nog even fixen is het refrein dat al dagen door mijn hoofd stuitert. Nog even dit, nog even dat, mijn hoofd in allemaal brokjes uit elkaar gevallen. Brokjes jongens, brokjes verdriet, brokjes verhuizing en verlangen. Geen wonder dat ik gisteren onderweg naar de supermarkt steeds dacht: een heel eenvoudig verhaal, ik ga een heel eenvoudig verhaal schrijven. Maar verder dacht ik niet, want toen was ik al bij de supermarkt en zag ik hoe vol het was, pakte ik een scanner en was per direct vergeten wat ik ook alweer ging kopen. Daar had ik natuurlijk op geanticipeerd dus ik trok verwachtingsvol het door mij, tien luttele eerdere minuten geschreven, lijstje uit de broekzak. Er stond: Fruit. Groente. Smint. En ik had gelijk natuurlijk, de mij van tien minuten wist precies wat ik nodig had.

Het nieuwe nastreven

Gisteren was ik bij mijn vader omdat hij een nieuwe koelkast kreeg. Natuurlijk kwamen ze later dan ze zeiden, dus we hadden tijd om in de woest verwilderde tuin een haring te eten, en de wat zachte paprika ook maar meteen, want misschien moest die nieuwe wel 24 uur zonder stroom vanwege het veilig terugklotsen van de koelvloeistof.
‘Veertig jaar,’ zei mijn vader, toen de haring op was. ‘Volgens mij hadden we de vorige al toen we hier naartoe verhuisden.’
Deze nieuwe had waarschijnlijk een vriesdeur die wél openwilde en die minder hard bromde, de hele tijd. Daar verheugden we ons op.
Toen we een paar weken geleden begonen met zoeken naar een nieuw apparaat, had mijn vader nog even bezorgd gekeken.
‘Ben ik er niet te oud voor, voor iets nieuws?’
‘Nooit,’ zei ik ferm.
Hij dachte er even over na en knikte toen ernstig.
Er werd aangebeld, twee forse mannen reden de Liebherr naar binnen. De oude Miele moest van de muur worden getrokken, maar ook dat hadden ze zo voor elkaar.
De nieuwe koelkast bleek meer twee uur zonder stroom te hoeven. Dat ging de overgebleven sla nog wel redden.
Ik kon niet blijven om te luisteren hoe hij klonk, maar ik ga wel binnenkort ijs meenemen. En doen we die vriesdeur een paar keer extra open en weer dicht. Omdat het nu kan.

Feelgoodboek

 

Ik woon op een boot, maar mijn hoofd klotst deze weken ook. Er is een avondvierdaagse, er zijn feestjes en  – o ja schaken regelen – er zijn andere, ernstiger zaken die mijn hoofd vullen. Ondertussen wandelt het Zeemeermeisje al door de wereld en druppelen de fijne reacties binnen. Vaak ook verbaasde reacties: ‘Ik lees nooit kinderboeken, maar deze voelde helemaal niet als een kinderboek.’
Van 9 tot 99, dat is mijn nieuwe genre. Doelgroepverbreding. Dubieus wellicht, omdat ik ze zelf schrijf – maar ik geloof er oprecht in – dat sommige kinderboeken, verse, Nederlandstalige kinderboeken, eigenlijk vanaf nu een eigen categorie voor volwassenen zouden moeten krijgen.
Zoals spelletjes; van 9-tot-99, sommige kinderboeken kunnen dat dus ook, echt niet alleen mijn Zeemeermeisje. Die 9-tot-99-boeken leveren het ultieme feelgood leesvoer, beter dan een chicklit boek omdat er meer onderwerpen aan bod komen, bovendien weet je zeker dat je het verhaal gaat begrijpen, bovendien ga je dieptes zien die je niet had verwacht in een kinderboek, maar die er dus wel in zitten. Feelgood met liefdevolle diepgang, als dát geen troost biedt…
Iets voor het CPNB om op te pakken? Dan heeft zo’n genre wel een nieuwe naam nodig, want er zijn mensen die bij ‘kinderboek’ meteen denken: niks voor mij.
Familieboek? Feelgoedboek? Goedboek? Suggesties?

 

Vrienden en een gouden horloge

De ochtend van de boekpresentatie was ik in de klas van Milo om een verhaal met ze te maken. Ik had stickers van Zeemeermeisje bij me waar ik uiteraard heel verantwoordelijk mee omging. ‘Niet op de school plakken hoor, maar als het op de auto van je moeder mag…’, en we hadden het over verhalen maken. Over boeken lezen en wat ze allemaal al wisten. Heel veel, zo bleek, want in groepen vijf merk je nog helemaal niks van leeshaat, of taalafkeer. Taal is een feestje en ze bleven maar met slingers komen.
Het verhaal dat we bedachten ging over een wilde rit van Frankrijk naar Nederland omdat er een gouden horloge gered moest worden uit een pand dat op het punt stond gesloopt te worden. Met steeds meer opmerkelijke details, een boef die het allemaal voor zijn zieke moeder deed, een schoolklas die de weg wees en fraaie namen, zoals een herder die Jacques Boulie heette.
’s Middags, tijdens de intieme boekpresentatie van het Zeemeermeisje, ging het ook al over namen. De namen van de mensen die ik wilde bedanken, want die stonden daar allemaal tijdens mijn speech zo trots glimmend naar me te kijken. Ik had ze willen noemen, mijn vrienden, allemaal, één voor één, en ze dan diep in de ogen willen kijken. Maar ik was toch net iets minder dapper dan ik hoopte, dus uiteindelijk zei ik wat weekjes: ‘Bedankt jullie allemaal.’ Wel probeerde ik nog even iedereen tegelijk heel diep in de ogen te kijken, want ik meende het. Boeken ontstaan uit slingers. Uit meelezers, uit biertjes, uit toevallige ontmoetingen en geleende zolders.  Slingers gemengd met pijn en misverstanden, en dát dan proberen op te lossen. Tijdens mijn speech voelde ik vooral die slingers. Een verhaal gebouwd op vrienden. Zeemeermeisje het slingermeisje.

 

Het Zeemeermeisje komt

Morgen komt het Zeemeermeisje. Een meisje dat op het dak van haar huis een oude vrouw ontdekt, in een tent. Ze gaan elkaar helpen, zelfs als dat bijna onmogelijk lijkt.
Een zacht verhaal denk ik, zonder haakjes, zonder ‘ik heb het allemaal zelf meegemaakt’. Hoewel ik het huis van Huda gebruikte en het dak van café het Loosje. En de boot naar Schotland, en nou ja, eigenlijk heb ik het wèl meegemaakt, allemaal. Omdat ze me meenam, Miki. Omdat ik samen met haar over de Nieuwmarkt liep met dat gevoel dat ik ook had toen ik er net woonde. Bewondering, en trots, dat het zomaar kon en mocht, temidden van die mooie oude huizen wonen, onderdeel zijn van een stad. Ga het maar lezen. Of voorlezen. Duik ik nog even die stad in.

 

Jariger

Eind april en half mei verjaren mijn zonen. Dan roept Aran eerst twee weken lang; haha, ik ben vijf jaar ouder dan jij. Totdat het vanmorgen niet meer hoefde.
We stonden om half zeven op voor de cadeautjes, en Milo was volgens zijn grote broer enorm ‘lucky’ is omdat hij een hele goeie pokemankaart packte. Er werd zelfs voor het eerst sinds twee jaar een uitdeelstekelbeest gemaakt, waar vervolgens een doek overheen bleek te moeten (stress!) wat niet ging, want dan vielen alle spiesjes eruit. Waarna we dus uiteindlijk heel zichtbaar jarig over straat naar school liepen en Milo, ‘we komen te laat!’, eenmaal in de klas, spontaan applaus kreeg. Toen keek hij even heel jarig.

Vlekken vol verlangen

Soms begint 1 januari niet op 1 januari maar na een vakantie. Een meivakantie bijvoorbeeld. Dan zijn er opeens op de terugreis hele bergen nieuwe plannen. Dan ga ik een baan zoeken, veranderen, opleidingen doen. Van een vriendin leerde ik dat je dan naar het strand moet. Om met iemand te lopen en te vertellen wat die plannen zijn. Om ze de wereld in te werpen, om ze met woorden te testen en ze na afloop met chocolademelk en slagroom en een meeuwenveer in een schriftje te krassen. In bruine vlekken met vet komen plannen vaak nóg beter uit. En dan over een half jaar weer een wandeling, om te kijken of er al iets lukt. Maar dat is dan pas. Ik ga een veer zoeken.