Theaterfestival Boulevard, dag 2

Recept voor een festival: Loop naar het midden van het veld.
Heb je een kind? Laat het kind dan kiezen welke tent er onderzocht gaat worden (ik weet al welke). Het kind in jezelf mag ook kiezen trouwens.
Blijf daar een tijdje in de buurt. Luister naar de mensen die naar buiten komen. Begluur de mensen die naar binnen gaan.
Neem wat te drinken als het warm is.
Loop een rondje.
Zoek de ticketbalie. Nee, er is geen kaartje meer voor dat ene stuk, maar wel voor dat andere ding, die installatie. Kun je klauteren? Je knikt. Betaalt. Je koopt een ijsje voor de tussentijd.
De zon breekt door. Er lopen mensen langs in zwierige jurken en pakken. Je denkt aan je eigen zwierige kleding. En dat je die morgen uit de mottenballen gaat halen.
Je klautert de installatie in, raakt onderweg in verwarring, klautert dan dapper door.
Hij duurt kort de voorstelling – als het al een voorstelling is – maar toch ziet de wereld er opeens heel anders uit. Je dwaalt nog even rond. Je kind kondigt aan nooit meer weg te willen.
En weet je wat. Jij ook niet.

Terugkeer naar het festival. Dag 1

Het festival is al halverwege, maar voor mij begint het vandaag. Theaterfestival Boulevard: eerder was ik hier festivalschrijver, dit keer mag ik ook gesprekken leiden.
Direct uit het station fiets ik op mijn ov-fiets langs de lange rij bij de Bossche bollen, rechtdoor, het hart van de stad in. Door de koopgoot, langs het plein – daar hou ik even in. Mijn adem vooral: Theater aan de Parade is voor de helft gesloopt. Er staan ook geen bomen meer, dus het licht is er vreemd. Een plein als een bouwplaats waar mensen met hun rug naar de ravage koffies en tosti’s naar binnen werken. Wat je niet ziet bestaat niet.
Ik fiets verder, begin op onbekend terrein te komen. Het Zuiderpark, daar zag ik alleen de randen van. Ik volg de vlaggen in de verte en dan lopen daar opeens Karin en Yell, fotografe en vormgeefster, alsof ze hier elke dag lopen, elke dag op weg naar hun festival.
Ik stap van mijn fiets, krijg een pasje om mijn nek en een stapeltje bonnen. Zo’n tien minuten later eet ik backstage een wit bolletje met fruithagel.
Dit is dag 1. Dit mooie festival heeft haar kloppende hart zomaar ergens anders gestopt, in een park, waar nog wèl bomen staan. Een beetje geheim. Hier is het groener en ruimer, en wat onbestemd – zoals dat hoort bij kunst. We weten het niet, dus we maken er wat van. Het is aantrekkelijk, opwindend. Want als íedereen zou weten hoe het hier is, lag er binnen de kortste keren meer friet dan gras op de grond. Nog niet. Hier is het de dag vóór je verjaardag, hier kun je nog zomaar, in zo’n tentje, het geluk tegen het lijf lopen.

Gesprek van de dag

Vlak voor ik bij de Ysbreeker binnenliep, ademde ik een stukje boom in, waardoor ik alleen maar om water kon fluisteren. Zo werd het gesprek met de organisatie van Theaterfestival Boulevard over alle geweldige gesprekken die eraan zitten te komen extra spannend. Nóg spannender. Want het festival gaat door. En daar ben ik heel erg blij om.

Vanaf 14 augustus t/m 21 augustus leid ik elke dag in de Dom (een indrukwekkende halve tent, ik heb een tekening gezien, maar nog niks in het echt) zo’n gesprek. Met alleen maar interessante gasten, ongelogen.
Kijk maar: https://www.festivalboulevard.nl/nl/programma/id-7063/gesprek-van-de-dag/
Kom je ook?

Prik

We gaan straks uit vaccineren, Aran en ik. Gisteren probeerde ik ons samen in te plannen, zijn eerste, mijn tweede, maar dat bleek logistiek een brug te ver. Dus nu gaat Aran naar het inloopspreekuur en ik daarna naar mijn afspraak. Hij vindt het spannend, we hebben al een paar keer berekend hoe laat hij moet opstaan (nu ongeveer) en hoe ver het fietsen is (andere kant van de stad).
Milo is tevreden met zijn rol als sidekick – ik wilde hem niet alleen thuislaten.
‘En misschien,’ zei ik daarnet, ‘eten we op de terugweg wel een ijsje.’
We kregen er al bijna zin in.

Schrijvershuisje gezocht

Dit is een oproep: ik zoek een huisje. Het mag klein zijn, maar wel graag met bed en sanitair.
Achterin een tuin misschien, een oud schoollokaal, of alleen doordeweeks in een volkstuin, als de rest van de wereld werkt.
Als ik maar een fijn plekje heb om verhalen te schrijven. In ieder geval voor een paar maanden, om te testen.
– Liefst in Amsterdam
– Ongeveer twee dagen per week, soms meer, soms minder – kan ook in overleg

Laatst las ik dat je zo’n vraag aan het universum moet stellen. Vol vertrouwen dat je krijgt wat je wenst. Hoe meer vertrouwen, hoe meer kans.
Jullie zijn mijn universum. Mijn websiteinternetuniversum. Dus bij dezen. Dankjewel alvast!

Klaar voor de start

‘Zo fijn dat ik het gevoel heb dat je er klaar voor bent,’ zei ik tegen Aran, terwijl we met zijn koffer naar het schoolplein liepen.
Hij ging op kamp. Maar het was méér dan klaar zijn voor kamp, het was ook de midddelbare school, een nieuw leven, een nieuw ritme.
Het plein was vol kinderen en ouders in kluitjes. Sinds corona, gescheiden onderwijs en algeheel opgroeien zijn de kaarten geschud. De populairste meisjes hun eigen planeet, met wat sattelieten er omheen, de jongens in twee groepjes te verdelen; de steppers en de niet-steppers. Maar toch ook; verbonden met elkaar, allemaal, zich meer bewust dan ooit van de tijd, van het voorbijgaan ervan.
We wachtten.
De bus kwam niet.
Toen werd er omgeroepen dat de bus pas om half elf ging komen, waarschijnlijk. Want ook dat is sinds corona aan de hand; een duidelijk zwabberende school, met valse coronameldingen waardoor je kind opeens thuis zit – en dan weer niet – en blijkbaar ook een onvermogen om nog afspraken over bussen te kunnen maken. Het is maar goed dat er hierna even zes weken géén school is.
‘Ik ben er klaar voor, maar ben jíj dat wel?’ Aran had het me kunnen vragen, maar in plaats daarvan voelde hij verschrikt aan zijn jaszak, lachte toen. ‘Ik dacht even dat ik mijn telefoon vergeten was. Maar die mag niet mee. Drie dagen geen telefoon!’ Hij keek verbijsterd bij het vooruitzicht, drie hele dagen.
Er was zoveel om klaar voor te zijn.
Misschien dus best goed om ook nog even te wachten.
Op een bus, bijvoorbeeld.

Liefde in een bootje

Gisteren was ik met Aran naar zijn nieuwe middelbare school en dat was net een reünie. Anouk was er, die ooit bij mij aan de bar in het Kremlin zat en die nu opeens een tweeling van twaalf heeft. Er was ook een vrouw die zeker wist dat ik met haar in een bootje op Terschelling had gezeten. Dat kan, zei ik bedachtzaam, hoewel Terschelling me iets bekender voorkwam dan dat bootje. Die vrouw kende ik van gezicht, dat wist ik dan weer wel, dus tot zo ver was ik aan boord.
Ze dacht verder, er zat ook een jongen in dat bootje, en tijdens die paar dagen dat we op Terschelling waren geweest, was er een liefde tussen mij en die jongen ontstaan. Heel mooi had ze dat gevonden, om te zien. Ze wist het steeds zekerder.
Ik vond het een fijn beeld, ikzelf, in een vroeger leven, op een bootje, dagenlang, op een eiland ook nog, met een jongen dus, opbloeiende liefde.
‘Weet je het nog?’ vroeg ze hoopvol.
Nee, dacht ik, helaas. Maar ik zei: ‘Het zóu kunnen.’
Wat waar was, toch?
Ik dacht van niet, maar het zou kunnen.

Mijn Griffel en ik

Nadat ik was thuisgekomen met mijn griffel, mocht Milo hem vasthouden. Dat was leuk, we waren alleen thuis, mijn achtjarige en ik. Hij had de griffel in beide handen vast en keek naar me met een nieuwe blik in zijn ogen. Bewondering misschien, maar eerder nog: verrassing. Gut, die moeder van mij kán iets.
Zodra er bezoek kwam (en dat kwam) ging Milo de griffel snel pakken. Om te vertellen dat ze hem er niet uit mocht halen, uit dat doorzichtige doosje, want dan ging hij stuk.
Later legde iemand me uit dat dít het moment is om aanvragen te gaan doen. Dat ik me nu moet laten uitnodigen met hulp van die gulle tijdelijke regeling via de Schrijverscentrale van het fonds (dus no profit organisaties; grijp je kans, nodig me uit, want dan kost ik dus niks), om me te profileren.
Maar ik weet nooit zo goed hoe dat moet.
Dus hou ik me vast aan mijn pen, en schrijf dit berichtje.

Beste broers heeft een zilveren griffel gewonnen!

Gisteren werd ik verrast bij de uitgeverij, waar ik nietsvermoedend dacht over mijn nieuwe verhaal te gaan praten. Beetje trillerig, maar heel trots en blij hoorde ik daar het juryrapport en ik kreeg bloemen en die griffel in dat mooie doosje wat hem nóg echter maakt.
Vandaag om vier uur mocht ik het vertellen, maar ik had al twee blije broertjes die het van mij op school mochten fluisteren (niet aan het CPNB vertellen).
Ik roep: hoera!

(fotocredits: Su Mee Tan)

Blaadjes branden

De blote kuiten van de vorige foto begonnen me een beetje tegen te staan, dus dit stukje is geschreven uit eigenbelang. Maar het gaat over mijn moeder. Over mijn moeders bankje, waar we gisteren wat gingkoblaadjes aan toevoegden. Wat niet mag, dus ik noem geen namen en ook geen locaties.
Maar ik ben wel heel blij dat het gelukt is.
Het zijn van die lange routes op de achtergrond. Als je lijstjes zou bijhouden stonden ze er jaren op: brandstempel, bankje, iets om mijn moeder aan te herinneren, iets wat haar zelf ook mooi leek. Ze staan er zo lang op dat je je eraan begint te hechten. Misschien dat mensen daarom sommige lange termijn dingen nooit doen; ze zijn te gehecht aan die woorden op hun lijstje. Kleine woord-boeien.
Maar zo’n mens ben ik niet. Ik ben blij dat ze eraf mogen, dat daar nu een bankje tegenover staat. Het bankje, de blaadjes, dat wij er stonden, gisteren, op die geheime locatie.
We dronken na afloop cava en ik hou niet van cava, maar dat gaf ook al niet. Soms is wat je drinkt een symbool voor liefde en herinnering, niet vaak, nu wel. Ik hoefde niet zelf terug te rijden, dat scheelde ook.