Ik loop

Doordat het ging sneeuwen was ik begonnen met lopen. Mijn studio is twintig minuten van de boot, en de route leidt langs een supermarkt en langs water.
Dat lopen bevalt na een ruime week zo goed, dat ik vind dat ik ermee door zou moeten gaan. Al was het maar omdat je de zin ‘ik liep me vanmorgen af te vragen’ dan zowel letterlijk als figuurlijk kunt nemen, wat heel bevredigend is.
Onderweg zijn er buurvrouwen, maak ik praatjes en glimlach naar mensen met mondkapjes die meestal eerst heel strak terugkijken en dan ontdooien.
Maar het kost zoveel tijd.
En ik voel in de verte de lente naderen en alle dingen die ik nog wil doen, binnen wil halen, geschreven wil hebben, iets met verslinden en grijpen en er doorheen rennen, nee racen, sneller dan ik zelf ben en dát is nou precies wat je niet doet met lopen, sneller zijn dan jezelf. Wat je misschien wel nooit bent, maar wat je wel kunt hopen? – of toch gewoon, nog even lopen.

Dingen die je nooit eerder deed en hoe dat komt

Gewapend met een lijstje begin ik aan mijn enige kinderloze dag van de week.
Het lijstje is wat ongelijksoortig, met boodschappen, een pakje dat weg moet, een boek dat geschreven moet worden, een budget berekend.
Zouden ze volgende week naar school gaan, de kinderen, en zo ja, hoe pakt onze school dat dan aan? Worden het weer halve dagen, wordt het twee dagen dicht omdat ze nog moeten nadenken over die dagen?
De somberte in mij zegt dat het me hoe dan ook tijd gaat kosten, weer een nieuw ritme, weer kunst en vliegwerk om werkuren te vinden, afspraken verzetten, organiseren. Maar ik voel ook een vlaagje weemoed als ik de zebra nader met het pakje in mijn hand, mijn mondkapje heb ik nog op, want ik deed al boodschappen. In het pakje een peperduur vest dat ik voor mijn vader uit Duitsland liet komen, dat te klein is.
Ik denk aan de start van de dag gisteren, hoe ik mopperend met een stofzuiger rondzwalkte, bakje kattenvoer in de andere hand, pen achter mijn oor, de jongens tussen de schriften en de weekoverzichten en dan eindelijk settelen, aan de tafel, concentratie die neerdaalt.
Ik stap met mijn pakje de zebra op. Een rood autootje is al gestopt, van rechts komt een enorme vuilniswagen aanscheuren, die me laat ziet, piepend remt, bijrijder bijna door de ruit. Ik schrik, maar lach, realiseer me dan dat de chauffeur dat niet kan zien mijn lach, vanwege dat mondkapje. Dus ik maak een sierlijke buiging. Op de zebra op dinsdagochtend, voor de vuilnisauto.

Floepie

Mijn hoofd verandert door dat thuiswerken. Kwestie van multitasken, ik ben vast de enige niet. Na ernstig overleg gisteravond is besloten dat Floepie vanmorgen meegaat met mijn zevenjarige Milo naar Annabelle. Annabelle en Eldur zitten in zijn klas en met hen heeft Milo een thuisleergroepje. Ik heb beloofd eraan te denken, dat we het beest niet eenzaam thuislaten.
Er valt niet veel te vergeten; Milo staat al om zeven uur met Floepie om zijn nek. De knuffelluiaard heeft lange armen met klittenband aan zijn poten, maar het zit niet lekker, want hij is tevens bijna net zo groot als Milo.
‘Gaan we?’ Het is inmiddels kwart over negen, Milo is er al minstens een kwartier klaar voor.
Ik knik terwijl ik ondertussen denk aan een fijn project waar ik straks aan wil gaan werken. Dat project gaat ook over dieren, maar dan niet het knuffelige soort. Ik moet de begroting nog opstellen. Maar eerst Milo op de fiets. Floepie mag achterop, ik moet hard trappen, ‘want Floepie vindt het eng,’ zegt mijn zoon bezorgd.
‘Gaat hij straks ook leren, net als jullie?’ Annabelle woont dichtbij. Ik stap af. Terwijl ik mijn fiets op slot zet besluit ik dat ik de begroting in meer posten moet verdelen, voor overzicht. Dat ik een dagdeelprijs moet verzinnen en hoe je dat doet als je uren sprokkelt. Wat eigenlijk de verhouding man/vrouw is die met zulke puzzels worstelt. Knuffeldier, werk, uren, en oh ja, boodschappen.
Willen alle moeders van Nederland even hun hand opsteken?
Of is dat weer te somber gedacht?
‘Floepie is heel slim,’ klinkt het een tikje beledigd naast me, ‘haal je hem nu van de fiets af?’
Als ik het knuffeldier van de fiets heb getild, realiseer ik me dat Floepie nu ook mee moet naar pianoles, vanmiddag. Ik zie de moeder van Annabelle al lopen, met zwarte schooltas, Milo, enorme knuffel om haar nek.
‘Maar Milo,’ vraag ik, ‘gaat Floepie dan ook samen met jou pianospelen?’
‘Mama,’ Milo kijkt me streng aan, ‘dat kán helemaal niet. Heb je weleens naar zijn handen gekeken?’

Overmangood

Sommige thuislesdagen duren langer dan andere. Deze duurde lang. Er kwam een mango in voor. En een foto waarop Milo en ik een rare bek trekken, maar die plaats ik lekker niet. We speelden een keer of vijf ‘Escape Room’, ideetje van dedagvandaag.nl die het weer van Klokhuis had geleend. Net als de vorige lockdown leer ik een hele nieuwe wereld kennen. Vanmorgen zaten we al enorm ijverig te tafelrappen. Het is een nieuwe wereld vol filmpjes, enorm vrolijke tips – man, ik krijg er plaatsvervangend kramp in mijn kaken van – en vooral ook; nieuwe woorden.
Al die tijd verheugde ik me erop dat ik misschien aan het einde van dag, nu ongeveer, zelf ook wat kon schrijven. Want ze zijn nu eindelijk lekker vertrouwd aan het gamen. Maar die mango dus, dat wou ik nog zeggen, die was geprint, in stukjes geknipt en moest toen weer bij elkaar gezocht worden. Dat duurde even. het was best leuk. Ik denk dat ik hem vanavond maar opeet. Want hoe ik ook rondkijk van binnen, veel zinnigs zit er niet meer in. Mijn hoofd is leeg gemangood (is dat met een t of een d? Categorie 11, vermoed ik, ik kan het de jongens niet vragen wegens gegame (gegame?) dus ik gok blind op die 11 (elf), op een ‘langer-maak-woord’, opdat je beter de -t of de -d kunt kiezen. Mangode? Echt geen idee meer, heel internet gaat schande van me spreken, gelukkig kan ik het morgen aan mijn twee jonge meesters vragen. Vraag ik ook meteen of ik eerder naar huis mag.

Wat je niet van elkaar weet

Ik sta bij de bakker om croissantjes te kopen voor de kinderen. Vijf om precies te zijn, twee van vier en drie van zeven. Het is de bakkerij met een klein cafédeel, waar ik vroeger aan Beste broers schreef. Ik ken de man achter de toonbank, want hij vertelde toen dat hij ook graag schrijft. Nu kijkt hij peinzend. Ik volg zijn blik, de kinderen staan als hongerige aapjes voor het raam op en neer te springen, we hebben een longboard bij ons en een step.
‘Zijn die allemaal van jou?’ zegt hij dan.
‘Een drieling en een tweeling,’ ik glimlach er trots bij.
Daar is hij even stil van.
Hij geeft me de croissants. ‘Dat weet je niet hè, van mensen, totdat er opeens zo’n lockdown is,’ zegt hij dan ernstig.
‘Ik heb er thuis nog een van elf,’ knik ik.
Hij kijkt mij en mijn kleine karavaan hoofdschuddend na.

Lockdownlijstjes

’s Nachts maak ik lijstjes omdat de regen maar doorgaat, net zoals alles maar doorgaat en toch zo onzichtbaar blijft. Lessen uit de lesboeken van mijn zevenjarige, hoe zat het ook alweer met die categorieën en een rijtje met ‘uw’, kan me niet herinneren dat ik dat ooit geleerd heb. Maar wat kan ik me herinneren, wat gaan we ons herinneren hoe wordt deze tijd bijgezet in ons geheugen en hoe zit dat, dacht ik daarnet, met al die mensen die dit leven al leefden, die de avondklok niet gaan merken omdat ze dan toch al in pyjama door het huis stiefelden, bekertje heet water, boek in de hand. Het leven van een beestje in een nest, allemaal nesten naast elkaar, wat je kunt zien als je ’s avonds door het land rijdt, al die lichtjes in al die huizen – maar dat zie je niet, want je rijdt er niet.
Het is weer dag, ik begin.

Spetterend fikkie

De buren hadden een vuurkorf en dat maakte het beeld wakker dat al een tijdje sluimerde. Dat ik mezelf ook bij zo’n vuurkorf zag staan, mijn eigen vuurkorf. Voor de boot, met een tafel vol hapjes en allemaal lachende mensen als in een reclame. “Wij hebben een gezonde én warme oplossing gevonden”, zei die reclame in mijn hoofd. Voor alles. Buiten is het goed, mits je een vuurkorf hebt, zei die reclame.
En aangezien het toevallig oudejaarsavond was zei ik iets in die trant tegen Edwin. Of eigenlijk zei ik vooral, om half twaalf, ik was net wakker geworden terwijl ik eigenlijk een boek las, de jongens zaten tevreden hun tweede film te kijken (Finding Nemo) – ik zei dus: ‘We hebben nog hout in het vooronder.’ Het was glad op het dek. Maar er was inderdaad hout. En de vuurkorf was er ook. We hadden zelfs vuur, en benzine, dus aansteken was geen enkel probleem.
Zo kon het dat ons nieuwe jaar begon met vuur en vuurwerk. Geen tafel vol hapjes, geen vrienden (hoewel er na verloop van tijd buren kwamen langslopen), kleine spetterende sissertjes die Milo en Aran voorzien van veiligheidsduikbrillen produceerden, door elke keer opnieuw vol verwachting vuurwerk van vorig jaar in de korf te werpen. De foto van Milo werd mijn hoera-appje en die zet ik nu ook hier. Bij wijze van hoera. Dankjewel dat jullie er zijn, bij mijn fikkie, aan deze tafel vol hapjes, met op de achtergrond al het vuurwerk dat nog gaat komen. Dit is een laat Nieuwjaarsbericht. Kleine spetters zijn ook leuk. En klein vuur is ook vuur. We maken er zelf ons verhaal wel bij. Wij kunnen dat.

Onverwachte voordelen van corona

Mijn toetsenbord had het moeilijk (het piepte astmatisch) en daarom zocht ik al een tijdje een nieuwe. Online natuurlijk, want dan heb je lekker veel keuze. Ik had geen geluk; de eerste typte niet lekker. Bij de tweede bleef na een paar verhalen de enter-toets hangen.
‘Ik tik vast te hard,’ zei ik grappend tegen Willemijn.
‘Zeker weten,’ zei ze zonder echt heel hard terug te lachen.
Dus toen zocht ik een mooi, weinig geluid producerend apparaat en dat vond ik. Een Silver Eagle.
‘Heb je nou alweer een toetsenbord,’ zei Aran. Het was een plug and play, wat ze allemaal zeggen te zijn, deze had er nog een mooi handzaam muisje bij ook, en die deed het uitstekend, die muis. Maar het toetsenbord wilde geen contact met mijn computer. Wel plug, geen play.
Dus nu ga ik straks naar een toetsenbordwinkel. Een noodzakelijke verplaatsing.
De eigenaar van het kapotte toetsenbord belde me overigens nog heel vriendelijk om te kijken of hij kon helpen. Hij raadde me aan nog eens bij hem te bestellen, maar veel had hij niet in de aanbieding. ‘Dat is het voor- en nadeel van corona: al die thuiswerkers.’
‘En die gaan allemaal schrijven,’ zei ik begripvol.
Hij zuchtte. ‘Dat is natuurlijk goed voor mijn verkoop, maar het zijn er wel heel véél.’

Roze en pluizig

Ik had dikke zachte sokken gekocht om de wereld vandaag, om te beginnen bij mijn voeten, wat warmer te maken. Ze werden gisteravond direct geconfisqueerd.
Zo gaat dat met zachte warme dingen, er zijn altijd wezens die ze meer nodig hebben dan ik. Soms moet je die wezens dat gunnen.