Verderop valt alles eraf

Ik zit op het puntje van de wereld, ouderwetse wereldkaart voor ogen, daar, voorbij de horizon, houdt het op, daar valt alles eraf.
Verderop graast een struisvogelpaar, een bavianenfamilie wandelt de weg op. Een schildpad is druk bezig er juist weer af te komen, van die weg. Die eindeloze weg die hier in een fraaie lus om het schiereiland onder Kaapstad cirkelt, en ik zit naast Joukje aan de passagierskant van de auto, de kant waar bij ons het stuur zit, en ze heeft dus een national parc in haar achtertuin, en overal uitzicht op zee. Overal zee, soms opgejut door golven, soms glad en bedekt met vogels en kano’s en misschien wel dolfijnen onder het wateroppervlak, wat maakt dat je steeds opnieuw wilt kijken, als bij een gokspel, want je weet maar nooit, altijd prijs, uiteindelijk, belooft het water.

Weerstand

Als er een versie van een boek af is, valt er even een stilte. Ik kan niet meteen door naar een nieuw project, ik heb nog niet genoeg afstand voor een nieuwe kritische ronde. En hoewel ik me dan tijdens het schrijven enorm verheugd heb op die tijdelijke leegte, valt hij altijd tegen.
Toen ik nog Aikido deed had ik dat ook altijd: een perfecte worp bevat eenzelfde soort leegte: geen weerstand, geen kracht, dán vliegt je tegenstander door de lucht, dan stort hij pas lekker hard ter aarde. Maar terwijl je zo’n perfecte worp aan het doen bent, voel je dus niks. Vond ik altijd moeilijk te verwerken. Bij een gevecht verwacht ik weerstand. Zoals ik bij pijn verdriet verwacht. Voel ik niks, dan ga ik het zoeken, die weerstand, zelfs al weet ik dat het zonder niet alleen kan, maar lichter is.
Die leegte dus, ik wandel er doorheen vandaag. Probeer het open te laten. of nou ja, een beetje open. misschien dat ik stiekem aan een verhaal begin. Of een verhaal luister. Of iemand tegen de grond mep. Omdat het kan.

Gemist

Ik maakte net deze foto, de weerspiegeling van mezelf in de ruit van mijn studio, waar ik net binnenkwam, Milo naar school, die blije opluchting omdat er opeens een vrijwel rimpelloze dag voor me ligt, met weliswaar stomme klusjes als adminstratie, maar toch, helemaal van mij, pas in de avond onderbroken door zoet kindergeregel in de buik van de boot. Je hebt schoolklassen waar aan muren van die zakjes hangen om je mobiel in te stoppen, opdat je ze tijdens de les niet gebruikt. Het is net alsof iemand (de directeur van de basisschool, met een stemmig gezicht) ook voor de ouders zo’n zakje heeft gemaakt en nu hun hersenen met een minzaam glimlachje weer teruggeeft. Ze hebben er drie weken lang gehangen, die hersenen, dus het is even kijken of alles het nog doet (nooit zo goed als eerst), maar het feit dat ik weer mag werken, bedoel ik maar, stemt me altijd dankbaar. En die dankbaarheid leidt dan tot de onvermijdelijke conclusie dat min of meer vrijwillig samenleven tijdens lockdown, tijdens regen, met twee jongetjes een handvol nachten in een net te klein bed toch – uiteindelijk – vrijheid oplevert. Maar misschien denk ik dat omdat er nog vakantiestof in mijn hoofd zit. Blaas ik het er straks allemaal af.

De Neushoorns in het Noorderpark hadden zich verstopt

Ze kwamen. Omdat het in de buurtkrant had gestaan, omdat ze het op de site hadden gezien, of omdat ze mijn vrienden zijn. Wat zeg ik; iedereen die kwam was mijn vriend. Ze trotseerden de twee dagen pisweer die we per ongeluk voor ons evenement hadden uitgekozen. Ze liepen met erwtensoep en gluhwein van Sonja door de regen, en ze kwamen allemaal terug van hun audiowandeling met een glimlach op hun gezicht. En daar word ik nog steeds heel erg blij van.
Jij kan ‘m ook lopen, de wandeling; klik op dit linkje en de wandeling start vanzelf. Loop hem in je huiskamer als je in quarantaine zit, met een oliebol erbij. Kies een park, een straat, een laantje: en laat me weten of het werkt. Roald en ik gaan ons bezinnen op het vervolg. En als je liever eerst een reportage van een minuut of vijf van Jeroen de Jager hoort die op NPO1 te horen was, dan kun je het makkelijkste op het linkje hiernaast klikken.

De eerste dag met de Neushoorns

Het begon met regen en storm en een wegwaaiende partytent, die we net zo trots in elkaar hadden gepuzzeld.
Sonja stond klaar met de soep, Roald en ik stonden klaar met flyers. Mijn zoons en Edwin stonden ook klaar. Het enige wat kwam was regen.
En toen – in de verte, een mevrouw die moeilijk liep. Maar wel doelgericht; ze kwam naar Pompet! Naar ons!
De mevrouw kwam bij ons onder het afdakje zitten en vertelde dat ze erover had gelezen. Over onze Neushoorns in het Noorderpark en dat ze wel benieuwd was. Zodra de soep warm was, aten we er met zijn allen van. Het voelde alsof het toen pas echt begon. De gluhwein werd in een andere pan gegoten voor later. Lang leve Sonja Hendriksma met haar plannen en haar dubbele gaspit en haar mooie verhalen.
De regen stopte. De wind ging liggen.
En, zoals dat gaat na de regen, staken er opeens overal mensen hun hoofden uit huizen. Klommen opeens overal mensen van fietsen af, kwamen ze opeens over al die verschillende wegen die naar Pompet leiden, aanlopen. Monique met familie, Roy met aanhang, Rob en Tries, Sanne en Sumee, maar ook mensen die het gelezen of gehoord hadden ergens, onbekende oren. Zo vulde het park zich met traag wandelende bubbels met koptelefoons op. En allemaal kwamen ze weer bij ons terug, voor nog een soep of een gluhwein, met verwondering in de ogen.
Mijn weer-app zegt dat het vandaag weer nat wordt. En winderig. Troosteloos dus. Echt lockdownweer.
Gelukkig hebben wij daar dus iets op verzonnen.
Want iedereen weet dat verwondering het beste antwoord op troosteloosheid is. Alles begint bij verwondering.
Wij serveren ‘m, tussen 13.00 en 16.00. In het Amsterdamse Noorderpark.

Wat er níet is

‘Je probeert ook te kijken naar wat er níet is,’ zei Jacintha Ellers, hoogleraar evolutionaire biologie, toen ik haar interviewde voor Neushoorns in het Noorderpark.
Ze zit niet in de audiowandeling, maar hopelijk wel in het vervolg, het vervolg van kijken in de toekomst, van wat er nog gaat komen, van wat er nog niet is.
Ze bedoelde dat de evolutie een bepaalde koers vaart, maar daardoor dus talloze andere koersen niet. En dat lijkt een open deur, maar we vergeten het steeds. We vinden het bijvoorbeeld normaal dat we een eivormig hoofd met ogen, neuzen en oren hebben, we vinden het níet raar dat we geen kieuwen hebben, geen staarten, geen vleugels (hoewel ik dat altijd jammer heb gevonden).
Die manier van kijken – naar wat er niet-is – is lastig, ook als het over het nu gaat. Horen wat er níet wordt gezegd, welke gebaren er er niet worden gemaakt, welke daden niet begaan. Een nooit aflatende denkoefening is het en als je niet oppast, kun je er heel achterdochtig van worden. Er is bovendien geen conclusie. Omdat je de andere routes niet kunt bewandelen, omdat je dikwijls niet eens beseft dat er andere routes wáren.
Dus dan maar beginnen met een dwaaltocht. Een audiowandeling door het Noorderpark, om woorden te zoeken, een beetje grazen, terwijl slimme mensen mooie dingen in je oor fluisteren, versterkt door fantastische muziek. Het begint immers altijd met rondkijken en je verbazen. Vandaag bijvoorbeeld (28 december), of morgen (29 december), tussen 13.00 en 16.00 bij Pompet in het Noorderpark. Zie jullie daar? (de wandeling staat nu online!)

Neushoorns in het Noorderpark

Voor de audiowandeling die ik met Roald aan het maken ben, doe ik veel interviews. Radio-interviews, bedoeld om de audio te bewaren, en niet om er later op papier een artikel van te knutselen.
Ik heb er speciaal nieuw speelgoed voor gekocht: een Zoom h5, met een shotgun mic (geen piemel, maar zo noemde ik hem eerst wel) die ik onder neuzen duw (daarom noem ik hem geen piemel meer).
Het uitgangspunt van de wandeling: de mens is er niet meer, die is gewoon ‘poef’ verdwenen. En jij, de (audio)wandelaar mag tijdens het lopen nog even aan dat idee wennen.
Ik heb er verhalen bij geschreven, Roald maakt de muziek, maar we vragen ook experts naar hun visie. Biologen, ecologen, futurologen.
Het zijn heerlijke gesprekken, met wetenschappers, met kenners die me helpen denken. Omdat zij écht weten waar ze het over hebben.

Toch is er iets wat me dwarszit. Want omdat we audio maken, moeten de gesprekken kloppen. Dus luister ik zorgvuldig alle interviews terug. Ik luister of de zinnen hout snijden, of de luisteraar de theorieen ook gaat verstaan. En wat me dan opvalt, is dat zíj wel hout snijden, die experts, maar ik heel vaak niet.
Dan gaat het gesprek ongeveer zo:
De expert zegt iets geweldigs over beren, die als de mens er niet meer is wellicht het park opnieuw zullen gaan bewonen. Olifanten zelfs, die weliswaar een eindje moeten lopen om er te komen, maar die, wie weet, op een dag hun slurven om Amsterdamse boomtakken slingeren.
Alsof dat nog niet mooi genoeg is, begint de expert dán aan zijn meest briljante zin. ‘Ik geloof trouwens ook, en dat heb ik nog nooit aan iemand verteld, dat…’
En dan HUPS. komt Jowi er doorheen. ‘Maar is dat niet ál te mooi? En hoe zit dat eigenlijk met de muggen?’
‘Uhm, wat?’
‘Nou, dat beeld van al die dieren die overal vandaan komen. Dat vind ik op zich heel mooi. De wildstand die groeit. Meer herten, meer vossen. Maar de mens-parasieten (mompelt iets onverstaanbaars) Dat eigenlijk vooral de muggen ons heel erg gaan missen. Maar wat ik ook nog zeggen wilde….’

En daar zit ik dan een dag of wat later vol verbijstering naar te luisteren, naar mijn eigen gebazel.
Geen zorgen, het wordt er bij de daadwerkelijke audiowandeling allemaal vakkundig uitgesneden, dát is het probleem niet. Wat ik schokkend vind, is dat ik op het moment dat ik het zeg, terwijl ik dus tijdens die wandeling met mijn microfoon loop te zwaaien, dat het dán allemaal volstrekt logisch klinkt – voor mij dan. In mijn gedachten ben ik kristalhelder. In geluid ben ik dikwijls nogal, nou ja, wolkig. Kortom; mijn oren hebben het oordelend vermogen van een uilskuiken.
Gelukkig worden uilskuikens ook groot, misschien wel heel groot – als de mens er niet meer is. Misschien moet je in audio op een andere manier leren luisteren. Kortom, ik troost mezelf.
En we gaan monteren en we gaan er iets moois van maken. Zeker weten.

Als jullie willen weten of het echt gelukt is: kom je dan wandelen?
28 en 29 december zitten Roald en ik er ook; tussen 13.00 en 16.00, in het Noorderpark. En Sonja maakt soep.
Lees meer over onze proeve hier, dus 28 en 29 december. In het Noorderpark, kortom.

[beeldcredits: Robbert van Oosten]

Neushoorns in het Noorderpark

Er zit een oogziekte in mijn familie waarvan ik lang heb gedacht dat hij ‘stargaze’ heette. Meteen het mooiste onderdeel ervan, die naam. Of ik ‘m heb weet ik nog niet, daar ben ik nog te jong voor. Maar ‘sterrenstaren’ is wel iets wat ik veel doe, de laatste tijd. Meestal nadat ik een tijdje peinzend naar de kranten heb gekeken.
Al die boze mensen en de term ‘onrecht’ – en dan ruzie maken bij wie die term het meeste hoort.
Laatst was ik in het Noorderpark om een audiowandeling voor te bereiden die Roald en ik daar eind december gaan presenteren. En toen zei Edwin Gardner, mijn visionaire wandelpartner, dat we een soort raam van oranje licht over de steden hebben gebouwd. Een raam van licht, waardoor we de sterren minder goed kunnen zien. Dat we ons daarom misschien wel minder verbonden voelen met dat enorme heelal om ons heen. En ik dacht aan mijn alsmaar groeiende behoefte om mooie dingen te maken, om even weg te kijken van het modderige nu. Sterren zien. En als ze er niet zijn, dan gewoon dwars door de lelijke dingen heen reiken en ze tóch zien. Niet om te vluchten van de realiteit, maar als een daad van verzet.

De mix

Het leven is opgedeeld in allemaal totaal verschillende brokjes deze maand. Veel schoolbezoeken, soms een pabo, dan opeens een schaaktoernooi of een (geweldige) eerste dag van een podcastcursus. Ik hou het bij door heel veel in mijn agenda te kijken. Niet omdat ik niet weet wat er komt, maar omdat het iets geruststellends heeft om vaak te herhalen dat ik het wèl weet. Komende woensdag ga ik wandelen met mijn vader, want dan is het twee jaar geleden dat mijn moeder overleed.
Gisteren was ik even bij hem, in dat huis waar de leegte overal voelbaar is, maar het meest in de badkamer, omdat daar wasspullen wonen die alleen zij gebruikte, zoals anti-regen-coating en kwetsbare-kleding-verzachter. Dat weet ik door die eerste maanden na haar dood, toen opeens alle was kleddernat uit de wasmachine kwam. Stuk, dachten we, want dat ding is ook al behoorlijk op leeftijd.
Maar nee. Mijn vader bleek steeds het verkeerde programma te kiezen, zonder centrifuge.
‘Je moet de mix nemen,’ zei ik, na enige bestudering van het ding. ‘En dan gooi je er zo’n was-pod bij, dat is het makkelijkste.’
‘De mix,’ herhaalde hij ernstig. ‘De mix. Die zal ik voortaan nemen.’

Feestjes

Er was een feestje gisteren; de Gouden Kinderboekenborrel in het verre Amsterdamse westen, naast de Kweker, op een groot terrein met niets dan voedsel. De plek waar de beste chefkok ter wereld Natasja (toen ze nog in Nederland woonde) naartoe ging, gewapend met een magische toegangspas. Het feest vond plaats in de Centrale Markthal een pand dat 25 jaar leegstond. Waar tot mijn verrassing nu de Cantina Mobile draaimolen en de andere vertrouwde tenten van de Aprilfeesten stonden, omdat bleek dat Igor en Coen daar onder andere de scepter zwaaien (dat is dus altijd bijvangst bij feestjes, dacht ik nog, dat er mensen rondlopen die je al heel lang kent, maar lang niet zag en die dus gewoon nog bestaan en toffe dingen doen).
Ik won geen goud, maar Pieter Koolwijk met Gozert wel en dat gun ik hem zeer.
Ik koester mijn zilver en vond het feestje helemaal gelukt. Dat is dus dubbele winst, want ik was een beetje feestjesbang geworden de laatste tijd, door al dat thuiszitten misschien. Ik ga dus om te oefenen voorlopig naar álle feestjes die ik tegenkom. Of nou ja, toch minstens nog twee. Sommige mensen beklimmen de Mount Everest om hun dapperheid te oefenen, ik doe glitter op mijn oogleden.