Fragmentarisme

(uit een van de kookboeken van Ottolenghi en de hand is van Caroline (ze wijst iets aan), we waren net naar het strand geweest, met mijn vader en Robert, en het ging over lekker eten. Ik zei: díe ga ik maken en ik beken, dat heb ik nog niet gedaan.)

Het gesprek ging over het schrijven van een blog en hoeveel je uitlegt over de achterliggende omstandigheden.
Ze zei dat mensen die niet wisten over wie het stukje ‘as dinsdag’ ging, het ook niet zouden begrijpen. ‘Ze weten niet dat je moeder geen been meer had, dus dan snappen ze je laatste zin niet.’ Daarna vroeg ze of ik gekwetst was omdat ze commentaar had op mijn blog.
Daar ging ik toen over nadenken. Want ‘ja’ of ‘nee’ paste niet.
Dit is mijn theorie: misschien was het ooit zo, toen ik begon met lezen, dat schrijvers de edele taak op zich hadden genomen om het leven voor de lezer te duiden. Niet al opvallend (en soms heel opvallend), maar toch, veel schrijvers legden het leven uit. De context werd stevig ingeleid met beschrijvingen van plekken en families, van namen en rugnummers. En in dat decor vond dan een verhaal plaats. Er waren uitzonderingen, uiteraard, die zijn er altijd. Maar toch, al dan niet verborgen moralisme en wegwijzerij overheersten.
Ik denk dat die tijd voorbij is. Dat schrijven (met dank aan het leven online, aan Whatsapp, aan Facebook, aan Instagram) niet meer gaat over duiden. Schrijven gaat nu over meemaken.
Als ik een rijk gevulde picknicktafel zie van een mij nauwelijks bekend persoon omringd door vrienden in een land dat ik niet ken (maar ik ben toevallig Insta-vrienden), zou ik niet snel eronder zetten: wie ben je en waarom staat er niet bij wie je vrienden zijn en wat is dat paarse gerecht daar rechts op tafel.
Ik zou schrijven ‘Yammie’. Of ‘Nu heb ik honger.’ En dat zou ik nog menen ook.
We zijn gaan accepteren dat we minder context krijgen. Dat werkt door in boeken, in blogs. In mijn blogs dus ook.
Oké, dít is toevallig een uitleggerige blog. Daarom is de helft van jullie al afgehaakt.
Mijn volgende blog is, beloofd, weer lekker fragmentarisch. Want context is uit. Leve het ontbrekende been. Heel jammer van mijn ontbrekende moeder.

Plaatselijk

Gisteren stond ik op een steiger in het ruim met mijn vinger bij een lekkage. Een plafondplaat lag op de vloer, een deel van de betimmering ook. Er zat schimmel op.
Edwin stond op de dakplaten buiten met een tuinslang. Aan tafel zaten vijf jongetjes die snoep probeerden te maken van een recept uit het ‘snoeplab’, een sinterklaascadeau voor Milo. Vooral de voorbereidingen gingen erg goed.
Sinterklaas zelf was een zeer lawaaiige bijeenkomst met vier jongetjes, een berg cadeaus, mijn vader stil op de bank en geen moeder. Door haar afwezigheid werd er door gedichten heen gepraat en kreeg ik erg de neiging om, net als zij altijd deed, te roepen dat iedereen stil moest zijn en ‘dat we er nog niet allemaal waren’, en dus het gedicht nog niet kon worden voorgelezen. Maar aangezien niemand naar me luisterde droeg mijn geroep alleen maar bij aan het lawaai.
‘Hé, regent het nou?’ zei één van de snoepmakende jongetjes. Er kwam een harde straal langs het raam waar de lek zit.
‘Het regent plaatselijk,’ zei ik.
Daar moest hij hard om lachen.

Let op

Ik was naar Nemo met een heleboel tienjarigen oftewel met Arans klas. En dat viel enorm mee. Waar Milo’s klas nog uit een dertigkoppige groep pluizige eendjes bestaat, die, zodra je op ze probeert te letten, alle kanten op waggelt, zijn tienjarigen zelfstandige kinderen. Mocht je er per ongeluk eentje achterlaten in de bus, dan is de kans groot dat het kind zelf zijn weg wel weer terugvindt. En dat de ouder van het betreffende kind vervolgens ook niet vol verbijstering zijn bazooka trekt om je in stukjes te schieten – ik kijk teveel schietspelletjes.
Ik had een groepje van vijf en we hadden een tentoonstelling (dat woord is eigenlijk te statisch voor Nemo) die we moesten uitproberen, een laboratorium waar we heen wilden om te ontdekken hoe het afschieten van een raket werkt en verder de tijd tot half één.
Dus ik zei: ‘Als we die eerste twee dingen hebben gedaan mogen jullie gaan waar jullie willen, zien we elkaar weer beneden.’
‘Nee,’ zei het oppermeisje van mijn groepje gedecideerd. ‘Wij blijven bij elkaar. Gewoon per verdieping en dan een beetje op elkaar letten.’
Ze was te beleefd om me verwijtend aan te kijken, maar ik weet wat ze dacht: een beetje op elkaar letten, is dát nou zo moeilijk, groot mens.

deadline deel 2

Dus ik begon vanmorgen om half acht met schrijven aan de tekst die vorige week had gemoeten en dat vond ik meteen heel erg fijn. Verdwijnen in een verhaal, spoorzoeken naar grote lijnen. Eén uur ’s middags had ik als deadline beloofd en om tien voor één, daarnet dus, was ik klaar met de eerste versie.
Uiteraard dient zich dan per direct (na een cracker en wat muesli) de vraag aan wat ik wil met de rest van mijn leven.
Ik denk dat het straks een uurtje yoga wordt. Want dan gaat mijn hoofd even uit. En dat staat, sinds ik vrijdag een gruwelijke documentaire die The Cave heette heb gezien – waarin een oneindige hoeveelheid gemutileerde kindjes in een kapot gebombardeerd Syrisch ziekenhuis werd binnengebracht – niet meer stil. Onder dat ziekenhuis hadden ze een gangenstelsel gebouwd (the cave), en daar liep de hoofdpersoon steeds doorheen, een slanke moslima met zo’n lange jas en een hoofddoek – wat heel goed werkte bij wijze silhouet – (en dat zou ik laten zien met een foto maar dat mag volgens mij niet, zomaar foto’s van documentaires doorplaatsen, dus zoek m anders zelf even op mocht je dat beeld willen zien).
Al mijn dromen zijn nu ook volgelopen met gangen, in combinatie met mijn moeder en gemutileerde lichaamsdelen.
Steeds als ik wakker word op verschillende momenten in de nacht heb ik zin om op mijn kop te slaan en te vragen of dat onderbewuste associëren nog van plan is lang door te gaan. Want echt lekker slapen is het niet. En zo ja, dan ga ik in de tussentijd wel even wat anders doen. Opstaan bijvoorbeeld en extra vroeg aan zo’n deadline beginnen. En natuurlijk manieren zoeken om de dingen anders te bekijken. Wat me dan weer doet denken aan de toiletrolhouder die mijn ouders in de wc hebben staan. Zo’n staaf waar de wc-rollen op elkaar gestapeld omheen zitten en een ronde bodem. Op die bodem staat, ik denk dat mijn moeder het er met kleine verfstreekjes op heeft geschilderd, de tekst: hier zijn de rollen omgedraaid. Als kind duurde het eeuwen voor ik het begreep, het uitzicht vanaf de bodem. Maar nu snap ik het. Ik pas straks bij yoga gewoon de woorden van de wc-rolhouder toe (want wie zegt dat je wijsheid niet overal kunt vinden). Ik ga de boel van de andere kant bekijken, van de onderkant. Zou een grot op zijn kop de hemel zijn? Of draaf ik nu door?

Te laat

Ik was te laat met een tekst. Dat ben ik nooit. Of zelden. En vreemder nog, het was me enigszins ontgaan, dat ik bezig was de deadline te missen. Ook dat is niks voor mij. Het voordeel van een dode moeder is dan wel weer dat het je vergeven wordt. Bovendien was er van alles te doen. Milo had op zijn step met nog twee zesjarige medeplichtigen in de plaatselijke winkel van eigen geld maar zonder toestemming snoep gekocht, om maar wat te noemen. Volgens hem kwam het niet door hem, maar de andere twee gaven ook elkaar de schuld. Het was een beetje een kluwen, op smaak gebracht met kauwgom en colasnoepjes. Het regende ook nogal veel. Ik schreef een artikel. Er was een heel verdrietig verhaal van mijn vriendin W over een meisje dat zelfmoord pleegde. Er was, kortom, heel veel leven aan de hand.
Ik voorzie het missen van nog meer deadlines. Maar ik ben er wel verbaasd over. Dus pas ik voorlopig de Milo-methode toe: Tommie heeft het gedaan. Denk ik. En ik was wel in de winkel. Of niet. En het was wel mijn geld, maar ik heb er nul snoepjes van gegeten.

As dinsdag

We gingen de as ophalen bij het crematorium. Het was een kamer, derde deur links vanaf de familiekamer, vol hangers en urnen en glazen kralen waar de as als ‘speels element’ tussen geperst kon worden. De afspraak was gisteren gemaakt. De mevrouw van de Dela had door de telefoon nog gezegd dat ze daar blij van werd, van het maken van een afspraak op zo’n korte termijn.
Chantal stond er op het bordje van de medewerkster die de afhandeling deed. Mijn vader moest zijn rijbewijs laten zien, daarna kregen we de as. In een doos waar vaak kattenbrokjes in zitten, hoog, hoekig – cornflakes zou ook kunnen, maar de doos was te zwaar voor cornflakes. Ik moest huilen toen ik het naambordje van mijn moeder zag, met geboorte- en sterfdatum. Chantal vroeg of we even alleen wilden zijn. Maar dat wilde ik niet. Ik wilde de as terugbrengen naar Oegstgeest, ik wilde dat er geen as hoefde te zijn, wensen waarbij dat kamertje ons in ieder geval niet ging helpen.
Of we nog vragen hadden. ‘Of er altijd evenveel as is,’ vroeg ik.
‘De ene keer is de as zwaarder dan de andere keer,’ zei Chantal. ‘Dat heeft met de dichtheid van de botten te maken. Zo te voelen is mevrouw iets lichter dan gemiddeld.’
We gaven haar een hand en liepen terug naar de auto.
‘Zo hebben we nog nooit met zijn drieën gelopen,’ zei mijn vader. En toen, eenmaal bij de auto. ‘Ze miste natuurlijk een been, dat scheelt weer wat botten.’

Synchroniseren

Sinds de identiteitsfraude heb ik al mijn wachtwoorden gewijzigd (het dilemma: allemaal nieuwe wachtwoorden die je gaat vergeten, één versleutelde sleutelhanger – maar wat als iemand die kraakt, maar wat als je dát wachtwoord vergeet), dus nu duurt het even voor ik verder kan aan een verhaal, want alle software (lees, in dit geval, Dropbox) is per computeren ijverig aan het synchroniseren.
Dus ik schrijf deze blog.
Vannacht droomde ik voor het eerst dat mijn moeder dood was. Iets meer dan een maand na haar overlijden. Je zou kunnen zeggen: de ziel gaat te paard, maar ik denk meteen: waarheen dan, oftewel; waar ben ik eigenlijk (aangenaam vaag en existentieel, zo op de vroege ochtend).
Hoe dan ook, ik droomde dat ze dood was en dat ik erover ging schrijven. Het waren grote letters, dat herinner ik me nog wel. Ik kan ze nog steeds voor me zien, maar ik kan ze niet meer lezen.

Identiteitsfraude

Paola van het politiebureau had het ook wel eens gehad: haar zoon appte haar dat hij geld nodig had. ‘Maar die had ook echt geld nodig.’
Ze bedoelde maar te zeggen: ze had haar zoon meteen gebeld. ‘Want dat doe je op zo’n moment.’
Ik stond te blauwbekken voor haar balie en knikte. Identiteitsfraude. Mijn broer liet mij ook meteen weten dat iemand zich voordeed als Jowi en geld van hem wilde. Hij stuurde me later screenshots, hij had zich vermaakt met de boef. De screenshots mocht Paola nu hebben. Ik legde mijn telefoon op de balie.
Boef: Ha Bart, kun je me geld lenen?
Bart: Hoeveel is het dit keer?
Alsof ik hem dagelijks om geld app.
Maar wel fijn, dat hij er erom kon lachen. Want het is raar als iemand opeens gebruikmaakt van je privé-informatie. Een foto van Aran en Milo in het profiel, het nummer van mijn broer – hoe komt ie eraan? – ergens opgeduikeld. Naakt, voelt het. Naakter dan ik wil zijn.
Ook vond ik het lief dat ze meeleefde, de agente. Het deed me denken aan een artikel over rouw dat ik laatst las Daarin stond dat de kans dat je bij een sterfgeval oprecht medeleven krijgt, groter is dan bij een zeldzame ziekte. Omdat iedereen zich bij sterven wel realiseert dat hij ook een keer aan de beurt is.
Iets dergelijks geldt misschien ook wel voor afpersers, boeven en fraudeurs: je gaat ze op een dag tegenkomen. En als dat gebeurt oogst je ellende, maar ook medeleven. Bovendien was Bart er niet ingetrapt, dat maakte de ellende wat minder groot.
‘Ze wilden wel veel meer geld dan mijn zoon.’ Paola keek naar mijn telefoon.
Ik knikte, €1983,44, ff lenen, per app.
Zou je het me kunnen voorschieten heb je het donderdag terug?
Tuurlijk!
had Bart geappt, vast met een grijns om de lippen, Kom maar halen!

Boodschappenlijstjes

Ik zit in bed met een das om en ik stink naar diesel. We moesten diesel tanken voor de verwarming dus kwam er een bunkerboot langszij en verkouden of niet, stak ik daarnet een nozzel in een gat in de boot. Daar zwom vervolgens 1000 liter doorheen, zo de buik in. Dat is wat fijn is aan wonen op een schip: dat je je ‘huis’ kunt voederen.
Het in bed liggen is preventief: de griep loert en als ik nu stillig, gaat ie misschien wel weg. Bovendien past dat dan heel goed bij die lieve tip die ik regelmatig krijg: ‘neem de tijd’. Al weet ik dan steeds niet waar ik die tijd mee naartoe moet nemen.
‘De tijd nemen’ klinkt als nadenken, koesteren zelfs, maar mijn verdriet – ik vermoed een bondje met die griep – laat zich niet goed bedenken. Mijn verdriet slaat toe als ik even niet oplet.
Gisteren zei mijn vader: ‘Wil je kijken of er nog jassen zijn die jou passen. Helbertijn had een hele collectie.’
Er waren er twee die pasten. De ene een regenjas, de andere iets onduidelijker van functie, maar mooi schemerblauw, met een subtiel lijntje. Ik trok hem aan en vond in de jaszak een boodschappenlijstje. Heel kort.
Koffie
Yoghurt
Haring 4
Meteen kneep mijn keel dicht, miste ik mijn moeder zo ontzettend. Omdat die haring op was, de yoghurt ook, de koffie, zeker sinds de nadagen, allang opgedronken. En dat schrijf ik, maar dat is niet precies genoeg. Ik moest huilen omdat haar hand nooit meer boodschappenlijstjes zal krabbelen, het verdwenen alledaagse ervan. Dat er geen plek meer is waar mijn moeder met mijn vader woont. Waar je naartoe kunt gaan. Dat ik haar jas nu ga dragen, geen cadeau van haar, maar een huls waar zij niet meer in past. Omdat ze niks meer op kan vullen. 
Wat nou de tijd nemen. Die tijd, die is er helemaal niet meer.

Het project: om te zien wat er gebeurt als je de tijd bijhoudt

Ik was er even stil van. Sterker nog, dat ben ik nog steeds. Het deel dat mijn moeder mist is een kind in een trein dat uit het raampje kijkt. Je hoopt dat ze de wolken ziet, maar misschien ziet ze wel niks. Af en toe werpt ze een blik de coupé in, of ze al terugkomt, mama.
Maar ze komt niet.
Een ander deel van mij is strijdlustig. Goed geconcentreerd, zin in nieuwe projecten. Ik rond Beste broers af, zag al een schets van de cover die ik mooi vind. Ik wil eigenlijk alleen maar fictie schrijven, want in fictie voel ik me thuis. En dat betekent, als een soort bijlijn, ook hier weer meer schrijven. Elke drie dagen, in ieder geval tot het einde van het jaar. Dat is mijn Project.
Kijken wat het kind ziet. Als het geen wolken zijn.