Zo’n stukje dat eigenlijk te intiem is

Ik was even heel bang; zo van wow, ze woonde in zo’n Ariel doos in een hoekje van dat toch al zo donkere hoekjesvolle huis. Ze stond daar best.
Te snel, dacht ik angstig, te snel. Maar er zat dus best weinig as in die doos, bleek, voor de helft gevuld. En witter ook, ik heb een keer voor een boek opgezocht hoe dat zat, en toen leerde ik dat kinderen heel wit zijn, maar moeders dus blijkbaar ook. Ze vloog zo vanaf het bruggetje het water in, moest nog door een soort pijp en dan aan de andere kant de brede sloot in waar haar bankje stond. Had ik geregeld bij de gemeente. Een heel mooi, simpel bankje, ik moet er alleen nog stiekem haar naam op plakken. We liepen erheen, van de brug naar dat bankje, mijn vader molde onderweg de doos een beetje, mijn broer gooide het steentje dat je erbij krijgt als bewijs dat het je moeder is, in het water.
‘We kunnen kijken wanneer ze aan de andere kant de pijp uitkomt,’ zei mijn vader met een klein lachje, bijna tevreden. Het waaide en het water gleed voorbij, maar de as zagen we niet. We bedachten dat we bij het bankje heel veel bloembollen gaan planten, dat vrienden dat ook mogen doen. Dat jullie dat allemaal mogen doen; kom je een bankje tegen, plant er dan een bloembol bij. We hadden er al een paar bij ons, bloembollen, we waren al begonnen. Het verhaal was al begonnen, al lang natuurlijk. En toen ik dat allemaal had bedacht en naast mijn vader weer op dat verse bankje zat voelde het even heel vrij.
De as was weg, mijn moeder is overal.
‘Voelt het nou heel gek?’ vroeg ik hem, hij had de lege doos nog steeds tegen zich aangedrukt.
‘Niet gekker dan dat ze er niet meer is,’ zei hij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.