Prik

We gaan straks uit vaccineren, Aran en ik. Gisteren probeerde ik ons samen in te plannen, zijn eerste, mijn tweede, maar dat bleek logistiek een brug te ver. Dus nu gaat Aran naar het inloopspreekuur en ik daarna naar mijn afspraak. Hij vindt het spannend, we hebben al een paar keer berekend hoe laat hij moet opstaan (nu ongeveer) en hoe ver het fietsen is (andere kant van de stad).
Milo is tevreden met zijn rol als sidekick – ik wilde hem niet alleen thuislaten.
‘En misschien,’ zei ik daarnet, ‘eten we op de terugweg wel een ijsje.’
We kregen er al bijna zin in.

Schrijvershuisje gezocht

Dit is een oproep: ik zoek een huisje. Het mag klein zijn, maar wel graag met bed en sanitair.
Achterin een tuin misschien, een oud schoollokaal, of alleen doordeweeks in een volkstuin, als de rest van de wereld werkt.
Als ik maar een fijn plekje heb om verhalen te schrijven. In ieder geval voor een paar maanden, om te testen.
– Liefst in Amsterdam
– Ongeveer twee dagen per week, soms meer, soms minder – kan ook in overleg

Laatst las ik dat je zo’n vraag aan het universum moet stellen. Vol vertrouwen dat je krijgt wat je wenst. Hoe meer vertrouwen, hoe meer kans.
Jullie zijn mijn universum. Mijn websiteinternetuniversum. Dus bij dezen. Dankjewel alvast!

Klaar voor de start

‘Zo fijn dat ik het gevoel heb dat je er klaar voor bent,’ zei ik tegen Aran, terwijl we met zijn koffer naar het schoolplein liepen.
Hij ging op kamp. Maar het was méér dan klaar zijn voor kamp, het was ook de midddelbare school, een nieuw leven, een nieuw ritme.
Het plein was vol kinderen en ouders in kluitjes. Sinds corona, gescheiden onderwijs en algeheel opgroeien zijn de kaarten geschud. De populairste meisjes hun eigen planeet, met wat sattelieten er omheen, de jongens in twee groepjes te verdelen; de steppers en de niet-steppers. Maar toch ook; verbonden met elkaar, allemaal, zich meer bewust dan ooit van de tijd, van het voorbijgaan ervan.
We wachtten.
De bus kwam niet.
Toen werd er omgeroepen dat de bus pas om half elf ging komen, waarschijnlijk. Want ook dat is sinds corona aan de hand; een duidelijk zwabberende school, met valse coronameldingen waardoor je kind opeens thuis zit – en dan weer niet – en blijkbaar ook een onvermogen om nog afspraken over bussen te kunnen maken. Het is maar goed dat er hierna even zes weken géén school is.
‘Ik ben er klaar voor, maar ben jíj dat wel?’ Aran had het me kunnen vragen, maar in plaats daarvan voelde hij verschrikt aan zijn jaszak, lachte toen. ‘Ik dacht even dat ik mijn telefoon vergeten was. Maar die mag niet mee. Drie dagen geen telefoon!’ Hij keek verbijsterd bij het vooruitzicht, drie hele dagen.
Er was zoveel om klaar voor te zijn.
Misschien dus best goed om ook nog even te wachten.
Op een bus, bijvoorbeeld.

Liefde in een bootje

Gisteren was ik met Aran naar zijn nieuwe middelbare school en dat was net een reünie. Anouk was er, die ooit bij mij aan de bar in het Kremlin zat en die nu opeens een tweeling van twaalf heeft. Er was ook een vrouw die zeker wist dat ik met haar in een bootje op Terschelling had gezeten. Dat kan, zei ik bedachtzaam, hoewel Terschelling me iets bekender voorkwam dan dat bootje. Die vrouw kende ik van gezicht, dat wist ik dan weer wel, dus tot zo ver was ik aan boord.
Ze dacht verder, er zat ook een jongen in dat bootje, en tijdens die paar dagen dat we op Terschelling waren geweest, was er een liefde tussen mij en die jongen ontstaan. Heel mooi had ze dat gevonden, om te zien. Ze wist het steeds zekerder.
Ik vond het een fijn beeld, ikzelf, in een vroeger leven, op een bootje, dagenlang, op een eiland ook nog, met een jongen dus, opbloeiende liefde.
‘Weet je het nog?’ vroeg ze hoopvol.
Nee, dacht ik, helaas. Maar ik zei: ‘Het zóu kunnen.’
Wat waar was, toch?
Ik dacht van niet, maar het zou kunnen.

Mijn Griffel en ik

Nadat ik was thuisgekomen met mijn griffel, mocht Milo hem vasthouden. Dat was leuk, we waren alleen thuis, mijn achtjarige en ik. Hij had de griffel in beide handen vast en keek naar me met een nieuwe blik in zijn ogen. Bewondering misschien, maar eerder nog: verrassing. Gut, die moeder van mij kán iets.
Zodra er bezoek kwam (en dat kwam) ging Milo de griffel snel pakken. Om te vertellen dat ze hem er niet uit mocht halen, uit dat doorzichtige doosje, want dan ging hij stuk.
Later legde iemand me uit dat dít het moment is om aanvragen te gaan doen. Dat ik me nu moet laten uitnodigen met hulp van die gulle tijdelijke regeling via de Schrijverscentrale van het fonds (dus no profit organisaties; grijp je kans, nodig me uit, want dan kost ik dus niks), om me te profileren.
Maar ik weet nooit zo goed hoe dat moet.
Dus hou ik me vast aan mijn pen, en schrijf dit berichtje.

Beste broers heeft een zilveren griffel gewonnen!

Gisteren werd ik verrast bij de uitgeverij, waar ik nietsvermoedend dacht over mijn nieuwe verhaal te gaan praten. Beetje trillerig, maar heel trots en blij hoorde ik daar het juryrapport en ik kreeg bloemen en die griffel in dat mooie doosje wat hem nóg echter maakt.
Vandaag om vier uur mocht ik het vertellen, maar ik had al twee blije broertjes die het van mij op school mochten fluisteren (niet aan het CPNB vertellen).
Ik roep: hoera!

(fotocredits: Su Mee Tan)

Blaadjes branden

De blote kuiten van de vorige foto begonnen me een beetje tegen te staan, dus dit stukje is geschreven uit eigenbelang. Maar het gaat over mijn moeder. Over mijn moeders bankje, waar we gisteren wat gingkoblaadjes aan toevoegden. Wat niet mag, dus ik noem geen namen en ook geen locaties.
Maar ik ben wel heel blij dat het gelukt is.
Het zijn van die lange routes op de achtergrond. Als je lijstjes zou bijhouden stonden ze er jaren op: brandstempel, bankje, iets om mijn moeder aan te herinneren, iets wat haar zelf ook mooi leek. Ze staan er zo lang op dat je je eraan begint te hechten. Misschien dat mensen daarom sommige lange termijn dingen nooit doen; ze zijn te gehecht aan die woorden op hun lijstje. Kleine woord-boeien.
Maar zo’n mens ben ik niet. Ik ben blij dat ze eraf mogen, dat daar nu een bankje tegenover staat. Het bankje, de blaadjes, dat wij er stonden, gisteren, op die geheime locatie.
We dronken na afloop cava en ik hou niet van cava, maar dat gaf ook al niet. Soms is wat je drinkt een symbool voor liefde en herinnering, niet vaak, nu wel. Ik hoefde niet zelf terug te rijden, dat scheelde ook.

In de rij

De mevrouw achter me stond met twee hippe Marokkaanse jongens te babbelen. De ene had een zusje met het syndroom van Down, dus hij vond het belangrijk dat hij gevaccineerd werd. De mensen voor me zeiden niks. Aran begon ondertussen aan de andere kant van de stad aan het NK schaken voor scholen.
Het was mooi weer, ik was op tijd – wat dus niet veel uitmaakte – de rij was zo Efteling dat ik aan het einde van de rit op zijn minst een boomstam die in zo’n waterbak plenst verwachtte.
Met mijn vader was ik ook al twee keer geweest, daar waren de hallen leeg en was er koffie na afloop. Nu stonden we hutjemutje, maar we zijn toch al bijna veilig, denk ik dat iedereen dacht.
De mevrouw achter me en ik werden eruit gevist; wij moesten naar een andere rij. De rij voor eerstelingen.
‘Ik heb speciaal op Pfizer gewacht,’ zei de mevrouw. ‘Want AstraZeneca durfde ik niet aan. Maanden stress gehad.’
Vaccinatiemerken; glijmiddel van ieder gesprek.
‘U krijgt Moderna,’ zei het wegwijsmeisje. ‘Die kant je moet je op.’
‘Geen Pfizer?’ De mevrouw vond dat helemaal de goede kant niet, maar ze ging toch.
Splitsingen in rijen van rijen en daarna een stoel en een mevrouw die me haar hokje in trok. Nog voor ze hallo zei zat de prik er al in.
‘Werk ze nog,’ zei ik. De mevrouw keek een beetje verbaasd.
Toen nog een kwartier wachten op bijverschijnselen, met alle witte plastic stoelen dezelfde kant op. Zoals vroeger op de basisschool, dat je deed alsof je in een bus zat, en dan zingen. Het was in ieder geval geen waterbak.
Mijn telefoon trilde. Foto’s mochten hier niet, naar je scherm kijken wel. Arans schaakteam werd zesde.

Bakens

We hadden het erover dat Anna nog steeds, al jaren, om de drie dagen een blog schrijft. Dat heel veel mensen haar lezen.
‘Heb ik wel gedaan,’ zei ik. ‘Maar ik durf zo vaak niet te schrijven. Het is of te privé of juist te politiek.’
Anna wuifde het weg, ze had er geen last van. Misschien door dat driedaagse ritme ook. Zoals ademhalen, dat doen de meesten ook vanzelf – waarmee ik niet wil zeggen dat het schrijven blogs geen moeite kost trouwens (en ademhalen valt ook nog weleens tegen). Liefde en discipline zijn de basis. En – in mijn geval dan toch – moed.
Later ging het over haar vermogen om een baken te zijn. Met vaste dinsdagavonddiners voor haar dochters plus aanhang, een huisje op Texel in de zomer. Knap vind ik dat. Fijn ook, als ik weer eens hard aan het zwemmen ben en geen idee heb waar naartoe. Dan zijn er bakens, dat weet ik gewoon. Zelfs met zout in mijn ogen.
Later, toen ik alleen in de bed lag, de witte wijn tolde nog wat door mijn hoofd, zag ik die zee weer voor me. De golven, de muistromen, ‘the undertow’ in het Engels – er zijn wel tien boeken met Undertow in de titel.
Misschien mag ik dan de dolfijn zijn, dacht ik voor ik in slaap viel. Later op de nacht dacht ik er weer anders over. Van die doorzichtige diepzeevissen met lampjes, enge spinachtige kreeften, dat soort beesten. Maar dat was later.

Supermanlollie

Vanmorgen heb ik het wereldrecord traktaties maken verbroken. Coronaproof ook nog. Milo is in de vakantie jarig geweest en ik had het bedacht van tevoren, dat dinsdag een goeie dag zou zijn. Dan is er de leuke juf (de andere is ook leuk, maar vaker boos), dan hebben ze die eerste rommelig nadevakantie-maandag al gehad.
Perfect.
Behalve dan dat ik het was vergeten.
We hadden drie kwartier.
Dus snel naar de jumbo, voor lollies, want het moet verpakt, dus dan kun je kiezen uit lollies en chips.
We hadden supermannetjes bedacht. Of bedacht, afgekeken van internet. Milo zat thuis de maskers met de ogen te knippen en te kleuren en daarna in supersnelle samenwerking zelfs hier en daar nog wat capejes aan die lollies geplakt, ik pulkte net nog wat lijm van mijn vingers.
Ik ben geen knutselaar, doe mij maar banjeren en verhalen vertellen, gelukkig is Milo handig en geduldig met me.
Hij liep er zelf mee naar binnen, alle superlollies in een ‘door kind draagbare bak’ – want dat is ook nog iets, dat je niet als hulpje de klas in kunt hollen om alle losgelaten oogjes nog snel even met wat spuug (mag tegenwoordig ook al niet meer, spuug) vast te plakken.
We hebben het gered. Nu is hij echt acht.