Neushoorns in het Noorderpark

Er zit een oogziekte in mijn familie waarvan ik lang heb gedacht dat hij ‘stargaze’ heette. Meteen het mooiste onderdeel ervan, die naam. Of ik ‘m heb weet ik nog niet, daar ben ik nog te jong voor. Maar ‘sterrenstaren’ is wel iets wat ik veel doe, de laatste tijd. Meestal nadat ik een tijdje peinzend naar de kranten heb gekeken.
Al die boze mensen en de term ‘onrecht’ – en dan ruzie maken bij wie die term het meeste hoort.
Laatst was ik in het Noorderpark om een audiowandeling voor te bereiden die Roald en ik daar eind december gaan presenteren. En toen zei Edwin Gardner, mijn visionaire wandelpartner, dat we een soort raam van oranje licht over de steden hebben gebouwd. Een raam van licht, waardoor we de sterren minder goed kunnen zien. Dat we ons daarom misschien wel minder verbonden voelen met dat enorme heelal om ons heen. En ik dacht aan mijn alsmaar groeiende behoefte om mooie dingen te maken, om even weg te kijken van het modderige nu. Sterren zien. En als ze er niet zijn, dan gewoon dwars door de lelijke dingen heen reiken en ze tóch zien. Niet om te vluchten van de realiteit, maar als een daad van verzet.

De mix

Het leven is opgedeeld in allemaal totaal verschillende brokjes deze maand. Veel schoolbezoeken, soms een pabo, dan opeens een schaaktoernooi of een (geweldige) eerste dag van een podcastcursus. Ik hou het bij door heel veel in mijn agenda te kijken. Niet omdat ik niet weet wat er komt, maar omdat het iets geruststellends heeft om vaak te herhalen dat ik het wèl weet. Komende woensdag ga ik wandelen met mijn vader, want dan is het twee jaar geleden dat mijn moeder overleed.
Gisteren was ik even bij hem, in dat huis waar de leegte overal voelbaar is, maar het meest in de badkamer, omdat daar wasspullen wonen die alleen zij gebruikte, zoals anti-regen-coating en kwetsbare-kleding-verzachter. Dat weet ik door die eerste maanden na haar dood, toen opeens alle was kleddernat uit de wasmachine kwam. Stuk, dachten we, want dat ding is ook al behoorlijk op leeftijd.
Maar nee. Mijn vader bleek steeds het verkeerde programma te kiezen, zonder centrifuge.
‘Je moet de mix nemen,’ zei ik, na enige bestudering van het ding. ‘En dan gooi je er zo’n was-pod bij, dat is het makkelijkste.’
‘De mix,’ herhaalde hij ernstig. ‘De mix. Die zal ik voortaan nemen.’

Feestjes

Er was een feestje gisteren; de Gouden Kinderboekenborrel in het verre Amsterdamse westen, naast de Kweker, op een groot terrein met niets dan voedsel. De plek waar de beste chefkok ter wereld Natasja (toen ze nog in Nederland woonde) naartoe ging, gewapend met een magische toegangspas. Het feest vond plaats in de Centrale Markthal een pand dat 25 jaar leegstond. Waar tot mijn verrassing nu de Cantina Mobile draaimolen en de andere vertrouwde tenten van de Aprilfeesten stonden, omdat bleek dat Igor en Coen daar onder andere de scepter zwaaien (dat is dus altijd bijvangst bij feestjes, dacht ik nog, dat er mensen rondlopen die je al heel lang kent, maar lang niet zag en die dus gewoon nog bestaan en toffe dingen doen).
Ik won geen goud, maar Pieter Koolwijk met Gozert wel en dat gun ik hem zeer.
Ik koester mijn zilver en vond het feestje helemaal gelukt. Dat is dus dubbele winst, want ik was een beetje feestjesbang geworden de laatste tijd, door al dat thuiszitten misschien. Ik ga dus om te oefenen voorlopig naar álle feestjes die ik tegenkom. Of nou ja, toch minstens nog twee. Sommige mensen beklimmen de Mount Everest om hun dapperheid te oefenen, ik doe glitter op mijn oogleden.

Holwerd

We logeren drie dagen in een huisje in Friesland, mijn vader, mijn tante en ik. Het uitzicht is grasland, twee paardjes en een schuine wilg met een bordje: Donot feed!
Achter de paardjes: boomgroepen met een ritme, van groot naar klein en weer terug.
Er zit iets geruststellends in dit uitzicht. Als ik hier zou wonen en geen kranten meer lees, dan gebeurt er niks in de rest van de wereld.
Dan gebeurt het allemaal hier. Dan waait het, dan is de zonsopgang uitzonderlijk mooi of juist wat flets. Dan is er misschien iets met een paardje, het veld wordt kaal gerooid, groeit weer aan, stinkt. Als ik een tweede leven zou hebben, zou ik het kijkend doorbrengen. Misschien niet hier, als ik dan toch ga kijken kies ik de Highlands van Schotland. Elke dag hetzelfde en toch anders. Ik weet zeker dat ik me zal vermaken.

De ochtend koesteren

Milo liep de hele ochtend al rond met Arans rugzak omdat ik had geroepen dat ik kleine jongens met grote tassen zo lief vind. Iets later fietste ik een stukje met Aran mee richting middelbare school. We hadden het over huiswerkstrategieën. Of we een kleurenprinter nodig hebben voor BeVo (bij ons heette dat handvaardigheid), maar hij kon er misschien op school wel eentje reserveren. Nooit had ik bedacht dat je zo’n gesprek met je kind gaat voeren, op een gegeven moment. Naïef natuurlijk, dat ik dat niet had bedacht, maar daardoor des te leuker nu het gebeurt. Zo heel eenvoudig, zo vers alles, voor hem.
Nu al is hij groot. Van sommige stukjes weet hij het zelf nog niet, maar ik zie het. Met twaalf. Wow.
Ik stopte bij mijn studio om aan het werk te gaan, hij reed verder. ‘Nee, je hoeft echt niet nog een stukje mee.’
Bijna uit zicht zwaaide hij nog even. Ik zwaaide terug, want natuurlijk keek ik hem na. Een meneer die net langswandelde meende dat ik naar hem zwaaide.
‘Lovely day,’ zei hij met een verlegen glimlach.

Klusbroek

Laatst kwam er een politieboot met zoveel vaart voorbij dat bij ons de rioleringsbuis brak en bij de buren de gasleiding. Dat is botenleven. Net zoals ik nu, bijna als vanzelf, de drang begin te voelen om gangboorden schoon te spuiten en te schilderen. Ik stel me voor dat tuinieren ook zo werkt, naar de lucht kijken, proberen te ruiken of er regen komt. En dan, in geval van verf, besluiten om het er toch op te wagen (waarna even later de regen putjes in dat dunne verfhuidje nagelt). Klusjes die langzaam – en dan bedoel ik ook langzaam – inslijten, waar ik járen over deed, elke winter weer te laat, gut dat is veel roest zeg. Oh nee, we hadden toch iets met dat lek moeten doen. En dan was het te koud, te bevroren, of in het algemeen; te laat. En dan verlangde ik naar een huis. Maar goed, heel traag dus komt die verf onder je huid te zitten. Ik zeg: Owatrol. Antiroestverf, ik bleek er maar half tot mijn verbazing wel vier bussen van te bezitten. Ook een teken van de herfst: als het halve bussen Owatrol begint te regenen. Tijd om te smeren, in te snoeren en af te dekken. Waar is mijn klusbroek.

Wieden en weven

Ik ben er doorheen, alle zin van Zeemeermeisje zijn gezien en gewogen. Mijn nieuwe kinderboek, dat hoop ik in het voorjaar gaat uitkomen (toch, Monique?). Deze laatste herschrijfrondes voelen als stofzuigen en tegelijk controleren of de plafonds wel deugen; het voelt als alle kanten tegelijk op kijken, terwijl ik met een verfkwast in mijn broekzak ook hier en daar nog wat blauw aanbreng. Of nee, groen, of nee, geel. Schrappen, versimpelen, optuigen en dan toch dat opkruipende gevoel: ik moet er nóg eens doorheen. Om te zien of dat prille lijntje wel werkt. Hardop lezen – is er niet iemand die werkelijk niets te doen heeft, en waar ik dan even mag komen voorlezen. Of beter, ik spreek het in, mijn opnameapparaatje, waar had ik dat ook alweer. Zo warrelt mijn hoofd nu, terwijl de stemmen van de personages alweer wegebben en ik probeer te bedenken of de balans wel klopt.
Met Aran lees ik op dit moment de Geheime Tuin uit 1911. Waar het pagina’s lang over plantjes gaat, over rozen en de ‘grijze waas’ die over die rozen ligt. Wat me steeds verrast is dat schrijfster Frances Hodgson Burnett keurig uitlegt wat er in die kinderen omgaat. Waarom ze zo stralen en alsmaar ‘dikker en gezonder’ worden door de frisse heidelucht, waarom ze zo draven en schateren van het lachen. Zinnen die soms een halve pagina lang lyrisch doorkronkelen.
Voor de lezer van nu voelt het alsof de piketpaaltjes zijn blijven staan: hier wat tranen, daar de blijdschap omdat de lente zo prachtig is, hups nóg een fikse kledder extase. Bevreemdend maar verleidelijk, want ik heb ze de hele ochtend, de afgelopen weken, allemaal uit die grond lopen rukken, die paaltjes. Niet teveel uitleggen, laat de lezer zelf maar voelen wat hij voelt, laat de personages maar dartelen zónder duiding. En als ik het straks dan heb ingesproken en afgespeeld, als ik het heb geprint en mijn meelezers heb gesmeekt het nog één keer te lezen, als ik dat allemaal heb gedaan en ze snappen er alsnog niks van, nou, zo troost ik mezelf, dan ram ik die paaltjes er de volgende ronde gewoon weer in.

Geen foto, toch beeld

Daar fietste hij met zijn kaftpapier in zijn nieuwe tas op zijn rug, op weg naar de middelbare. Ik ging mee tot vlak na de drukte bij het Centraal Station, vanaf daar kon hij het zelf, zei hij. En dat geloofde ik, dat is namelijk zo. Toen ik me omdraaide en terugfietste, terug naar mijn studio, terug naar dit verhaal, voelde ik dat elastiekje tussen ons dat steeds verder oprekte en toen losschoot. Gelukkig bouwen we steeds nieuwe lijntjes. Met nieuwe mensen, met geliefden en met Aran hóef ik helemaal niet te bouwen. Wij zitten op heel veel manieren voor altijd aan elkaar vast. Min de basisschool.

Zoete regen

Achterin de Dom zaten Femke, Lonneke en Hans, speciaal voor mij, als moderator van het Gesprek van de Dag. Van blijdschap vergat ik me prompt voor te stellen bij de introductie, maar daarna ging het goed. Dit keer waren Alexandra Broeder en Michel van den Bogaard te gast, we hadden het over kinderen en schapenkinderen. Ik vind het elke keer magisch, met zijn allen zoeken naar woorden, naar manieren om na te denken over veelhoekige onderwerpen. Zonder conclusies, maar altijd met winst.
Na afloop zaten Femke, Lonneke, Hans en ik buiten met bier en deden we net alsof het niet regende. En wij niet alleen, er waren meer mensen op het terras, en die deden ook allemaal alsof het niet regende. Die deden ook allemaal alsof het niet eigenlijk nét een tikkie te koud was voor een zwoele augustusavond. We deden dat omdat we zo blij zijn dat er een festival is. Dat we buiten kunnen zitten. Omdat we het gevoel hebben dat wij deze plek pas net hebben ontdekt en nog niet al die andere mensen die vast en zeker nog gaan komen. Wij liepen voorop in de verse sneeuw. Of nou ja, sneeuw. De zoete regen.

Vertrouwen in de medemens

Toen ik ooit begon bij NRC Handelsblad werd er vaker gevraagd of ik gesprekken wilde modereren. Soms zei ik ja, maar dan had ik altijd meteen spijt. Zo’n afspraak ging dan als een wolkenkrabber in mijn agenda staan, en dan kon ik er niet meer omheen kijken. De hele tijd dacht ik alleen nog maar aan dat gesprek. En mijn zenuwen groeiden.
Het gesprek zelf – of wat het ook was dat ik zo openbaar op een podium moest doen – ging altijd wel goed, maar het kostte me zoveel energie dat ik mezelf plechtig ontsloeg van mijn ingebouwde neiging om alles uit te willen proberen. Presenteren hoefde niet. Net als autorijden, trouwens. Ik had ook al jaren mijn rijbewijs maar zodra ik in de auto zat werd ik extreem achterdochtig en dacht ik alleen nog maar een de mogelijkheid van tijdelijke (of permanente) waanzin bij al mijn medeweggebruikers. Ik anticipeerde me gek, waardoor ik altijd krasloos, maar uitgeput op mijn bestemming aankwam.
Met een tikkie meer vertrouwen in de medemens sleet langzaamaan mijn angst voor het autorijden. Mijn angst om te presenteren had een omweg nodig. Eerst ging ik kinderboeken schrijven. Toen kwamen daar schooloptredens bij. Bovendien werd Milo veel te vroeg geboren en ging ik om geld te verdienen lesgeven, ook een soort optredens.
Pas toen ik me dát realiseerde – dat ik het al deed – begreep ik twee dingen: ik kan het en ik vind het nog leuk ook.
Dus kom maar door, toekomst, met nog veel meer gesprekken, bijeenkomsten, bijzondere workshops; ik wil die kar wel trekken.
Om te beginnen met de Gesprekken van de Dag. Deze hele week nog, tot en met zaterdag.
Straks, om vier uur, modereer ik een gesprek over mannelijkheid met theatermaakster Marte Bonenschansker en mannencoach Guido Spijk. Naar aanleiding van de voorstelling Bloos, de mannen. Kom maar kijken in het Zuiderpark in ’s Hertogenbosch, de kaartjes zijn gratis, maar je moet je wel aanmelden.