De Kleine Cervantes 2018

In mijn mailbox de uitnodiging om op 8 mei naar Gent te komen. Want Weg is genomineerd voor de Kleine Cervantes 2018, van de stad Gent. Eerder was Olivia ook genomineerd, maar het is me nooit gelukt om toen in Gent te geraken, ik weet niet meer precies waarom. Angst, waarschijnlijk, daardoor leek Gent opeens zo ver weg.
Mag je als stoere jongen natuurlijk niet zeggen, dat je het eng vindt, maar het is de waarheid. Ik stel me voor dat ik daar iets moet gaan doen. Dat het de bedoeling is om met al die 150 jongeren vrienden te worden, in één dag. En dat die andere genomineerde boekenschrijvers dat ook allemaal proberen. Het gaat om deze boeken:
Hoe Tortot zijn vissenhart verloor, Benny Lindelauf en Ludwig Volbeda: Querido kinderboeken
Dromer, Saskia Maaskant: Uitgeverij Davidsfonds
Wat niemand ziet, Martijn Niemeijer: Leopold
Vals nest, Beatrijs Peeters: De Eenhoorn
Weg, Jowi Schmitz: Hoogland & Van Klaveren

Gelukkig las ik net Hoe Tortot zijn vissenhart verloor en dat bleef nog dagen aangenaam nazinderen in zijn hoofd. Dat helpt al iets, want nu heb ik zin om Benny (en Ludwig, maar die ken ik eigenlijk niet) te vertellen hoe fijn het was om even in de wereld van Tortot en halve George te zijn. Ik heb ook zin om de andere boeken te lezen nu. Dan kom ik in ieder geval wat leeswerk betreft moeiteloos bij 8 mei uit.
En nu ik hier eenmaal ben, op deze plek in dit verhaal, snap ik ook opeens hoe dat met die angst zit. Die heeft niet zoveel zin. Wij, de genomineerde schrijvers, zijn namelijk die eigenaars van hondjes die meedoen aan een wedstrijd. Iets minder knap gekapt wellicht, en iets minder met de pootjes omhoog bij het rondjes lopen, maar de overeenkomst is toch bovenal dat wij niks meer hoeven. Laat onze boeken die hoepels maar nemen. Dan kijken wij, met rechte ruggen en wenkbrauwen verwachtingsvol opgetrokken, toe.

 

Naschrift: Annie van de organisatie stuurde me heel lief het zinnetje waarmee ik afzei, destijds in 2013: het was de dag dat Aran zou gaan wennen op de basisschool. In de praktijk was het de dag dat Milo geboren werd. Dus lang leve blogjes: nu begrijp ik mijn angst, ik heb m vrolijk vijf jaar mee getild. Is niet meer nodig, denk ik. Misschien iets symbolisch gaan doen daar, in Gent. Een glas melk drinken ofzo.

 

Groei

Terwijl Aran de sterren van de hemel judoot wandelen Milo en ik langs het veld met de narcissen. Hij blijft peinzend staan en zegt: ‘Als je jarig bent, dan word je groter, toch?’
Ik knik, je wordt ieder jaar groter. En ieder jaar kun je meer.
Klopt, zegt Milo. Vorig jaar kon hij nog niet eens een rondje draaien aan de rekstok, bijvoorbeeld. Sterker nog, hij kon er niet eens bíj.
Als hij dit jaar jarig is dan…Hij kijkt me schattend aan. ‘Hoeveel centimeters krijg ik, denk je?’

Hakken

Er lag een oude mango, dus we gingen een smoothie maken. Dat hadden we zonder die mango ook wel gedaan; Milo en ik vinden het leuk om te hakken, namelijk.
Milo op het aanrecht, mango ernaast. Ik mepte een glas van het aanrecht, het viel met een knal aan stukken. Zieke Edwin uit zijn bed, die het glas van zijn kant opveegde, want de keuken is smal en was bezaaid met glassplinters.
We kozen bananen, bevroren en niet bevroren. Ik deed net het kapotte glas in een kartonnen bakje, toen er weer een knal klonk: de grote glazen kan van de blender stuk. Dat was een heleboel meer glas. Dit keer een keihard huilende Milo ook, want dat doet hij als hij schrikt; dan wordt hij boos en (een tijdje) ontroostbaar.
Ik tilde hem voorzichtig van het aanrecht, hij holde naar boven naar de stuurhut om daar uit te huilen. Huilen met uitzicht op golven, het leek me gezien de omstandigheden een goeie keuze. Edwin wéér uit bed, ravage opgeruimd.
Toen hadden we dus een missie.
Op zondag, in de storm, met zijn vieren. Met een zieke, eentje die het huilen achter zich had gelaten, eentje die liever op een schermpje had gezeten (maar ja), en eentje die vond dat we moesten gaan. We hebben in alle ernst een nieuwe uitgezocht. De mango stond nog klaar. Wat bleek bij thuiskomst: hij deed het. Misschien nog wel beter.

Begrafenis

Gisteren begroeven we mijn oom Rob, de vader van grote Aran. Hij was dikke vrienden met mijn Aran, kleine Aran, we noemden hem opa Bos of opa Tak. Als ze elkaar zagen, gingen ze lopen, heel eensgezind. Dan gingen ze takken zoeken. Takken die steeds groter werden, maar die evengoed werden meegesleept, neergezet, goedgekeurd.
Kleine Aran wilde dus naar de begrafenis en Milo moest ook mee van hem, hij wilde met zijn allen. Dus we gingen we met zijn allen. Het IJsselmeer was bevroren en rondom het kerkje blies de ijzige wind. Binnen was het warm (ze waren twee dagen van tevoren begonnen met verwarmen). Mijn tante had zo’n grote Rob/Aran-stok bij de kist gezet. Aran bekeek m.
De verhalen die over Rob werden verteld waren liefdevol en mooi. We hadden het er van tevoren nog over gehad, dat het belangrijk is om te markeren, het moment dat iemand vertrekt. Dat het fijn kan zijn om het met elkaar te doen, ook al is het verdrietig.
Soms huilde ik en dan keek Milo me verontrust aan, ik had verwacht dat hij me zou willen troosten maar hij leek eerder boos. Ik moest niet zo gek doen.
Later werd de kist naar het graf gedragen. Er werd geen aarde op de kist gegooid; die was bevroren. We stonden er in een kring omheen. Bij de koek en zopie in het café om de hoek vroeg ik Aran hoe hij het vond. ‘Ze zijn de stok vergeten’, zei hij.
Maar dat was niet zo, gelukkig.

Cheetah

Het hartje op de koffie is mislukt, waar ik dan meteen iets achter zou kunnen zoeken, maar ik ben veel te blij dat er koffie is. Na een nacht vol rondhuppelende poezen en schrikkerige bedgenoten. Een echo van vroeger, een gemene grijns, toen de nacht minstens zo slopend was, maar zich heel wat avontuurlijker op tafels afspeelde, gin tonic in de hand, of zwalkend met maten door de straten, als wolven de weemoed behuilend. Dit leven, zo scherp, zo weinig tijd en ik schrijf zo snel mogelijk om al die verhalen bij te houden, tot ik luid en duidelijk op papier heb staan. Het wordt een race tegen de klok. En de neiging me ervoor te excuseren blijft, vandaag vroeg iemand of ik diegene was die drie jaar geleden een artikel schreef in Ouders van Nu, over Milo. En een halve tel gleed er de mogelijkheid tot een ander leven voorbij. Door te ontkennen. Een leven zonder kinderen, vol reizen en al die verhalen allang geschreven. Hoewel, dus, niet díe verhalen. Want ze vormen ons. Al die dierbaren, met en zonder hobbels, of weerhaakjes. We horen bij elkaar. Of, zoals Milo vanmorgen tevreden vaststelde: ons hele gezin is een cheetah.

Geef mij maar een chai, want (ha)chi

Bijna was ik naar Judo meegegaan vanmorgen. Iets vroegs in Beverwijk. Want Aran judoot nogal veel de laatste tijd. Altijd grappig natuurlijk, hoe de keuzes die je maakt zo heel anders uitpakken. Ik dacht: ik doe hem niet op voetbal want dan hoeven we straks niet twee keer per week te trainen en nog zo’n bonuskeer langs zo’n klam veld te staan in de vroege ochtend. Zijn we alsnog vier keer per week met judo bezig – alleen dat klamme veld ontbreekt (woehoe).
Je schijnt dan als ouders offers te moeten brengen, want anders lukt het niet. En met twee kinderen sla je al snel allebei aan het offeren, gaat Aran naar het toernooi, kan Milo leuk met de ander mee. Naar een museum ofzo.
Maar, vind ik, als het als offeren voelt, is het sowieso een slecht plan. Dus was ik vandaag nog slimmer. Ik heb alle jongetjes uitgezwaaid en ben daarna op mijn hoofd gestaan. Even anderhalf uur yoga, verder niks. Heb ik straks lekker brede armen als ze vermoeid en mopperig terugkeren naar t nest. Niks offeren. Investeren. In het hele gezin.

 

Rotkont

Bij verstoppertje: Ik had jou wel gezien, poepneus!
En bij de versjes komen we altijd uit bij ‘wat rijmt er op Rikkie’. Kleuterhumor, moet toch eens aan mijn ouders vragen of er ik er vroeger ook zo blij van werd. Met Aran scheerden we er al langs, toen waren het vooral vieze liedjes die we op de fiets fluisterden, nu loert de vrolijke viezigheid overal. Liefst met Sinterklaas er ook nog bij, en een wc natuurlijk, voor extra toegevoegde stoutheid. Het leven wordt er zo overzichtelijk van. Een simpele wandeling naar school levert snotsoep, haarsliertjes, een blurpfiets, en, omdat Milo even heel erg boos was, een heuse Rotkont op.

 

Prachtgloei

Vannacht klom er een gloeiend ventje in het grote bed. Bleef daarna klagen dat hij niet lekker lag. Voetjes in mijn rug. Hand op mijn neus (even knijpen), veel te warm lijfje tegen me aan, over me heen, toch weer van me af. Op de deken, onder de deken. Het is dat de gordijnen dik zijn, anders hadden we het licht kunnen zien worden. Toen ik uiteindelijk moeizaam begon met opstaan, lag hij te slapen. Ik keek een tijdje naar mijn langharige nachtmonstertje.
Hij was prachtig.

Huiler

Aan de overkant hebben we een huiler. Elke ochtend sta ik er met mijn jongetjes naar te luisteren. Een mannenstem, die laatste gesmoorde schreeuw voor de noodlottige sprong. Maar dan vrij hard voor een gesmoorde schreeuw. En vrij vaak.
Moet ik de politie bellen, vroeg ik me de eerste keer af. ‘Er staat een man te schreeuwen aan de overkant van het Amsterdam Rijnkanaal, kunt u even komen luisteren.’ Het was bijna half negen, schooltijd. De jongetjes klommen voor- en achterop mijn fiets, ik zette af; we lieten de man eenzaam achter.
De tweede dag was hij er nog steeds. Nog net zo troosteloos. ‘Zou het wel een echte man zijn?’ opperde Aran, iets wat ik me ook afvroeg, inmiddels. We liepen naar school. De stem huilde ons na.

Vandaag besloten we te weten hoe het zit.
Het is de grond, de aarde aan de overkant. Want ze zijn er aan het bouwen. Grote kranen zwenken en zwenken, met alsmaar meer loodzwaar bouwmateriaal dat de grond aandrukt, indrukt, pijn doet.
‘Bebouw mij niet,’ gilt de aarde. Met steeds diezelfde zielloze, intens verdrietige schreeuw. Als in dat verhaal van Roald Dahl over die man die een apparaat heeft waarmee hij het knippen van de rozen kan horen. Het knakken van de stelen, de afscheidskreet van de bloem.
Als de bouwkranen verdwijnen zal het schreeuwen over zijn, dat weten we heus wel. Wij zijn slechts getuigen van de tijd. De tijd dat er niets dan aarde was. Het moment dat die tijd voorbij ging.