Niet alles werkt

Maar dat is ok. Dat is het thema van vandaag. Er is regen, mijn hoofd is nat, de wifi wankelt, maar we fixen het. Mijn hoofd droogt op de wifi waar ik een monteur op af heb gestuurd. Dat ik dit bericht schrijf in een mij volkomen vreemd format (WordPress leren, ooit, – lang leve Arjen Klein Poelhuis – staat ergens bovenaan een lijstje (dat ik kwijt ben, dat lijstje), dus daar komen we ook wel weer uit. Waar had ik mijn regenjas ook alweer.)

Mazzel

Maar ik had geen tijd om te mijmeren want ik moest naar huis om risotto te koken en dat vond Milo heerlijk en Aran zo vies dat hij niks at.
Toen hebben we, na enig wikken en wegen, afgesproken dat je één gerecht mag kiezen dat je echt zó vies vindt dat je het niet meer hoeft te proeven. Dat je meteen door mag naar de boterham met pindakaas.
Aran heeft dus risotto. Edwin tomatensoep. Milo wil na enig nadenken liever geen schilderijen eten en ik kook bijna altijd, ik heb mazzel.

Heler

Mijn fysiotherapeut is een wonderman. Hij repareerde mijn rug door aan mijn heup te trekken -dat was best eng, maar wat werkt mag eng zijn- en hij is er nu van overtuigd dat die schouder die het al honderd jaar niet meer doet, toch nog te fixen is.
Er zijn niet veel mensen die goed naar je kijken, dus ik word altijd een beetje zenuwachtig als ik voor hem uitloop naar zijn kamer (kantoor? ruimte?) in het fysioverzamelgebouw. Ziet hij dat hupje waar ik vroeger zo om gepest werd? Hou ik mijn hoofd wel recht? En dan ook nog die vraag hoe het gaat. Toch al zo’n lastige, maar dan met een heel lijf erbij. Moet ik vertellen van dat verkouden oor, of dat ik wakker lig van geldzorgen? Of telt alleen het skelet. Een pijnlijke knie ofzo – die ik niet heb. Ik kies voor: ‘goed’, hij trekt een wenkbrauw op en zegt dat ik een rondje moet lopen. Wat ik doe. Waarna ik moet armheffen. En we doen oefeningen waarvan hij zegt dat ze heel goed werken. En ik zeg nog eens ‘goed’. Omdat ik denk, omdat ik hoop, dat het zo is.
We zijn klaar, ik loop weer voor hem uit door die gang, over twee maanden een nieuwe afspraak. ‘Want ik wil je een beetje in de gaten houden.’
Ik antwoord, beetje rood, hoofd recht, oei toch dat hupje: ‘Hoe heler hoe beter.’

Erbij

‘Maar ik wil met jou meehee, mama.’ Griep dwaalt nog steeds door de boot, en hoewel de kinderen geen koorts hebben, zijn de lontjes kort, de tranen talrijk. Het etentje zondag bij mijn jarige schoonmoeder gaat onverwachts goed: klein jongetje met vuurrode wangetjes op schoot, dat mijn eten opeet. Vanmorgen is er vóór school al pijn aan vingers, benen en oren. Maar ik ben erbij, besluit ik. Dan maar even geen nieuwe verhalen uitdokteren met de helft van mijn hoofd, terwijl mijn andere hand pap uit een snoetje veegt. Helemaal erbij. Milo dag kussen ‘morgen gaan we samen spelen’, Aran achterop naar school. Fietsen door de mist. Diep nadenken over gym en wat daar leuk aan is. Samen onderweg zijn.

Geen gat, niet te vangen

Ik haal het er weer af bedacht ik me vannacht vol schaamte. Dat bericht over dat zwarte gat. Wat een drama, wat een overdrevenheid. Ik post in plaats daarvan iets verstandigs iets over de politiek. Iets zwart-wits. Tien manieren om je hoofd recht te houden. Iets over lijn aanbrengen, doen wat columnisten doen. Duiden, plaatsen, veroordelen.
Als ik weet wat goed is, wat fout, kan ik helderder leven. En als we dat allemaal vinden, komen we misschien zelfs in Actie.
En dan komt Milo uit bed die heel graag op de Ipad wil. Of anders op de telefoon. ‘Het is geen weekend,’ zeg ik. Want alleen in het weekend zijn we makkelijk.
‘Jawel,’ zegt Milo heel overtuigd. ‘Het is wèl weekend.’
En dat vind ik dan wel weer cool. Wat nou realiteit, wat nou woensdag, je besluit gewoon dat het nu weekend is. Omdat jij dat wil.
Het is wat minder helder, en we moeten het onderweg allemaal zelf verzinnen, maar vandaag is het weekend. Ik ga even uitslapen.

 

 

Jacht

Terwijl aan de overkant van de oceaan een heel continent in zee dreigt te verdwenen, concentreer ik me hier op nieuwe verhalen. Verhalen die het gat na Weg moeten opvullen. Verhalen die iets nieuws vertellen, die mij iets nieuws vertellen, die maken dat ik weer begrijp wat ik aan het doen ben – behalve dropjes eten.

Links van me de kop van een ramenwas-schoonmaakborstel, zo’n meterslange, vastgehouden door een man beneden, met – dat moet toch haast wel – permanente nekkramp. En voor me dit scherm. Waar deze woorden op verschijnen.

Verhalen die ertoe doen. Verhalen over geven en liefhebben en dat je na afloop denkt: hell yeah, ik grijp het vast, dat leven. Ik grijp die verkrampte nek, ik zet er mijn tanden in.  Borstel ik daarna mijn eigen ramen wel even.

Tikje rood

Boekhandel Broese zit naast de Utrechtse bieb waar ik straks lesgeef, ik ben te vroeg. Het is lunchtijd en was er niet een koffiecorner in Broese? Ik draaf naar  binnen, zo de Young Adult boeken in. Geen koffiecorner te zien maar ja, nee, als ik er dan toch ben kan ik meteen even kijken of mijn boek er ligt…Er ligt een boek van me, Schat onder de stad bij de Young Adult boeken. Hoera!
Maar waar is Weg? Weg is weg.
Ik aarzel. Ga ik dat vragen? Gênant, naar je eigen boek informeren.
De man bij de informatiebalie kijkt me uitnodigend aan. Zoekende klant, het straalt van me af. Een nanoseconde wil ik me ook zo voordoen. Als een geïnteresseerde lezer op zoek naar dat ene geweldige boek. U weet wel, in de top 5 van de Volkskrant. Er is nu zelfs een stickeractie op Facebook.
‘Ik zoek mijn boek,’ zeg ik zachtjes. De man haalt er een collega bij en ik moet het nog een keer zeggen, wat mijn wangen nog wat roder maakt. De computer vertelt dat er best wat Wegs zijn verkocht, dat ze hier zouden moeten liggen. ‘Eerst lag er daar een stapeltje’ wijst de collega naar de tafel ‘leuke boeken’.
Maar nu staan ze in de kast, vervolgt ze, echt waar, kijk daar. Of nee. Daar. Of nee. Daar! Ze vist twee Wegs uit een hoekje. Verkeerd weggezet.
Ik bedank en kijk op, recht in het gezicht van Koos Meinderts die blij verrast ‘Wat doe jij hier?’ vraagt.
‘Lunchen,’ zeg ik zo vanzelfsprekend mogelijk.

 

Een echte baan

Ik zit in mijn jaarlijkse ‘ik moet een echte baan’ fase. De vakantie voorbij, grootse plannen, geen geld. Zou het niet makkelijker zijn, denk ik steeds. Iets waarbij ik kan maken, maar dan met een groep, binnen een structuur, iets uitbouwen, in plaats van steeds opnieuw opbouwen.
Mijn hoofd ontsteekt er een beetje van, en met bolle wang hobbel ik naar de sportschool. Dat kan ik tenminste, troost ik mezelf. Bikkelen, doorgaan, jumping jacks. Misschien is daar wel ergens heel erg behoefte aan.