Varken Remco

Mot

Keelpijn, wat eerst een mugje was, zat vanmorgen als een volgroeide mot in mijn keel.
Op zo’n moment ben ik zo blij dat ik geen opera zing. Zolang ik hersenen heb kan ik schrijven. En als ik op de radio moet, nou ja, dan fluister ik desnoods. Ik kan heel goed hees fluisteren. Vroeger had ik een eindredacteur die me er expres vroeg om belde. Maar toen werkte ik nog in een nachtkroeg – niet dat je nu denkt dat ik vroeger altijd keelpijn had ofzo.
Ik probeerde te slikken wat niet ging en toen ging mijn opluchting naadloos over in kinderschrik, angst om te stikken. Angst is als een geur, je vergeet het niet, zelfs als je er nooit aan denkt.

Ik ging yoga. En met de kinderen op pad. We kochten enorme pakken wasmiddel. We gingen naar een kinderboerderij waar een varken rondliep dat Remco heette. Wat ik echt een slechte naam vind voor een varken. De keelpijn bleef, ik negeerde mijn keel,ik knielde bij Remco. Maar hij liet zich niet door me achter zijn oor krabben.

 

2016-08-26 08.09.47

Doorhalen

De kinderen logeren bij oma, de nacht is rustig, vooral dat laatste stukje, zo helemaal voor mezelf. Het is een schok om in het ochtendlicht wakker te worden en te denken: wat is er gebeurd? En dan te weten: er is niks gebeurd, niets dan slaap.
Ziedaar de beschamend kleine wonderen van mijn leven. Zoals lopen langs het water, gisteren. Dat was bijzonder. En ik woon op een boot, ik bedoel maar.

Zo maalt mijn hoofd. Ik ga een torenkamer in, moet ik dan niet wat meer meemaken van tevoren? Moet ik niet al een plan hebben. Een verhaal, een lied dat ik uit eigen borst kan scheuren bedekt met bloed en hartstocht? Of op zijn minst. Op zijn allerminst, een mening?
Ik weet nog even niks.

 

Goeroe

Ik ben buiten op onze steiger aan het puinruimen. Het is acht uur, ik heb nog niet eens koffie gedronken. Maar straks komen de vuilnismannen en dan is het toch handig als dit en als dat en nog meer kindertroep die eigenlijk kapot is, met die mannen meegaat. Spinnen. Overal. De meest prachtige webben (webs) verwoest ik, ik mompel af en toe sorry.
Ik denk over een vrouw die alleen nog maar met spinnen om wil gaan. Die wil leren spinnen, als het ware. Ik spin al, denk ik. Heel veel draadjes, alle kanten op. Nu nog iets wat ze aan elkaar plakt.
Binnen heerst de serene rust van uitgezette kindjes. Milo kijkt ipad, Aran telefoon. Edwin zit te rekenen. Aran en Milo gaan zo naar oma, opdat ik nog iets over het Blockbusterfonds en Méér muziek in de klas, Het Nationale Ballet, de Junior Company en Han Ebbelaar en Alexandra Radius kan schrijven (niet allemaal in één artikel). Oh ja, komende zondag twee proeflessen geven voor de Schrijversacademie in De Roos. Op het activiteitenschema zie ik dat ik dan de workshop ‘Vind de Goeroe in jezelf’ mis.

Misschien is dat wel een leuke cursus om te geven; spiritueel schrijven.
Vind de Goeroe in jezelf, vang m, hang m in een spinnenweb.

 

 

2016-08-24 10.46.36 (800x446)

Gaat maandag uit schrijven

Vijf dagen met niets dan fictie aan mijn hoofd. Dat is al een jaar of zeven niet meer gelukt. Het is nu al verhelderend, dat torenkamertje waar ik volgende week inga. Want zoveel ruimte als ik vroeger had – schrijven in treinen, in cafés, waar dan ook – zo strak is de fantasie nu ingepast tussen de muren van kinderzorg en journalistiek. Een uurtje na het sporten. Vluchtige regels als ik wacht op mijn zoon die uit school komt. Gelukkig wil ik altijd, daarom lukt het.
Maar vijf dagen. Wat blijkt: alle dagen van de week is er een cruciaal moment dat ik er moet zijn. Omdat er anders een kind alleen op het schoolplein staat. Omdat er anders een peuter alleen door de boot scharrelt.

Maar er is nu oppas. Voor al die dagen.
Wat betekent dat het nu aan mij is om te verzinnen wat ik dan ook alweer ga doen. Met al die tijd, behalve koffiedrinken met vrienden en heel veel naar het Vondelpark staren.

Eerst zou ik WEG gaan afmaken. En dat gebeurt ook wel, denk ik, iets laatste met correcties, maar niet meer zo groot en veel als het was. Toen dacht ik: marketing en publiciteit voor het boek, ook heel belangrijk. En meteen werd ik overvallen door die weerzin die ik daar altijd over voel: die bakker die ook het reclamebord voor zijn broodjes bouwt, de schrijver die met zijn eigen boek wappert – deze blog gaat nog net, dit is mijn achtertuin, maar groter, luider, ik ga het proberen, maar niet dáár.

Want in die toren ga ik schrijven. Nieuw werk, even al die overgebleven rammelaars en vergeten luiers uit mijn hoofd peuteren. Kijken of er dan nog iets overblijft. Kan ik nog wel denken?

Ik droomde vannacht dat mijn vulpen was omgebogen. Ik heb maar 1 pen. Dus dat voelt alsof je opeens merkt dat je portemonnee met al je geld is verdwenen.

Ik bedoel maar; het begint al te komen. De onrust.

Wordt vervolgd

bank

Moe

Ik lag in mijn roze badjas op de bank, na het douchen overvallen door onstopbare moeheid.

Kindje aan de ene kant, kindje aan de andere kant.
Ik bekeek ze eens, die kindjes, waarop Milo begon te juichen: ‘Hij heb hem ogen open!’
Ik draaide me zijn kant op: ‘Zíj heeft háár ogen open.’
Hij knikte ernstig. ‘En jij ook.’

Er was even zon

We zijn onderweg naar Amsterdam Noord om wat kabeltjes langs te brengen. We weten alleen niet precies waar naartoe. Maar dat geeft niet, want de zon schijnt en Esther gaat het ons laten weten en ik vind het leuk om weer eens met Aran op pad te zijn. Hij zit zeer tevreden achterop de fiets, blij dat hij niet zelf hoeft, zelfs al heeft hij een pracht van een nieuwe fiets. En ik zou daar een punt van kunnen maken, maar ik doe het niet.
Dus we fietsen naar de pont, varen naar de overkant, zoeken bij de Tolhuistuin naar niet het restaurant maar de Stichting en ik app Esther dat ik niet weet waar ik moet zijn. We fietsen naar Anna, ze is er niet, fietsen weer terug, over de sluisjes, komen iemand tegen die lief naar me lacht, ik lach lief terug – krijg later een mailtje van Elaine: je herkende me niet hè? – en weer richting pont. Het verlossende bericht van Esther: breng de snoertjes maar naar de fietsenmaker onder het restaurant. Die weten we, we fietsen erheen, kijk een boot, kijk een fietser op een paarse fiets, goh waar zou die hond heengaan. En dan zijn we bij de fietsenmaker: mag ik je wat vragen, zeg ik. De fietsenmaker kijkt op en is een vriend van vroeger die ik zo’n twintig jaar niet heb gezien. Aran overhandigt de snoertjes, we halen wat herinneringen op, wisselen nieuwtjes uit, Aran en ik stappen weer op de fiets en zoemen de rest van de dag in.

cover WEG

Potentieel functioneel naakt

Nu is het nog veilig. WEG is er al bijna, maar nog niet publiekelijk. Er zijn nog puntjes voor de i. Met Monique bespreek ik Robin en de mensen in het boek alsof het vrienden zijn, onze vrienden. We zitten in een café, het manuscript ligt op tafel. Ze heeft er zinnen bij gezet. Soms staat er: ‘Vanwaar die bons?’ Of: ‘Opmaatje voor dit’ en dan een pijl erbij. Soms ook: ‘Hier meer gevoel erin.’
Monique is mee op weg. We wandelen samen.
Het aan haar te danken, en aan alle meelezers, seinwachters, wegwijzers, dat dit boek er nu komt. Dat het zindert, dat het ook echt ergens over gaat. Dat voel ik. Nu durf ik dat nog te voelen. Want dit is de stilte voor de zichtbaarheid.
We bestellen thee. Door het raam zie ik een man in een keuken in een naburig achterhuis een ei bakken. En opeens ben ik zo blij. Zo blij dat we dit samen aan het maken zijn. Zo keihard je best doen voor iets wat zo goed en echt mogelijk wordt. Het is eng zo naakt te zijn en toch het beste wat ik met mijn leven kan verzinnen.

 

2016-08-08 10.33.23

Kast

‘Zijn ze bang voor de computer? Ik pak hun beide handen en ram ermee op het toetsenbord. Kijk, zeg ik dan, niks kapot.’
Die uitspraak maakte indruk destijds, toen ik een stuk schreef over computerangstigen (een uitstervend soort?) en een leraar interviewde.

 

Nadat mijn website wegens hackers en andere boven onbereikbaar werd, voelde ik bij mezelf ook opeens zo’n achterdocht. Alsof onbekenden aan mijn sokken snuffelden, gluurders in mijn hemd. Er was misschien niks echt kapot, maar ik vertrouwde t toch niet.

Dus het duurde even voordat er een nieuw stukje kwam. Dat is dit. Ik ben er weer. Hij doet t weer.

Weet je wat, ik plak er een foto bij. Van mij, bij mijn kast, totaal ontspannen.

 

 

HuppelBonk

niet dat ik ooit ziek ben, maar soms heb ik opeens voorhoofdsholte ontsteking. Het begon gisteren op de terugweg met Milo van de Albert Heijn en hij was op zijn eigen fiets met zijwieltjes, heel echt op straat, maar hij reed tegen de stoeprand op de heenweg en viel en op de terugweg waaide het en toen begon hij te huilen omdat hij de rem niet meer wist. Met zijn fietsje steeds zo dicht tegen mijn gietijzeren volbeladen Azormonster, dat we steeds bijna samen omvielen. In het zicht van de boot begon mijn hoofd te bonken en sindsdien, als ik opsta of mijn schoenen wil aantrekken, knallen de knikkers massaal tegen mijn voorhoofd. En dan trek ik als vanzelf mijn wenkbrauwen op, misschien omdat ik bang ben dat ze anders uit mijn ogen rollen en dan heb ik geen knikkers meer.

Samenhangend wil het hier op de studio dan ook niet worden. Ik dwaal van verhaal naar verhaal. Knabbel aan stukjes tekst, probeer me te herinneren waar dat verhaal ook alweer naartoe ging. Dit is ook vakantie. Best goeie vakantie eigenlijk. Want als je maar lang genoeg knabbelt. En verder niks hoeft. Net als bij een kater, dat je weet dat je alleen tussen de mistige lijntjes kunt lopen.
Zolang ik er maar geen huppeltjes bij maak.

 

De mooiste plek op het beste moment

Nadat we Trisobbio hadden gevonden, liepen we hand in hand naar het zwembad, langs het restaurant met de lange tafels, de lampionnen, het idyllische uitzicht.
‘Straks is daar het feest,’ wees ik Milo, hij had meer oog voor de trampoline.
We sprongen even.
Toen gingen we door tot aan het water.
Er zaten al wat kinderen in.
‘Natasja en JP gaan trouwen,’ zei ik.
Milo wilde graag zijn zwemvleugeltjes om. We hadden ook een waterpistool, herinnerde hij zich opeens.
De bruid en bruidegom hadden we ook al gezien. Ze waren zo blij dat wij, de gasten, er ook allemaal heel blij van werden. En op dat moment was het trouwen nog niet eens begonnen.
Na het zwembad gingen we naar de hut, of eigenlijk de tent, maar Milo noemde hem hut.
Voordat hij het stapelbed begon te beklimmen wilde hij nog even wat dat nou precies was, trouwen.
Ik legde het uit.
Hij knikte. ‘Ze zijn dus allebei jarig.’
Hij klom niet via het trapje op het bed. ‘Heel erg jarig.’