Best ever

Ze raakt even mijn buik aan, want dat is hoe hoog ze is. Daarna laat ze haar ringetje zien; het steentje was eerst heel, maar nu niet meer. Ik zie het.
We zitten in een ongebruikt klaslokaal, beter dan het halletje waar we eerst zaten. We hebben het over personages en wat dat zijn, en vooral ook; wie ze verzint. ‘Schrijvers,’ zeggen de kinderen. Hun ogen worden groot als zij ook mogen verzinnen.
Ballen voor open doel; dat is verhalen maken op scholen. Want alles is goed, en zelf verzonnen telt het hardst. Dit is niet leren, dit is ontdekken dat je het al kan. Dus de kinderen scoren en blijven scoren, van taalachterstand of leerproblemen merk je niks. Ze zijn hier goed in en ik ook. Dus dat werkt wel.
De juf komt nog even langs. ‘Dit was de best ever les,’ had een jongetje gezegd. Er komt een nieuwe groep binnen, met verse jongetjes. Eén van hen vindt het ringetje onder de tafel, hij komt het me laten zien.
‘Breng het maar naar groep 3,’ zeg ik. ‘Dan ben jij de piraat en is zij je vriend. Dan loop je niet door school, maar door een verhaal.’
‘En dan had ik heel veel armen,’ zegt hij knikkend.

Aruba

We namen de bus naar San Nicolaas. Want de bus is leuk; dan zie je alle kanten van zo’n eiland. Het werkte; lus na lus, schoolkinderen in lange mouwen en spijkerbroeken terwijl het buiten dertig graden is. Af en toe een kreet van achterin de bus als de chauffeur moest stoppen. Wat nou haltes.
Omdat de stranden hier zo overweldigend bounty zijn en het water zo diep blauw is verwacht je, als Hollander, opgegroeid met prentenboeken van tropische eilanden, er omheen niets dan palmbomen en groen en huisjes, geen stoffige wegen en veel oningevulde stukken land. Ook geen berg met depressieve bomen die bij nader inzien een bos van cactussen blijken te zijn. Dat is het fijnste; dat je het gewoon nooit had kunnen verzinnen, maar dat het er toch is.
Dat is goed voor een Nederlands hoofd, opgegroeid in een aangeharkte wereld. Zien dat niet alles een vakje heeft, dat niet alles ergens in hoeft te passen. Die twee oranje vogels bijvoorbeeld, die hier net op een stoel landden (ik zit binnen, het is hier half acht ’s ochtends, buiten is het al heet). De eerste keek even naar me, de tweede kwam de eerste halen om te spelen ofzo, door mij kwam het in ieder geval niet dat ze wegvlogen. Die vogels horen in geen enkel hokje.
En dat laat ik lekker zo.

Hoe de dingen anders worden

Mijn een-benige moeder ging de zorgunit inspecteren. De zorgunit/zorgserre/aanbouwpuist/kantenklarechalet-unit die tijdens haar verblijf in het revalidatiecentrum aan het huis is gebouwd. Ze zit nog steeds in dat centrum, in die kliniek, maar mag in de weekenden soms een dag naar huis en half mei zelfs helemaal.
Ik was bij de plaatsing van die unit vorige week, met een grote kraan en dan over het huis heen, heel indrukwekkend allemaal. Die unit was de uitkomst van maanden praten, van hopen dat de aannemer het goed zou gaan doen (wat hij tot nu toe doet), van denken over licht en ruimte.
Nu is de onbereikbaar geworden slaapkamer plus badkamer boven, vervangen door twee nieuwe ruimtes beneden, gewoon aan het huis geplakt. Horizontaal denken, het is het nieuwe nu.
Ze zwenkte handig door de nieuwe badkamer, draaide een moeiteloos rondje om wat dichter bij een kast te komen. Er moesten nog wat dingen anders, maar door de bank genomen beviel het.
Ik stond erbij en nam foto’s en ik huilde van binnen.
Ik kan het prima van mensen hebben dat ze in een rolstoel zitten. Maar zoals ze daar rondreed, kastjes opentrok, zich afvroeg of er genoeg beugels waren. Alsof ik toen pas begreep dat ze er niet alleen in zit, in die stoel, maar dat ze er ook niet meer uit gaat komen.
Gelukkig begon mijn vader op dat moment over het gebruik van die extra kamer. ‘Voor jullie bedden toch?’ vroeg ik verbaasd.
‘Het licht is er zo mooi,’ zei hij verlangend. ‘Misschien kan de tafel er wel.’
‘Nou,’ hoorde ik mijn moeder zeggen op een toon die zeker geen ‘gutwateengoedideezeg’ betekende. En ik lachte, want aan het ouderlijk steggelen was gelukkig niks veranderd.

Hoera

Vannacht hij had nog zijn kussen zijn dekbed en zijn matras onder gespuugd, maar vandaag is hij heel jarig, mijn oudste, mijn tienjarige; Aran. Hij mag voor tien euro (vorig jaar negen, het jaar ervoor acht) zijn eigen cadeau bij elkaar kopen (vorig jaar: ontelbaar veel Donald Ducks). Nu maar eens zien of er ergens dappere verkopers te vinden zijn. En anders zit hij heel tevreden op de bank met zijn broertje. Met een kakelverse koptelefoon op zijn kop, waarvan de oren blauw oplichten als je heel hard nadenkt, tenminste dat zei ik, maar toen keek hij me aan en draaide met zijn ogen.

Ze hadden er zon bij

Ben, terwijl ik dit schrijf, benieuwd hoe vaak ‘woorden’ de werktitel van een stukje is geweest en of deze blijft. Ik was in het Zonnehuis, bij de opnames van de documentaire van Frans Weisz, waar ik de tekst voor schreef. En dat was meer dan een voice-over alleen, hoewel ik zo’n diepe mannenstem die mijn woorden uitspreekt ook heel aantrekkelijk zou hebben gevonden. Het wás een mooie mannenstem, en hij hoorde bij Vincent van der Valk, maar hij was meer dan stem alleen. Ik had een personage geschreven, een man die in het theater woont en van daaruit zijn verhaal vertelt. Ik zat in een hoekje met twee dames waarvan ik hun precieze functie ben vergeten, de cameraman, de man van geluid, de man van het licht, de editor, Frans natuurlijk en Vincent zelf. Ik was onder de indruk. Magie op de vierkante centimeter. Iets wat aan het ontstaan is. Zoals ik me voorstel dat Antwerpse diamantmakers met zijn allen om een hoopvol steentje heen gaan staan. Dat moment vóór je het weet.
Daarna was ik op de boekpresentatie van Manon Duintjer in die mooie boekhandel de Vries in Haarlem. En daar voelde ik het weer, de hoop. Hoop in combinatie met zin; zin om te horen hoe de hoop klinkt.

Spreeuwen in de mist

Het geluid van klapschaatsen in een bocht, omdat het als ganzen klinkt. Een zwaan die opstijgt en daarbij een stuk over het water rent, met flapvoeten. Vanmorgen, twee angstige katten (ze snappen het kattenluik nog steeds niet) voor de deur en enorm lawaai op de achtergrond. Uur of zes, de wereld grijs. Meestal zijn het kraaien die daar prachtig naargeestig zitten te krassen. Nu was het een met vleugels bedekte boom.

Kattenbakboot

Onze poes Broccoli plast hardnekkig het tapijt onder, dus gisteren waren we in wind en regen naar de dierenarts. ‘Haar ademhaling gaat net zo snel als haar hart,’ zei ze. Wat ik een mooie zin vond omdat je meteen begrijpt wat ze bedoelt, terwijl het net zo goed lekker yoga-traag zou kunnen zijn. De dierenarts wilde de urine onderzoeken, maar dat is best lastig bij een poes die het laat slingeren, dus second best was vanmorgen alle kattenbakken verschonen en schoonpoetsen met chloor (we hebben drie bakken, want internet zegt dat dat kan helpen – één bak meer dan je katten hebt – maar legde niet uit waar die derde bak dan voor nodig is en Broccoli trekt zich er weinig van aan). Toen we daarna bijna te laat voor school buiten kwamen was ik mijn regenbroek kwijt en ik wist meteen; die is echt weg, want is er maar één plek waar hij kan liggen. ‘Het lijkt wel of de regen nooit meer ophoudt,’ zei ik dus tegen Aran. Daar was hij het mee eens.

Na de stilte

En als ik dan een tijdje in stilte, zonder blogjes, zonder opzienbarende publicaties, aan mijn verhalen werk, dan begint de wereld me langzaam te vergeten. Een idee wat ik had voor een filosofiefestival blijkt zonder mij vorm te hebben gekregen, een verhaal dat ik schreef voor een bundel wordt op de site van de uitgever aangekondigd, maar in de aankondiging sta ik niet (wel in de bundel, aan de binnenkant zit ik wel). Het is een traag proces en het schuren ervan zit meer in mij dan in de wereld (want die kan het nauwelijks iets schelen) en toch stel ik me voor dat dit één van de redenen is dat ik ooit begon met schrijven. Om verhalen vast te leggen, om een stem te hebben, om niet te vergeten. Ik ben de bodem, de wereld is het zand, wat zeg ik, we zijn allemaal de bodem. Dat zand geeft geen houvast, dat stuift, dat vervliegt en we moeten er zelfs niet al te melancholisch over doen want daar heeft het zand geen boodschap aan. Beter is het een plastic taartvorm van mijn Milo te pikken – hij voelt zich er al bijna te oud voor – en terug die zandbak in. Mijn stem, nog schraperig van de stilte, eerst te testen, dan een lied aan te heffen. Eerst een lied, dan het verhaal, dan alles meegeven aan de wind.

De tijd nemen om achteruit te reizen

Het geheim van effectief werken, is niet afwachten. Niet afwachten tot de trein zich in beweging zet, niet controleren waarom er op de monitoren staat dat we ons in Rotterdam bevinden terwijl je toch vrij zeker weet dat het Leiden is, en zeker niet gaan checken, in en uit de trein lopen en dan nét op het perron staan als het ding zich alsnog richting Amsterdam Centraal spoedt. Niet aarzelen, meteen instappen en werken, want áls je op dat station was achtergebleven, Leiden of Rotterdam, dat zou het er op dat moment niet eens meer tot doen waar je was, het zou vooral niet-Amsterdam zijn – dan zou zich het besef aan je opdringen dat je nu te laat ging komen om je jongste zoon van school te halen en moest je dus, behalve het ontdekken van een nieuwe, passende – bij voorkeur extreem snelle- trein, ook bedenken welke ouders ingeschakeld konden worden om een tijdelijk reddingsplan toe te passen en dán zou je je realiseren dat de enige vrouw die je kent iemand is aan wie je absoluut geen schulden wilt hebben, ook geen mentale.

E-bike huren, een Uber nemen, de file in die zich dezer dagen ook rond half vier al ophoopt aan de randen van Amsterdam. Dat allemaal niet dus. Want effectief werken is meteen beginnen, een verhaal typen over wat dan ook en dat op je website plaatsen omdat het zo ingewikkeld is als een naaste ziek is, om daar dan níet over te praten. Of wél, maar dan met behoud van een zekere privacy omdat het immers een volwassen mens betreft en niet een, noem eens wat, prematuur geboren kind dat nog zo onderdeel van jezelf voelt dat het woord ‘privacy’ geheel niet in je opkomt.

Dát premature kind dus, dat straks reeds vijfjarige en geheel verhit naar buiten holt en uitsluitend hoofdletters roept ‘Mama! Je hebt heel geen genoeg eten voor me gemaakt!’ en vervolgens weigert zijn jas aan te trekken op de fiets, maar dat zal m leren, want het regent sneeuw en hij is een koukleum, dus die hobbel, voorzie ik, smelt zichzelf.

Effectief schrijven dus. Zitten, de wereld langs laten flitsen (rij altijd achteruit, dan kun je hem nakijken), maar voorwaarts schrijven. Want schrijfweten is anders weten en hoewel ik het aan niemand heb verteld, weet ik hier, nu, waar zijn we, Heemstede, dat ik blij ben dat mijn moeder morgen eindelijk het ziekenhuis uit mag en door naar de revalidatiekliniek. Nieuw hoofdstuk, vol nieuwe confrontaties, maar als ik vandaag op tijd kom, dan hebben we dat alvast gehad.

Het is gebeurd

Och, ze lag zo te stralen, mijn moeder. Op die plek waar nachtmerries wonen, de pacu, de post anesthesia care unit, waar ze de hele nacht moest blijven, want een hemipelvectomie doen ze maar één keer per jaar. Meer kan er van een mens niet af.
We mochten met twee naar binnen, mijn vader en ik. Mijn broer moest op de gang blijven, hij offerde zich op, heel lief. We mochten maar een kwartier. Grote ruimte, monitors, heel veel draadjes, er werd net een zak gif vervangen.
Ze deed haar ogen open, nog gezwollen van de operatie. Toen zag ze mijn vader en ze lichtte op.
‘Het is gebeurd,’ zei ze. Daarna verstond ze onze antwoorden nauwelijks, omdat haar oor nog dicht zat.
Veel meer ga ik niet bloggen over mijn moeder. Tenzij ze zelf zegt dat het mag. Dat ik haar in een verhaal mag meeneem, niet meer helemaal ‘zij’, maar mijn ‘zij’. Dit nog even. Later stonden we buiten, het was donker geworden, ik moest naar de trein.
‘Volgens mij is ze verliefd op je,’ zei ik. ‘We hebben een band,’ knikte mijn vader. En toen straalde hij ook.