De ochtend koesteren

Milo liep de hele ochtend al rond met Arans rugzak omdat ik had geroepen dat ik kleine jongens met grote tassen zo lief vind. Iets later fietste ik een stukje met Aran mee richting middelbare school. We hadden het over huiswerkstrategieën. Of we een kleurenprinter nodig hebben voor BeVo (bij ons heette dat handvaardigheid), maar hij kon er misschien op school wel eentje reserveren. Nooit had ik bedacht dat je zo’n gesprek met je kind gaat voeren, op een gegeven moment. Naïef natuurlijk, dat ik dat niet had bedacht, maar daardoor des te leuker nu het gebeurt. Zo heel eenvoudig, zo vers alles, voor hem.
Nu al is hij groot. Van sommige stukjes weet hij het zelf nog niet, maar ik zie het. Met twaalf. Wow.
Ik stopte bij mijn studio om aan het werk te gaan, hij reed verder. ‘Nee, je hoeft echt niet nog een stukje mee.’
Bijna uit zicht zwaaide hij nog even. Ik zwaaide terug, want natuurlijk keek ik hem na. Een meneer die net langswandelde meende dat ik naar hem zwaaide.
‘Lovely day,’ zei hij met een verlegen glimlach.

Klusbroek

Laatst kwam er een politieboot met zoveel vaart voorbij dat bij ons de rioleringsbuis brak en bij de buren de gasleiding. Dat is botenleven. Net zoals ik nu, bijna als vanzelf, de drang begin te voelen om gangboorden schoon te spuiten en te schilderen. Ik stel me voor dat tuinieren ook zo werkt, naar de lucht kijken, proberen te ruiken of er regen komt. En dan, in geval van verf, besluiten om het er toch op te wagen (waarna even later de regen putjes in dat dunne verfhuidje nagelt). Klusjes die langzaam – en dan bedoel ik ook langzaam – inslijten, waar ik járen over deed, elke winter weer te laat, gut dat is veel roest zeg. Oh nee, we hadden toch iets met dat lek moeten doen. En dan was het te koud, te bevroren, of in het algemeen; te laat. En dan verlangde ik naar een huis. Maar goed, heel traag dus komt die verf onder je huid te zitten. Ik zeg: Owatrol. Antiroestverf, ik bleek er maar half tot mijn verbazing wel vier bussen van te bezitten. Ook een teken van de herfst: als het halve bussen Owatrol begint te regenen. Tijd om te smeren, in te snoeren en af te dekken. Waar is mijn klusbroek.

Wieden en weven

Ik ben er doorheen, alle zin van Zeemeermeisje zijn gezien en gewogen. Mijn nieuwe kinderboek, dat hoop ik in het voorjaar gaat uitkomen (toch, Monique?). Deze laatste herschrijfrondes voelen als stofzuigen en tegelijk controleren of de plafonds wel deugen; het voelt als alle kanten tegelijk op kijken, terwijl ik met een verfkwast in mijn broekzak ook hier en daar nog wat blauw aanbreng. Of nee, groen, of nee, geel. Schrappen, versimpelen, optuigen en dan toch dat opkruipende gevoel: ik moet er nóg eens doorheen. Om te zien of dat prille lijntje wel werkt. Hardop lezen – is er niet iemand die werkelijk niets te doen heeft, en waar ik dan even mag komen voorlezen. Of beter, ik spreek het in, mijn opnameapparaatje, waar had ik dat ook alweer. Zo warrelt mijn hoofd nu, terwijl de stemmen van de personages alweer wegebben en ik probeer te bedenken of de balans wel klopt.
Met Aran lees ik op dit moment de Geheime Tuin uit 1911. Waar het pagina’s lang over plantjes gaat, over rozen en de ‘grijze waas’ die over die rozen ligt. Wat me steeds verrast is dat schrijfster Frances Hodgson Burnett keurig uitlegt wat er in die kinderen omgaat. Waarom ze zo stralen en alsmaar ‘dikker en gezonder’ worden door de frisse heidelucht, waarom ze zo draven en schateren van het lachen. Zinnen die soms een halve pagina lang lyrisch doorkronkelen.
Voor de lezer van nu voelt het alsof de piketpaaltjes zijn blijven staan: hier wat tranen, daar de blijdschap omdat de lente zo prachtig is, hups nóg een fikse kledder extase. Bevreemdend maar verleidelijk, want ik heb ze de hele ochtend, de afgelopen weken, allemaal uit die grond lopen rukken, die paaltjes. Niet teveel uitleggen, laat de lezer zelf maar voelen wat hij voelt, laat de personages maar dartelen zónder duiding. En als ik het straks dan heb ingesproken en afgespeeld, als ik het heb geprint en mijn meelezers heb gesmeekt het nog één keer te lezen, als ik dat allemaal heb gedaan en ze snappen er alsnog niks van, nou, zo troost ik mezelf, dan ram ik die paaltjes er de volgende ronde gewoon weer in.

Geen foto, toch beeld

Daar fietste hij met zijn kaftpapier in zijn nieuwe tas op zijn rug, op weg naar de middelbare. Ik ging mee tot vlak na de drukte bij het Centraal Station, vanaf daar kon hij het zelf, zei hij. En dat geloofde ik, dat is namelijk zo. Toen ik me omdraaide en terugfietste, terug naar mijn studio, terug naar dit verhaal, voelde ik dat elastiekje tussen ons dat steeds verder oprekte en toen losschoot. Gelukkig bouwen we steeds nieuwe lijntjes. Met nieuwe mensen, met geliefden en met Aran hóef ik helemaal niet te bouwen. Wij zitten op heel veel manieren voor altijd aan elkaar vast. Min de basisschool.

Zoete regen

Achterin de Dom zaten Femke, Lonneke en Hans, speciaal voor mij, als moderator van het Gesprek van de Dag. Van blijdschap vergat ik me prompt voor te stellen bij de introductie, maar daarna ging het goed. Dit keer waren Alexandra Broeder en Michel van den Bogaard te gast, we hadden het over kinderen en schapenkinderen. Ik vind het elke keer magisch, met zijn allen zoeken naar woorden, naar manieren om na te denken over veelhoekige onderwerpen. Zonder conclusies, maar altijd met winst.
Na afloop zaten Femke, Lonneke, Hans en ik buiten met bier en deden we net alsof het niet regende. En wij niet alleen, er waren meer mensen op het terras, en die deden ook allemaal alsof het niet regende. Die deden ook allemaal alsof het niet eigenlijk nét een tikkie te koud was voor een zwoele augustusavond. We deden dat omdat we zo blij zijn dat er een festival is. Dat we buiten kunnen zitten. Omdat we het gevoel hebben dat wij deze plek pas net hebben ontdekt en nog niet al die andere mensen die vast en zeker nog gaan komen. Wij liepen voorop in de verse sneeuw. Of nou ja, sneeuw. De zoete regen.

Vertrouwen in de medemens

Toen ik ooit begon bij NRC Handelsblad werd er vaker gevraagd of ik gesprekken wilde modereren. Soms zei ik ja, maar dan had ik altijd meteen spijt. Zo’n afspraak ging dan als een wolkenkrabber in mijn agenda staan, en dan kon ik er niet meer omheen kijken. De hele tijd dacht ik alleen nog maar aan dat gesprek. En mijn zenuwen groeiden.
Het gesprek zelf – of wat het ook was dat ik zo openbaar op een podium moest doen – ging altijd wel goed, maar het kostte me zoveel energie dat ik mezelf plechtig ontsloeg van mijn ingebouwde neiging om alles uit te willen proberen. Presenteren hoefde niet. Net als autorijden, trouwens. Ik had ook al jaren mijn rijbewijs maar zodra ik in de auto zat werd ik extreem achterdochtig en dacht ik alleen nog maar een de mogelijkheid van tijdelijke (of permanente) waanzin bij al mijn medeweggebruikers. Ik anticipeerde me gek, waardoor ik altijd krasloos, maar uitgeput op mijn bestemming aankwam.
Met een tikkie meer vertrouwen in de medemens sleet langzaamaan mijn angst voor het autorijden. Mijn angst om te presenteren had een omweg nodig. Eerst ging ik kinderboeken schrijven. Toen kwamen daar schooloptredens bij. Bovendien werd Milo veel te vroeg geboren en ging ik om geld te verdienen lesgeven, ook een soort optredens.
Pas toen ik me dát realiseerde – dat ik het al deed – begreep ik twee dingen: ik kan het en ik vind het nog leuk ook.
Dus kom maar door, toekomst, met nog veel meer gesprekken, bijeenkomsten, bijzondere workshops; ik wil die kar wel trekken.
Om te beginnen met de Gesprekken van de Dag. Deze hele week nog, tot en met zaterdag.
Straks, om vier uur, modereer ik een gesprek over mannelijkheid met theatermaakster Marte Bonenschansker en mannencoach Guido Spijk. Naar aanleiding van de voorstelling Bloos, de mannen. Kom maar kijken in het Zuiderpark in ’s Hertogenbosch, de kaartjes zijn gratis, maar je moet je wel aanmelden.

Theaterfestival Boulevard, dag 2

Recept voor een festival: Loop naar het midden van het veld.
Heb je een kind? Laat het kind dan kiezen welke tent er onderzocht gaat worden (ik weet al welke). Het kind in jezelf mag ook kiezen trouwens.
Blijf daar een tijdje in de buurt. Luister naar de mensen die naar buiten komen. Begluur de mensen die naar binnen gaan.
Neem wat te drinken als het warm is.
Loop een rondje.
Zoek de ticketbalie. Nee, er is geen kaartje meer voor dat ene stuk, maar wel voor dat andere ding, die installatie. Kun je klauteren? Je knikt. Betaalt. Je koopt een ijsje voor de tussentijd.
De zon breekt door. Er lopen mensen langs in zwierige jurken en pakken. Je denkt aan je eigen zwierige kleding. En dat je die morgen uit de mottenballen gaat halen.
Je klautert de installatie in, raakt onderweg in verwarring, klautert dan dapper door.
Hij duurt kort de voorstelling – als het al een voorstelling is – maar toch ziet de wereld er opeens heel anders uit. Je dwaalt nog even rond. Je kind kondigt aan nooit meer weg te willen.
En weet je wat. Jij ook niet.

Terugkeer naar het festival. Dag 1

Het festival is al halverwege, maar voor mij begint het vandaag. Theaterfestival Boulevard: eerder was ik hier festivalschrijver, dit keer mag ik ook gesprekken leiden.
Direct uit het station fiets ik op mijn ov-fiets langs de lange rij bij de Bossche bollen, rechtdoor, het hart van de stad in. Door de koopgoot, langs het plein – daar hou ik even in. Mijn adem vooral: Theater aan de Parade is voor de helft gesloopt. Er staan ook geen bomen meer, dus het licht is er vreemd. Een plein als een bouwplaats waar mensen met hun rug naar de ravage koffies en tosti’s naar binnen werken. Wat je niet ziet bestaat niet.
Ik fiets verder, begin op onbekend terrein te komen. Het Zuiderpark, daar zag ik alleen de randen van. Ik volg de vlaggen in de verte en dan lopen daar opeens Karin en Yell, fotografe en vormgeefster, alsof ze hier elke dag lopen, elke dag op weg naar hun festival.
Ik stap van mijn fiets, krijg een pasje om mijn nek en een stapeltje bonnen. Zo’n tien minuten later eet ik backstage een wit bolletje met fruithagel.
Dit is dag 1. Dit mooie festival heeft haar kloppende hart zomaar ergens anders gestopt, in een park, waar nog wèl bomen staan. Een beetje geheim. Hier is het groener en ruimer, en wat onbestemd – zoals dat hoort bij kunst. We weten het niet, dus we maken er wat van. Het is aantrekkelijk, opwindend. Want als íedereen zou weten hoe het hier is, lag er binnen de kortste keren meer friet dan gras op de grond. Nog niet. Hier is het de dag vóór je verjaardag, hier kun je nog zomaar, in zo’n tentje, het geluk tegen het lijf lopen.

Gesprek van de dag

Vlak voor ik bij de Ysbreeker binnenliep, ademde ik een stukje boom in, waardoor ik alleen maar om water kon fluisteren. Zo werd het gesprek met de organisatie van Theaterfestival Boulevard over alle geweldige gesprekken die eraan zitten te komen extra spannend. Nóg spannender. Want het festival gaat door. En daar ben ik heel erg blij om.

Vanaf 14 augustus t/m 21 augustus leid ik elke dag in de Dom (een indrukwekkende halve tent, ik heb een tekening gezien, maar nog niks in het echt) zo’n gesprek. Met alleen maar interessante gasten, ongelogen.
Kijk maar: https://www.festivalboulevard.nl/nl/programma/id-7063/gesprek-van-de-dag/
Kom je ook?

Prik

We gaan straks uit vaccineren, Aran en ik. Gisteren probeerde ik ons samen in te plannen, zijn eerste, mijn tweede, maar dat bleek logistiek een brug te ver. Dus nu gaat Aran naar het inloopspreekuur en ik daarna naar mijn afspraak. Hij vindt het spannend, we hebben al een paar keer berekend hoe laat hij moet opstaan (nu ongeveer) en hoe ver het fietsen is (andere kant van de stad).
Milo is tevreden met zijn rol als sidekick – ik wilde hem niet alleen thuislaten.
‘En misschien,’ zei ik daarnet, ‘eten we op de terugweg wel een ijsje.’
We kregen er al bijna zin in.