‘Omhels maar iemand, je hebt toch tijd over,’ grapte een vriendin die hoorde dat ik gestrand was in een buitenwijk van Utrecht. Geen treinen, buiten storm, nauwelijks alternatieven. Ik moest kinderen ophalen in Amsterdam, dus ik was per direct in paniek. Telefoon aan tijdens het lopen, tegen een paal op, om een meneer heen, tegen een mevrouw op. Wat was het laatste nieuws, reed er überhaupt nog iets als ik straks bij Utrecht cs arriveerde? Mijn hoofd stuiterde: met de fiets? Liften? Wat als ik nog verder van huis raakte, wie kon mijn jongetjes ophalen? Even diep ademhalen zei ik tegen mezelf, want in tijden van onrust roept mijn innerlijke moeder (een mix van mijn eigen moeder en de moeder die ik volgens mezelf zou moeten zijn – ze doet aan mindfulness en zo) me tot de orde. Ik was in Utrecht, een halfuur verwijderd van Amsterdam. Het was pas twaalf uur en om drie uur kwamen mijn kinderen uit school. Dat moest toch te doen zijn.

Eenmaal op het station las ik dat om twee uur de treinen weer zouden rijden. Dan was ik er om halfdrie, dan haalde ik het. Maar om mij heen stonden honderden mensen de informatieborden te bestuderen. Nu al. Straks zouden het er duizenden zijn. Allemaal in die ene trein. Bovendien werd de storm erger. Zoveel onrust, daar kon mijn innerlijke moeder niet tegenop.

Er was ook een bus die over een paar minuten richting Bijlmer zou gaan. Dat hadden meer mensen ontdekt en het zien van die menigte deed me even aarzelen.

‘Ga mee met die flow,’ riep mijn innerlijke moeder. We waren net een mierenhoop die zich vrijwillig in een jampotje perste. Het paste tot ieders verbazing. Opeens stond ik dicht tegen een knappe rasta aan. Toen de chauffeur optrok, greep ik hem stevig vast. Na twee haltes en een moeizame drie stappen opzij, viel ik voorover, in de armen van twee andere mannen, een klusser, de kalk nog in zijn haren, en zijn maat. De opdracht van mijn vriendin was dus alvast gelukt.

De klusser maakte grappen. Klussersgrappen: dat het jammer was dat hij niet aan het bier was gegaan, dat hij Abcoude en alle bushaltes mooi vond, dat dit wel een erg lange pauze was. De Bijlmerbus ging alle dorpjes tussen Utrecht en Amsterdam af, geschatte reistijd inclusief wind: een uurtje of twee. Af en toe stapten stomverbaasde mensen in. De streekbus, zó druk, en dat midden op de dag. Maar er lagen ook omgewaaide bomen langs de kant van de weg, en de klusser riep: ‘Kijk, wow, kijk dan!’ En we keken allemaal als schaapjes naar buiten. Schouders eronder, dacht ik. Dat zou mijn echte moeder zeggen. Die is niet zo van de mindfulness, maar absoluut van de mooie kant van de dingen. Als we dan toch in een bus moeten staan, gaan we er ook met zijn allen iets van maken. Als ik het haar lief had gevraagd, zou ze ons leren canons te zingen. Je weet wel, allemaal na elkaar, hetzelfde lied.

            Kom mee naar buiten allemaal dan zoeken wij de wiehielehewaal. Ik begon het zachtjes te neuriën, terwijl de dame voor me haar arm naar de paal uitstrekte om niet achterover te vallen en daarbij haar oksel in mijn neus duwde. Ik leerde op dat moment dat je donsjassen ook af en toe naar de stomerij moet brengen.

Buiten was net een spectaculair geknakte oude beuk te zien, links van me zat een jongen die naar me glimlachte en in mijn hoofd was de canon nu goed losgebarsten. Dudeljoho klinkt zijn lied, dudeljoho klinkt zijn lied.

Een knie duwde tegen mijn bil, was het wel een knie? Een harde stoelrand wellicht, ik kon me niet omdraaien en misschien wilde ik het niet weten. Een landhuis gleed voorbij, de oprijlaan geplaveid met dure auto’s.

‘Daar wil ik wel wonen,’ riep de klusser en ik lachte mee. Dudeljoho.

Bij de achterdeur stond een vrouw met een strakke mond naar de vloer te staren. Ik voelde haar stress. Ze had nergens houvast, maar ze wilde toch niemand aanraken. Een onmogelijke opgave. We hotsten over een hobbel en daar ging ze al, boven op de klusser die haar vastgreep en riep: ‘Je wilde voordringen, hè? Haha. Snap je ‘m? Voordringen! In deze bus!’ (Dat was tegen zijn maat, die het snapte.) De boze trek om de mond van die vrouw – en ik zag dat ze het liefst nóg bozer had gekeken – verdween. Ze was opgevangen, het gevaar was geweken, er was lichamelijk contact geweest – en het viel mee. Het viel alleszins mee zelfs. We reden weer rechtdoor.

Laatst las ik over een test met ratten: geef ze veel seks, voedsel maar vooral ook veel lichamen om tegenaan te kruipen en ze talen niet naar drugs. Zet ze alleen in een hokje en ze zijn binnen de kortste keren verslaafd. Ratten doen het uit zichzelf, samenhokken, maar mensen doen dat niet. Het voelt gek, met wildvreemden tegen elkaar aan staan, elkaar aanraken, contact. Mijn moeder zou het zeker niet uit zichzelf doen. Ik ook niet, ook dat heb ik van haar geleerd. Vriendelijke beleefdheid, dat is meer haar stijl. Maar wat mijn moeder wel doet, en dat doet ze heel goed, is het noodlot accepteren. Als je dan eenmaal als miertjes in zo’n jampot zit, dan kun je er net zo goed een liedje bij zingen. Negeer het nare, omhels het goeie. En is er niks goeds, verzin het dan. Vermijd het conflict, meestal haalt de tijd de scherpe randjes er wel af.

Gekmakend voor de boze puber die ik was. Had ik met veel moeite mijn zolderkamer gebarricadeerd, kwam er niemand om hem open te breken. Zat mijn moeder beneden te wachten tot ik was afgekoeld. Met thee. En een zelfgebakken koekje. Ik hou nog steeds niet van koekjes.

Vroeger dus minder aangenaam, maar in de huidige situatie was het een nuttige les. Negeer het nare, wacht af, omhels het goede – en leer bovendien van de ratten. We wíllen misschien veel meer aanraken dan we durven. Want op warmtefoto’s zouden we allang één roodachtig deinend wezen zijn. Laat die bus maar rijden naar het einde van de wereld en dan stappen we daar geheel verbroederd uit om een nieuw leven te beginnen. Utopië, met dank aan de ns. Want het maakt niet uit wie je familie is, het maakt uit wie je aanraakt. Ik zou uiteindelijk met die klusser trouwen en zijn slechte tanden vergeten, dudeljo.

Doe nog maar zo’n storm, dacht ik. En als de ns dan slim is, dan stoppen ze meteen de treinen en zetten ze minibusjes in. Want dan is er aan twee voorwaarden voor verbondenheid voldaan. Eén: het kan niet anders (een storm, een brand, een ramp). Twee: we willen allemaal mee, we delen een te kleine bus, vrijwillig. Voeg ik als cadeautje aan iedere minibus mijn moeder toe. Leren we allemaal dezelfde canon die we dan aan het einde van het jaar als nieuw volkslied introduceren. Willem-Alexander is het daar vast mee eens, want die hebben we dan ook allang in zo’n busje gegooid.

‘Ik zie Amsterdam!’ wees de klusser. Er golfde hoop door de bus. Direct daarna namen we een rotonde. Ik greep de okselvrouw. Ze glimlachte lief. Mijn moeder zou roepen: ‘En nog één keer met zijn allen!’ Haar armen in de lucht als een echte dirigent, ze zou zich nergens aan hoeven vasthouden want vele handen zouden haar overeind houden. We zouden haar zelfs een beetje optillen opdat iedereen haar kon zien. En we zouden zingen. Luidkeels. Want zo’n verlegen dirigent, met zulke lieve ogen, die gehoorzaam je, graag zelfs.

Maak er het beste van, ook als het niet het beste is, dát is het geheim. We verzinnen de wereld goed en daarmee wordt die een beetje beter. Weg met het cynisme.

Ik knipoogde vet naar de klusser, die hevig bloosde. Dudeljoho en anders niet.

 

 

Jowi Schmitz (1972) schrijft (kinder)boeken, filmscripts en korte verhalen. Haar moeder stierf in het jaar dat ze dit verhaal schreef (maar ze las het nog, en keurde het goed).