Pan op je ponem
‘Hij bakt aan.’ Ik sta in een dure pannenwinkel omdat ik tegenwoordig in een straat woon waar ze dat soort winkels hebben. Twee maanden geleden ben ik er binnengewandeld om een échte koekenpan te kopen. Het leek me tijd, nu ik een echt huis heb, om ook eens een echte pan te hebben. Dat die duur zou zijn, nou ja, dat is volwassen zijn ook.
Ik had mijn jongste zoon bij me en we kregen een A-viertje mee met een gebruiksaanwijzing en daar hielden we ons netjes aan. Niet te heet, niet in de vaatwasser, heel veel niet en een beetje wel.
‘Maar na de tweede keer bakte hij al aan.’
‘Tja,’ zegt de pannenkenner. ‘Ik zie wel dat er wat olie is ingebrand.’
‘Na de tweede keer al!’ Ik hou dapper vol.
‘Het zou je verbazen hoe snel je zo’n pan kunt vernaggelen.’
Zegt hij nou dat het mijn schuld is dat die dure pan het niet doet? Ik heb spijt dat ik hier ben, maar ik ging uit wandelen omdat ik aan het schrijven ben en dan kookt mijn brein soms een beetje over en toen zag ik de winkel en dacht ik; oh ja.
‘Als u nou metéén was gekomen,’ moppert de man ondertussen. De collega van de man is erbij komen staan. Zij doet niet alsof ik de pan expres kapot heb gemaakt –ze begint over hoe hip het is om een aanbakkende pan te hebben. ‘Van RVS bijvoorbeeld.’ Ze wijst ze aan. Glimmende dingen van honderden euro’s die ze met gemak met een schuursponsje schoonpoetst. ‘Die raden wij aan. Deze niet.’
‘Nou..’ sputter ik. ‘Die pan is mij anders wél aangeraden.’ Met schrijven heb ik dat nooit. Met schrijven weet ik bijna alles zeker. En als het niet klopt, dan pas ik het aan. Maar de realiteit. Daar ben ik een stuk minder goed in.
‘Die RVSjes zijn níet te vernaggelen,’ negeert de pannenkenner me, hij lijkt te begrijpen waar zijn collega heen wil.
Ik begrijp dat nog niet helemaal, maar als ik een paar minuten later met een rvs pan naar buiten loop die gegarandeerd aanbakt – begin ik wel iets te vermoeden.
‘Ik dacht dat je alleen een schrijfpauzerondje liep,’ zeggen mijn zonen en ze beginnen te lachen. ‘En nu gaf je een dure pan terug en kocht je een nog duurdere die nog meer aanbakt?’
Ze liggen dubbel.
Ik steek waardig mijn kin vooruit. ‘Ik ben een schrijver, jongens. Ik ga méé met wat het leven me aanbiedt.’
‘Panveldonderzoek.’ Ze schateren schaamteloos. ‘Je kón niet anders.’
Volstrekt kalm en heel cool bovendien, knik ik waardig. ‘Onthou nou maar; alles is materiaal. Wie wil er een aangebakken eitje?’