Lijntjes volgen en kijken waar ze uitkomen
Er was een meisje in de klas dat opeens vertelde dat ze ook was weggelopen, net als ik. Ze was van haar vader naar haar moeder weggelopen. De hele stad had ze doorgerend.
‘En toen?’ vroeg ik voorzichtig. Het gekke van schoolbezoeken is dat je kleine universa binnenstapt – en je wandelt even later weer weg. Ik probeer altijd goed op te letten waar ik mijn voeten zet. Niks per ongeluk knakken.
‘Toen mocht ik eerst bij mijn moeder blijven,’ zei ze met een frons. ‘Maar nu moet ik toch weer naar hem toe.’
Zeeën van leven in een paar zinnetjes. Ik kon zien dat de juf goed oplette en ik was blij dat dit meisje, deze juf had. Zulke vrouwen (en mannen) maken het verschil. Ik werd gered door mensen die alert bleven, vroeger, toen ik zelf nog alsmaar door steden rende.
‘Soms zijn de mensen die bij je horen het lastigste om mee om te gaan,’ opperde ik voorzichtig, alsof het meisje de volwassene was en haar vader het kind. Ze begreep me en knikte ernstig. Daarna ging ik verder tegen de klas: ‘Het mooie van verhalen maken vind ik; alles is materiaal, ook de minder leuke dingen.’ En de klas begreep het ook.
Daar mijmerde ik nog over, toen ik de na vier klassen de school achter me liet en naar huis treinde. Over dat rennende meisje. En over wat je meemaakt, wat je moeilijk vindt, en hoe daar vorm aan te geven. Zelfs slechte verhalen kunnen goed materiaal opleveren. En soms is een lelijk verhaal gewoon een lelijk verhaal met een functie, dan volg je de lijntjes en kijk je wat er gebeurt. Dat is alles en dat is dan genoeg.
Schoolbezoeken vind ik vaak ingewikkeld, juist door die werelden die je binnenstapt, waar je ongelukkige kinderen tegenkomt – of ongelukkige leerkrachten. Maar dit was een goeie. Dat je als schrijver een verhaal komt brengen, een verhaal krijgt en met zijn allen een verhaal maakt. Geen oplossingen – want wat zijn dat eigenlijk. Gewoon simpele lijntjes en dan een krul.