Let op de prielen
We gingen de zee zien, de waddenzee om precies te zijn, om in het echt te kijken wat er gebeurt bij laag water. Ik liep eerder wad, als je dat zo kunt zeggen, maar dan sta je erín, in die zee, die leeggestroomde vlakte die bij het lopen eerbied geeft voor het wassende water dat luttele uren nadat jij weer veilig op de wal staat, vloeit op de plekken waar je eerst nog was. Geen laarzen, die raak je kwijt in het slib, pas op voor de geulen. Let op de prielen.
Als je weet dat je een verhaal over dat wad wilt schrijven, wordt zo’n bezoek anders. Exotische woorden die je tot je neemt die horen bij de getijden. Verhalen over overvloeders, maar ook over zeekraal, zeesla en al die oesters en die dappere waterbeestjes, heen en weer gesmeten door de zee. Ik dacht, in Amsterdam nog, ik laat een man, een jongen misschien, zich verstoppen in zo’n geul, zo’n priel, zo’n slibpoel. Rietje in zijn mond, kikvorspak aan; het zou moeten kunnen, toch? Maar het échte wad bleek heel anders dan het wad in mijn hoofd. En nu beweegt mijn verhaal dus noodgedwongen mee op die getijden nog vóór het geschreven is. Dat is lastig, maar ook mooi. En ik moet er nog eens heen. Dat is nog mooier.