Hondenweer
Ik speelde scrabble en at chips en had nog lang die gore nasmaak in mijn mond, zeker tot het woord ‘zeeroos’ dat mijn zoon niet kwijt kon en daarna had hij geen zin meer. Dus nu drink ik thee en schrijf ik dit stukje, omdat een eerste versie van mijn nieuwe kinderboek door Caroline wordt gelezen en omdat die thriller ook nog niet op zijn eigen pootjes kan staan en soms houdt alles dus even zijn adem in en wacht het moment af, maar altijd wat asynchroon met mij, als ik net mijn mond even wil spoelen zeg maar, vanwege die chips, waar ik sowieso spijt van heb, want wat zou dat dóen zo’n smaak? Is daar weleens onderzoek naar gedaan? Smaakgevolgen? Dat je iets eet wat op zich niet per direct dodelijk voor je is, maar zo vies, ik zou schrikken als ik mijn lijf was en de volgende keer argwanend vanuit mijn keel omhoog kijken naar mezelf, mijn malende mond, naar die hand van mij die al dan niet met bestek gore dingen grijpt en naar binnen duwt. Zo beschouwd ben ik momenteel in dezelfde positief als mijn lijf; ook maar afwachten wat er gebeurt, niet de baas, hoewel ik wel iets zou kunnen kiezen natuurlijk, om de baas over te spelen bedoel ik. Rennen bijvoorbeeld, want dat heb ik ook alweer tijden niet gedaan – terwijl Ronald Ockhuysen laatst nog de marathon van New York deed zag ik hier en Sarah ook, maar ja, ik had pijn in mijn heup en ook zonder pijn kom ik niet verder dan 7,5 en dan lees ik op dat rot-internet dat je dan ook per direct je conditie kwijt ben als je een paar weken stopt en bovendien hoor ik hier iemand mompelen ‘in dit hondenweer?’ maar het voordeel van rennen in hondenweer is dat het niet erger kan worden. En soms hou ik best van honden. Als ik ze maar niet op hoef te eten, ik zou niet willen weten hoe ze nasmaken.