Hand in hand lopen
Vandaag is het precies een jaar geleden dat mijn vader overleed. We waren erbij toen hij doodging, mijn lief Alex en ik: in dat kleine vreselijke tehuiskamertje. Er was niet echt een uitblazen van adem, het hield gewoon op. Het eindigende stopte.
Wat ik me vandaag vooral herinner is dat er de dag voor hij stierf een moment was dat we allemaal samen om zijn sterfbed Indonesisch aten, wat mijn schoonzus in bakjes het tehuis had binnengesmokkeld. Hoe licht we even waren bij al die naderende dood. Omdat we samen aten denk ik, en wie eet, die leeft.
Vandaag was ik met Alex bij het Kootwijkse zand, waar de wieg van Beste broers stond, maar waar ook mijn zomers waren in de boerderij van mijn oma, waar de vroegere buurvrouwen nog steeds zwaaiend voor het raam bleken te zitten en waar we binnenliepen en verhalen en tranen konden delen, waardoor de hele tocht op de een of andere manier echter werd. ‘Het oude huis’ noemden ze Kootwijk (wij noemden de boerderij dus ‘Kootwijk’ heel verwarrend eigenlijk, omdat het dorp ‘Kootwijk’ ernaast zit en dan worden zinnen als ‘je kunt Kootwijk al zien’ onduidelijk – overigens kún je Kootwijk niet meer zien want het is platgegooid en vervangen door een zwarte kolos met een indrukwekkend hek – de boerderij, niet het dorp). Maar ik dwaal af.
We liepen na het bezoek het oude ommetje, dat net als de eindeloze meditatieve rondjes van boeddhisten wel ergens in dat zand gegrift moet staan. Ik toonde Alex de zandheuvel die geen zandheuvel meer was, maar waar ik vroeger vanaf rolde, wat mijn tienjarige zelf betreft de belangrijkste heuvel van het hele zand. Het was door het druilerige maandagweer (Maar niet nat! Soms zonnig!) perfect stil tijdens onze wandeling – op het schieten van Harskamp na, maar dat was vroeger ook altijd al. ‘O Harskamp weer,’ zei mijn oma dan.
Ik wandelde, kortom, door mijn geschiedenis en mijn beste maatje hield stevig mijn ene hand vast en aan mijn andere hand liep mijn moeder met nog beide benen mee en zij had weer mijn vader vast, die naar een vogeltje keek door zijn kijker, een nachtzwaluw misschien wel, en via de draadjes van twee kijkers verbonden, stond daar ook mijn broer en daar weer ergens een bolderkar en een sliert mensen die eindeloos lang en tot ver over de velden meeliep, levend en dood, Kootwijkgangers, mensen die voor altijd daar, net als ik, dat rondje zullen blijven lopen, op wisselvallige momenten. Want mensen vertrekken steeds, maar het land blijft.