Reed de weekendroute

Aran had eerst een judotoernooi en daarna expositie van zijn tekenles. Milo slalomde tussen de mensen in het gymzaaltje door, en dat waren er heel erg veel. Het was er ook nogal benauwd.
‘Wat kan ik doen,’ vroeg Milo steeds.
‘Mijn rug masseren,’ antwoordde ik steeds. Dan slalomde hij weer weg.
Bij de tekenlesexpositie hadden ze zoete popcorn. Ik nam een hele hand. Milo nam de helft daarvan.
Het was er een stuk minder druk en het hielp ook dat we niet steeds naar elkaar keken, maar naar de tekeningen.
Ik dacht, niet voor het eerst, wat raar dat deze wereld ook bestaat. Naast zelf kiezen wat je wilt doen.
De weekendroute die zovelen gaan, die voert langs stinkende gymzalen, verhitte gezichtjes, ouderlijke bewondering en immer geheven smartphones.

 

Een kraai om je kont mee te krabben

Je begint met schrijven. Je blijkt een administratie te moeten bijhouden. Er komen contracten op tafel. Er is iets met cijfers aan het einde van het jaar. En ook al halverwege. Soms vallen die cijfers tegen. Soms is dat je eigen schuld.
Dus ik volgde een workshop Onderhandelen voor schrijvers. Aangeboden door de VSenV.
Een zeer goed initiatief, want meestal zeg ik tegen een contract: ‘doe maar’. Of, ook enorm efficiënt, ik hol weg.
Meer zelfvertrouwen zou ik willen, meer doelgerichtheid ook. Het helpt als je helder formuleert wat je doel is, ontdekte ik gisteren.
‘Het is een spel,’ betoogden de excellente workshopleiders Bas Poppe en Renske Douwes Dekker (ja, familie, hij was een betoveroom).
‘Hoe vaker je het speelt hoe leuker het wordt.’ En ze keken mij aan, dat merkte ik heus wel.
Dus we speelden. We speelden uitgevertje en auteur, we speelden iets met cijfers, we speelden de verkoop van een auto – had altijd in de garage gestaan.
Een fijne groep, veel houvast en inzichten.
In mijn schrift ontstond een lijstje met persoonlijke achterstallige onderhandelzaken. Ik had er bijna zin in.
Dat lijstje keek me vanmorgen met een dikke grijns aan. Vieze tandjes, die mochten weleens gepoetst worden, met Cif. Aangezien ik nergens Cif kon vinden stond ik al bijna buiten met mijn hoofd in een bak zand. Verder hield ik de hele tijd een koffiekopje voor mijn ogen, zodat het zicht ook effectief verminderde. Vervolgens kregen de kinderen enorm veel aandacht, en nu schrijf ik – hoognodig- een blog. Oh, en ik fotografeerde een kraai – of een kauw, dat kan ook.
Het is een spel, Jowi, schrijf ik nu streng tegen mezelf. En daarna voeg ik er heel kinderachtig aan toe; en ik vind er nog steeds geen bal aan.

Kapotgoedkoud

In mijn jaszak vind ik nog wat stickers van Weg. Ik kijk even om me heen. Plak er één op de lantaarnpaal. En een paaltje verder, hup, nog een.
Het is een mooi kauwtje, dus dat mag best op zo’n grijze paal. Ik trek mijn muts nog wat verder over mijn hoofd, want nat haar, koude handen, overal glinsterwit.
In de sportschool net, zei de veertienjarige dochter van de sportschoolhoudster dat ze Weg kapotgoed vindt. Daar heb ik me vervolgens kapotblij een half uurtje in het zweet op gesport.

FEESTACTIE of goeie voornemens voor het oude jaar

WEG
Nadat zo’n boek het licht heeft gezien, zijn er maar heel weinig dingen die je kunt doen.
1. Alle boekhandels af en overal jouw boek bovenop de stapel leggen.
2. De hele dag jezelf googelen.
3. Peinzen over manieren om de bekendheid van je boek te helpen.

Bij punt 3 heb ik dit bedacht; heel origineel is het niet, maar wel leuk.
KERSTACTIE: bestel nu bij mij een boek en krijg er 1 voor de kerst, met handtekening!

Kan ik punt 3 van mijn lijstje strepen.
Sla ik 2 over, want daar word ik zo rusteloos van
En 1, nou ja, daar moet ik nog even moed voor verzamelen.
Of ik vraag het aan Sint, of hij het voor me doet.

Alles witjes

We lopen naar school. Overal is het wit, en Milo heeft Elsa vast, want die gaan we straks terugbrengen.
Maar voordat Else teruggaat, wil Milo haar graag nog even aan de juf van Aran laten zien.
Aran stapt wat stilletjes voort. Ik kijk naar zijn rugzak, die is wel erg leeg voor een jongen die naar gymles gaat. Ik check; geen gymspullen. Aran trekt zijn mond in een dun streepje. We lopen terug naar de boot. Gymspullen in de tas. Aran wordt nog stiller. Hij is nu bijna net zo wit als het gras. Dat zeg ik tegen Milo, die enthousiast op alles wat wit is begint te wijzen. Zijn broer zegt alleen maar ‘nee’.
‘Wat gaan we vanavond eten?’ probeer ik.
Nee.
‘Pannekoeken?’
Nee.
Zelfs de tranen op zijn wangen zijn wit.
De juf vindt Elsa prachtig. Aran mag zelf vertellen dat hij een snipperdag neemt. Dat is het goeie van de juf: ze ziet dat het nodig is.
Hij mag de rekenopdracht mee naar huis nemen.
Tegen de tijd dat mijn zevenjarige bij de bootkachel zijn potlood staat te slijpen, is hij weer roze.

Beetje fladderen

De opwinding van de boekpresentatie van Weg duurde een heel weekend, gonsde maandag en dinsdag nog na – en daar heb ik bewijs van – maar vanmorgen was ik weer mijn eigen mopperige zelf, heel jammer vond ik dat. Er werd gezeurd over wie de kinderen naar school bracht (ik, vrijwel altijd) en waarom dat eigenlijk ook alweer zo was en nog wat gebrom en al dat geluid kwam uit mij.
Ik schopte mezelf na het afwerpen van de kinderen dus snel naar de sportschool want als je het er met denken niet uitkrijgt, dan met zweten soms wel. Daar moest ik ook al zo hard werken vond ik bozig, maar het trok na een half uur bij. Het lukte het me zelfs vier minuten ‘plank’ te staan, iets wat me maandag ook al was gelukt, maar nu was het dus woensdag en lukte het weer.
Dus dat telde ook.
Nu er weer in. Lezen, schrijven, achterstallig werk, tussendoor een beetje fladderen.

 

De beste tot nu toe

Het was zo ontzettend spannend en fijn, de boekpresentatie. En ik ben al vanaf half vijf wakker omdat ik daarover niet uit gejuicht raak van binnen.
Dit was mijn speech.

Hij was een jongetje dat wegliep om de vrijheid te veroveren. Een tijdje. En daarvoor was hij een meisje dat in zeven sloten tegelijk liep.
Ze wilde leren vliegen. Ze wilde leren vioolspelen. Ze wilde niks van de wereld.
Ze was boos, bang, verdrietig, ze had een broer, een zus, geen broer of zus, een vader die marineman was, ze sprak nooit, ze stopte nooit met praten.
Een aanvraag voor de beurs van het Letterenfonds stamt uit 2011.
Die gaat zo:

Uitbijter gaat over Janna, een vrouw van eind twintig die zich heeft teruggetrokken in een woonwagen onder de rook van Amsterdam. Ze heeft een groot deel van haar leven aan aikido en Japans zwaardvechten besteed, maar het is haar nooit gelukt haar woede de baas te worden.

Janna was een kwaaie. Een verdwaalde vechtster, die leefde volgens het handboek van de samoerai:
Het is zowel een teken van lafheid als van gebrek aan vastberadenheid om een zwaard te trekken als men zo dronken is
Denk aan matroesjka poppetjes. Uit Janna kwam Anna.
Een kleiner meisje. Met een kleiner zwaard.

Andere titels: Huidhonger. Robin. Reservekind. Voor Jou.
Beginzinnen:
Rond haar vierde ontdekte Anna dat ze vleugels had.
Of: Tijdens het wassen van haar kleren was ze naakt.

Dus eigenlijk is er niet zoveel veranderd.
Nee maar echt.
Of eigenlijk: echter.
Het is steeds echter geworden. Steeds meer het verhaal dat het steeds al wou zijn.
Het is een onderzoek naar hoe dingen gebeuren, zonder daar grote verklaringen bij te verzinnen.
Het is wat het is. Het doet pijn. Je loopt weg en je wilt weten waarom. Weten waarom maakt je minder weg.
En iets wijzer.
Graven en pellen. En vooral ook veel dwalen. Schrijven over weglopen en dan verdwalen, dat is ook niet vreemd. Moerassig wel.
Graven zonder bodem. Laag na laag. Tot ik bij Robin kwam. Bij het verhaal van Spanje.
Bij de muziek, bij Barry, Frank, Soif.
Bij Monique Postma, mijn redacteur en vriend, die me dat moeras uittrok. Hup, aan de slag. Eerlijk zijn.
Met haar hulp werd het een verhaal dat op zichzelf kon staan. Minder ruis, meer ziel.
Zonder Monique was dat niet gelukt. Zonder mijn uitgevers, Frank van Klaveren en Arthur Hoogland, zonder Berd Ruttenberg, zonder vormgever Ron van Roon, was het niet zo mooi geworden.
Maar er waren nog veel meer helpende handen. Mijn ouders. Die het lazen en goedkeurden. En dat is ontzettend belangrijk voor me.
Al mijn vrienden en geliefden. Jullie dus. Jullie hielpen me verder. Jullie lazen, bestudeerden, redigeerden versies die soms allang niet meer lijken op het boek dat er nu ligt, jullie ontwierpen stickers, jullie waren vooral ook wie jullie zijn: vrienden. En daar word ik blij van. En dat heeft me altijd geholpen.
Zonder jullie liep ik nu nog steeds met mijn zwaardje op moerasplanten in te hakken.
Of erger: dan was ik andere verhalen gaan schrijven, terwijl dit het verhaal is dat geschreven moest worden.
Gelukkig.
Eindelijk.
Het is er.
Het beste boek tot nu toe.
WEG is af.
Nu kan ik beginnen.

 

WEG bijna

Met Aran in de auto de taart ophalen.Die ze niet kunnen vinden. Althans niet meteen, ik zie ze achter rondscharrelen, van die vraagtekens die van hun hoofden vallen. Ik knijp in Arans hand, hij knijpt terug. Zijn zenuwachtige moeder, daar wordt hij enorm rustig van. De taart is gevonden, met versiering in een zakje aan de zijkant, zelf op te brengen. We rennen door de regen, terug naar de auto, mijn buienapp heeft het mis. Het gebeurt niet over vijf minuten, het gebeurt nu, druppels op de taart. Maar niet teveel, niet heel erg. Ik prijs ons gelukkig als de wolk even later tijdens het door de stad rijden echt barst. Ik prijs ons heel hard gelukkig. We zwemmen naar Boekhandel van Pampus, Aran wil dat ik een verhaal dat ik vanmorgen begon te vertellen verder vertel, maar mijn hoofd zit vol druppeltjes. Iets met mijn jurkje, en wie ik toch allemaal vergeten ben, en of dat uitmaakt, of dat ze zelf ook wel gaan kopen misschien, of ze het erg vinden, of ik het erg zou vinden, iets met rechtop staan en zichtbaar zijn en hoe snel de tijd gaat. Geen enkele echte gedachte vormt zich, maar die wolkbreuk, die begrijp ik inmiddels wel.
Over één uur en vijftig minuten begint het.

Over trillende benen en hoge hakken

Gisteren dacht ik nog dat ik wakker lag van die bloedmaan die onzichtbaar achter de wolken zat te stralen. Vannacht dacht ik dat niet meer. Want ik was alvast een speech aan het bedenken. En vooral ook iets om iedereen te bedanken. Ik bedacht dat ik vast niet iedereen heb uitgenodigd. Want er komt weer een boekpresentatie aan (vrijdag, overmorgen dus, vanaf 17 uur, boekhandel Van Pampus, Amsterdam – nu hopelijk wel), en ik vind het eng.
Toen ik nog viool speelde had ik een keer hakken aangedaan voor een optreden. Maar toen trilden mijn benen zo erg dat ik het hele optreden casual tegen een tafel heb staan leunen. Niet naar mijn benen kijken, dacht ik steeds, hoewel ik het zelf eigenlijk ook wel wilde zien. Die zelfstandig trillende beentjes. Met die hakken eronder. Kinderen doen dat. Die vallen op de grond en bekijken dan de grond om te zien waar de pijn vandaan komt. Ik wilde zien waar de zenuwen zitten.
Maar er is daar niks te zien. Het zit in je kop. Zei ik vannacht tegen mezelf. Een beetje streng.
Diep ademhalen schijnt te helpen. Bij sommige mensen dan toch, bij mij helpt het niets.
Wat wel helpt; me verheugen. Dat helpt niet tegen de zenuwen zelf (zie het wakker liggen) maar als ik daar dan ben, tijdens die presentatie, dan helpt het. Zelfs als ik me angstig afvraag ‘waarom wilde ik dit ook alweer?’ Omdat er een heel goed antwoord is. Omdat ik kan zeggen: Er is een boek gemaakt. Met hulp van al deze mensen. En die zijn er nu allemaal om getuigen te zijn van dat boek. Voor mij. Voor dat boek.
Wat een goed leven is dit. Ik mag doen wat ik het liefste doe. Dankbaarheid.
Vannacht ga ik me dat vertellen. Misschien helpt het om weer in slaap te vallen.
Zo niet, dan kijk ik alvast naar mijn benen.
Preventief.

De glijdende schaal van slagroom

Kies je strijd, dat blijkt toch altijd weer een fijne leus.

Ik heb nogal wat te kiezen dezer dagen.

Een boek – over solidariteit nog wel – dat wordt gepresenteerd zonder dat ik ben uitgenodigd. Ik schreef de helft, werkte er een zomer non-stop aan, met de onvolprezen fotograaf Chris de Bode.
Als het boek een berg veren was, en je mocht ze er zelf insteken, dan zaten de billen van de andere auteur nu propvol.
Dat beeld vind ik fijn, bovendien werd ik goed betaald. Ik laat de strijd voor wat hij is.

Een ander boek in opdracht, veel slechter betaald en dan ook nog na maanden zeuren. Een boek waar ik als vriend bij werd gevraagd, en daarom hard mijn best voor deed. Het wordt gepresenteerd op een dag dat ik niet kan. Geen vraag, een feit.
‘Je bent de eerste die de definitieve uitnodiging kreeg.’
Er is iets mis met dat woordje ‘definitief’. Maar als ik dat moet uitleggen, als iemand dat niet uit zichzelf snapt, dan kies ik de strijd.
Wil ik dat? Ik aarzel.
Ik verzin een beeld bij het boek, bij de samenstellers, de vormgevers.
Iets met duiven, om bij die veren te blijven, dat dommige heen en weer bewegen van zo’n kop tijdens het lopen. Ik weet het ook niet, ik weet het ook niet, ik weet het ook niet.

Gelukkig vier ik vrijdag de komst van mijn eigen boek. Alle snavels dezelfde kant op. Er zijn stickers, posters, er is zelfs al een recensie met vier sterren. Geen strijd, wel gespannen verwachting. En er zit een kauwtje in dat boek. Nog een vogel.
Wat natuurlijk klopt.
Ik zit hier immers ook te piepen.
We zijn allemaal kuikentjes, we hebben allemaal last van ons ego.
Misschien moet ik wat extra slagroom op mijn feesttaart vragen. En die dan, mochten ze toevallig voorbij lopen, stevig maar vriendelijk – ja sorry, maar het stáát je zo leuk – in de smoeltjes van die andere vogels douwen.