Borsten en benen en billen en een bad
We waren in Rome, voor Pasen en de paus uit, en we gingen naar de Sixtijnse Kapel. Tot dan toe waren we steeds in serene rust onze berg afgedaald, we sliepen in Monteverde, en dan moest je eerst een uurtje naar het centrum lopen. Dat was, toen we eenmaal de goeie routes hadden ontdekt – door een park, langs de stad met adembenemend uitzicht, een feestje. Maar zo vlak voor Pasen was de Sint Pieter een fuik. Een schuin bad met knikkers of nee, jelly beans of nee gel-knikkers, want ook plakkerig en taai en te beknijpen. Wij waren dus die gel-knikkers en wrede Romeinen trokken af en toe de stop van het bad los en dan werd er een te groot kluitje knikkers door een te klein gaatje geperst. Flop. Flop. Flop. Je zag het voor je neus gebeuren. Hekjes, hokjes, scanners waar tickets op moesten, of in, of onder, of naast. Je wist dat jij het straks ook zou zijn, zo’n knikker en dan uiteindelijk, flop, daar ging je.
Die kaartjes voor Michelangelo hadden we in Nederland al geregeld en zelfs iets met ‘niet in de rij’ staan, wat niet helemaal waar was, maar absoluut minder waar dan voor de mensen die in nog veel langere rijen stonden.
Ik ben niet zo goed in gel-knikker zijn. Vlak voor de Kapel had ik bovendien een nieuwe versie van mijn boek ingeleverd en ik hing nog half in een wereld van allene kinderen en iets met mijn eigen ouderloosheid en andere ongrijpbare zaken. Dat ik vrijwillige zo’n mensenfuik in zwom ging mijn verstand te boven. Mijn lief is in principe de beheersing zelve, maar mijn eerst totale onrust en daarna alsmaar groeiende kwaaie paniek, bracht hem van zijn stuk. Gelukkig was er daarna een razende rondleiding van een uur of drie, waarna we in de Sixtijnse kapel werden afgezet met de boodschap dat we zo lang mochten blijven als we wilden. We vonden zelfs ergens een bankje om naar boven te kijken. Ik keek naar boven, maar mijn hoofd holde nog achter de gids aan, die zalen zo helemaal volgeschilderd, vooral die laatste enorme taferelen, gemaakt door Rafaël. Zijn werk deed me denken aan een vorige eeuw toen ik een scharrel had die al die beelden vol meesterschap op straat krijtte, en er geld mee verdiende. Frank heette hij, en toen hij doodging heb ik een liedje voor hem gemaakt. Misschien doet kunst dat wel, dat soort associaties losweken. Of nou ja, bij mij dan toch. Het is jammer dat je dan eerst door poortjes wordt geperst en vooral ook al die lijven! Ik stelde me er een hetere dag bij voor, en plakkerige shirts, oksels en kuiten, wat me terugbracht in de kapel, waar het ook leuk was om naar de bewakers te kijken die steeds opdoken naast toeristen die tóch stiekem zelf wilden fotograferen wat al zo eindeloos was vastgelegd. Een weetje van de gids; er hing na de restauratie al snel een onverklaarbare witte waas in de Sixtijnse kapel die het vers gepoetste plafond bedreigde. De heilige geest was het niet. Wij waren het. De mensen. Onze huidschilfers vermengden zich met de verf. En misschien, dacht ik op mijn bankje, omringd door buiken en benen en billen en snorren en ogen en hier en daar een plakkerig kind, mijn lief las me zacht voor – by far de beste gids, de beste stem – misschien vermengde die verf zich op haar beurt dan ook weer met ons. Heb ik nu de pigmenten van Rome een beetje bij me, meng ik me met Amsterdam en met iedereen die ik tegenkom. Ben ik mijn eigen waasje, een weeswaasje.