Puntige tandjes

Ik overweeg een digitale agenda, maar kan me niet goed voorstellen waar ik mijn afspraken laat, als ik ze maak aan de telefoon en niet bij de computer ben. Dan roepen we tijden, dan zeg ik; dat zoek ik even op, en dan hou mijn agenda dus tegen mijn oor. Verder is hier veel stilte tussen de woorden in, gevuld met enorme krokodillen.

Het geluk niets te voelen

Ik verstuurde de papieren voor een sportclub van Aran naar een opdrachtgever, omdat ik dacht dat het de overeenkomst van opdracht was, ik bond met tie-wraps een groen meisjesmandje aan mijn fiets wegens gebrek aan tas-ruimte, waardoor mijn stuur niet meer wil draaien en waar geen kinderbeentjes onder passen, en die fiets ís al zo zwaarbeladen met witte tassen waar biggetjes op staan, maar waar geen bagage in mag, omdat er al kinderbeentjes in zitten, het liefst achterstevoren op een kleurrijk op dikte uitgekozen kussen met een minuscuul ruggensteuntje en dan toch hard gaan mama, ik voel het wapperen, rij je ook over die hobbel? Harder! Hobbel! Ik voel helemaal NIETS!
Milo en ik dragen allebei een jurk vandaag, mijn haar net zo ongeborsteld als het zijne en straks heb ik een afspraak met een financieel adviseur, maar misschien zou een afspraak met een kapper beter zijn. Nieuw haar, nieuwe spullen en als die overeenkomst nou ook op zijn plek zou vallen, naast de wijze woorden van de adviseur wellicht, dan is er straks zelfs geld om de boel te verbinden. Met een kleurig strikje, ongetwijfeld.

 

Heuveltjes

Afzeggen, dat moet nogal veel als je man gekneusde ribben heeft en in het algemeen wat wankel is. De dierenarts (we mochten verzetten), theaterbezoek (zeer baluh), tennisles (ze waren boos). Autorijden door de stad doe ik ook opeens. Naar t OLVG vandaag en eerder naar de dokter drie straten verderop, inclusief de jongetjes die keer, want waar moesten we ze anders laten. Tussendoor werken. Met de laptop, heel flexibel en globetrotterig. En het lukt nog ook, lang leve de wifi. Fietsen naar de nieuwe crèche, Milo naast me op zijn eigen fiets, met helm, over allemaal bruggetjes en dan meteen daarna hard trappen om weer een nieuwe heuvel op te komen. ‘Ik zet even mijn kracht aan, mama.’
Als ik eerlijk ben vind ik het ook leuk. Zo heel afwisselend, veeleisend, helder bovendien. Dat gesjouw ook met iedereen, een soort miniavonturen zijn het. Want het is gedoe, maar wel lekker gedoe met zijn allen. We hebben allemaal onze kracht aan. Of bijna allemaal, sommigen moeten eerst nog één heuveltje.

Beter


Vandaag herinnerde hij zich iets beter de kindjes van gisteren en die kwamen ook allemaal weer binnenlopen. Dat was fijn. Bovendien was er duplo. En een toren waar autootjes af konden rijden.
We knuffelden en zwaaiden en ik fietste weg.
Zelfs Broccoli mauwt niet meer zo klagelijk.

Lentelied

Ochtend, 27 maart, een fier zonnetje, een jammerende Broccoli achterop de fiets.
Broccoli is de kat, haar broer heet Mo.
Broccoli’s driejarige naamgever zit voorop diezelfde fiets en luistert aandachtig naar het kattengeweeklaag. Ze roept Moooooo, stelt Milo vast. Ze mist haar broer. Om er daarna waarschuwend aan toe te voegen dat hij niet naar de crèche wil. Echt niet. Terwijl we daar dus naartoe gaan. Eerst Broccoli castreren, dan Milo uit spelen, dan Jowi aan het werk. Dat is het plan van de maandag.
Omdat Edwin voorlopig niet mag autorijden, moest ik twee weken geleden per direct een crèche in Amsterdam zoeken. Vorige week ging het wennen goed, nu is Milo op de fiets alvast begonnen met huilen. Ik rij voorzichtig over de hobbels in de weg. ‘MOOOOOOOOO,’ klinkt het voor en achter me.
Het is lente, zegt de dierenarts, alsof dat alles verklaart. Milo is tijdelijk opgeknapt en houdt een verhaal over poezen. Ik moet denken aan bloembollen die in de lente een ontkiemseintje krijgen en dan aan het groeien slaan. Blijkbaar geldt dat seintje voor Broccoli’s ook, maar dan de krolse variant.
Ik wil niet naar de crèche, zegt Milo zodra we weer buiten staan. En het ding is, ik ben niet gewend aan hem wegbrengen. Bij mijn oudste kon ik ieder ‘ik ben tegen’ huiltje herkennen. Maar Milo was Edwins’ job. Qua wegbrengen dan.
Bovendien is er werk. Ga ik morgen al niet naar New York. Heb ik twee weekenden doorgewerkt. Of misschien is het de zomertijd die alles wat ingewikkelder maakt, weetikveel.
We fietsen over bruggetjes met wiebelstenen. Er is geen Broccoli meer bij, maar van Milo moet ik toch voorzichtig doen. Hij wil dat ik links hou. Ik hou rechts, hij heeft me door, hij huilt. Tegen de tijd dat we bij de kinderopvang aankomen is zijn volume orkanisch.
We zitten even op een steen bij het IJ, om bij te komen. We onderzoeken de mogelijkheden. Het zijn er niet zoveel.
We gaan naarbinnen. Het huilen zwelt weer aan.
Ik trek me los, uiteindelijk, zwaai door het raam, waarop hij, mijn schatje, nog steeds hevig brullend, even terugzwaait. En zijn moeder, de verraadster, grijpt de fiets en heft het lentelied. ‘Mooooo.’

Hij viel om


Gistermiddag kwamen mijn ouders na een familiebezoek in Utrecht op de terugweg langs de boot. Op ziekenbezoek bij Ed, terwijl ik net een dagje vrij worstelen met de kinderen achter de rug had, die van slag zijn omdat Ed altijd op zaterdag met ze gaat sporten, en ze nu in plaats daarvan met mij zaten opgescheept. Edwin kroop beleefd van bed naar bank (en na luttele minuten zacht kreunend weer terug) en toen we na het opeten van de miniappelflappen naar de auto van oma en opa liepen, wees Aran: ‘Hee, ze hebben een lekke band.’
‘Nee, dat komt door die geul,’ zei ik nog, maar toen draaide mijn vader met een floppend geluidje zijn platte band uit de geul.
Dus wij weer naar binnen, Het half zes, ik had gelukkig net voor twee dagen avondeten gekocht en mikte alles in pannen, terwijl mijn moeder de boontjes dopte.
Mijn vader beleefde ondertussen zijn ultieme padvindermoment; niet alleen dacht hij eraan zijn parkeergeld-app weer aan te zetten, hij had ook een reserveband, de wegenwacht kwam eraan en zelfs zijn autopapieren lagen gewoon in het dashboardkastje van de auto, zoals je dat zou willen, maar zoals het zelden is.
Het eten lukte, de wegenwacht appte dat ze wat later kwamen en dat dat zielig voor ons was omdat we in de regen stonden en de jongetjes, opa en en oma en ik waren allemaal heel tevreden dat dat lekker niet waar was.
Bij het toetje, raketjes, kwam de wegenwachtmotor voorrijden, mijn vader liep naar buiten, en Milo stopte bezorgd mijn vaders ijsje in de vriezer, want anders ging die natuurlijk smelten.
Ik ging de afwas in de vaatwasser zetten en Edwin helpen bedekken met een dekbed en daarna maakte ik koffie om naar buiten te brengen, voor bij het banden wisselen. Maar ik stond nog niet in de gang of mijn vader kwam alweer binnen; band zat eromheen, we gingen met koffie en al naar het ruim waar mijn moeder een sprookje zat voor te lezen, Milo aan de ene kant, Aran aan de andere kant. Mijn vader ging naast Aran op de bank, ik op de grond bij Milo. Het sprookje was nog niet afgelopen; het tinnen soldaatje bleef maar naar zijn danseresje smachten.
Tegen de tijd dat het soldaatje in het vuur werd geworpen en begon te smelten, schoof ik naar mijn vader toe en ging legde mijn hoofd tegen zijn knie en hij tikte op mijn hoofd (hij is niet zo goed in aaien) en toen moest ik heel zachtjes huilen.

Na het sprookje was het al zeven over acht, Aran dook meteen zijn bed in, Milo wilde nog wel mee in dat enge donker om opa en oma uit te zwaaien. Als ik zijn hand vasthield was het minder donker. Dus we klommen op de wal en Milo riep: ‘Opa! Je ijsje!’ Ik liep weer naar binnen, haalde het raketje uit de vriezer en ja hoor, het was nog helemaal bevroren.

Gaat op pad

Ik wen niet snel. Aan niks, eigenlijk. Maar vooral niet aan reizen. Dat maakt dat het geweldig en minstens zo eng. Zoals nu, ik moet in Den Haag zijn bij een basisschool die daar ergens links achterin ligt en heb besloten om met het openbaar vervoer te gaan. Omdat door de file rijden minstens zo erg is en ik ga onderweg schrijven,  is het voornemen. Maar ik ben zenuwachtig. Ik print nu de gegevens op de studio – uiteraard was de computer op de boot net vanmorgen stuk – ik scheur zo meteen naar het Centraal – ik weet zelfs het perronnummer. Ik ben zenuwachtig. Het is ook zo’n optreden op een school, zelfs al heb ik mijn fleurigste jurkje aan. Of eigenlijk; het optreden zelf is het minst enge. Het ding eromheen. De voordeur vinden, ik noem maar wat, die verstoppen ze nogal eens in zo’n blokkendoos, zodat je eerst een parcours door het struikgewas langs drie blinde muren achter de rug hebt voor je een deurtje vindt. Dat dicht zit, uiteraard. Sta je daar met een half bos in je haren. En dan weten ze soms niet wie je bent en als ze al weten wie je bent vragen ze zich af waarom je komt. Niet in dit geval natuurlijk, ik denk dat er in dit geval bij elke muur iemand op me staat te wachten om me de goeie kant op te wijzen. Althans dat hoop ik. Want nu moet ik weg. Als ik vanmiddag nog niet terug ben, zullen jullie dan even zoeken?

Workshop schrijven in Noord


‘Uit de vaart halen’ bedacht ik me, dat is toch wel een lievelingszin van heel vroeger, van voordat ik wist dat je lievelingszinnen kon hebben. Vervolgens waaide ik bijna een auto in bij de noordelijke rotonde, het Oostveer, dat dus nog wel in de vaart was, had ik al achter me gelaten. Ik borstcrawlde door de Van der Pekstraat, tot bijna in het raam van Boekhandel Over het Water.
Mijn eerste workshop, gelukkig wist ik dat Lot er zou zijn, en dat ze mee ging doen, want het zou me niets verbazen als verder iedereen door dit weer uit de vaart was gehaald.

Ik had het mis; de tafel zat vol. En de magie van het samen schrijven, zo’n groep die zich binnen een uur vormt, voltrok zich.
Ontzettend blij, bijna uitgelaten, fietste ik twee uur later terug naar mijn studio. Wind in de rug.

Wil je ook? Het kan nog twee keer. Klik hier.

Tiktak

12:56, over 10 minuten ga ik koffie maken voor de Schrijversacademiestudenten die om 13:30 binnenstromen. Hoe vaak ik het ook doe, die stuk voor stuk getelde minuten voordat ze voor het eerst samenkomen vind ik altijd spannend. Alsof je weet dat je verliefd gaat worden, maar je weet nog niet hoe, want je hebt hun verhalen nog niet gehoord, nog niet bedacht hoe een stem zich zou kunnen ontwikkelen. Het vermoeden van een doel van een verhaal, van een schrijver, daarvoor moet je eerst even contact hebben gehad.
Ik heb speculaasjes en sinaasappels – moet ik ook nog klaarzetten – ik heb de deadlines voorbereid. Eigenlijk zou ik nu heel graag nog even aan mijn eigen verhaal, in mijn eigen wereld. Vacuümtijd, tussen de momenten in. Ik giet m vol met woorden.