t Beste Bal

Ik had nog opgeschept tegen de uitgever dat Aran net een padvinder is: betrouwbaar. Dus mocht hij met zijn vriendje helemaal zelf het drukke feestgewoel van het Kinderboekenbal in. Ze waren verkleed als vrienden, personages uit een boek dat nog moest komen. Met groene strikken, witte shirtjes en die gele gekregen NS petjes, waar een kleurenblinde visser vast heel blij mee zou zijn.
Dus ik had mijn handen vrij. Ik maakte een praatje, ik maakte nog een praatje, en steeds vaker zochten mijn ogen naar twee groene strikjes. Nergens iets groens, maar ja het was druk. En er was heel veel leuks te doen.
Ik liep nonchalant langs de hippe DJ, huppelde langs de schminktafel, beende dwars door het knusse breihok, nergens vond ik mijn jongetjes. Na drie rondjes keerde ik op mijn schreden terug. Dan maar vertrouwen, dan maar afwachten. Toen zag ik ze natuurlijk. In een hoekje. Met een boekje.

Literatour, dag 5 ontdek je plekje

Zou je naar Almelo kunnen varen, want zo ja, dan gaan we verhuizen, en wel nu. Wat een leuke school hebben ze daar, dat Erasmus en wat een goeie klassen! Verhalen werden er moeiteloos uit de mouw geschud, de vragen waren goed, de voorbereiding was geweldig, er was zelfs een klas die allemaal hoofdstukken aan Weg had toegevoegd. Die ga ik later lezen als de kilometers uit mijn benen zijn, als mijn hoofd niet meer suist.
Misschien dat ze zelfs mijn betoog over verhalen en hoe er veel meer zijn dan je op het eerste gezicht kunt zien, wel oppikten. En weer zo’n mooie mediatheek, met twee open haarden. Weet je wat, laat dat suizen maar zitten, ik ga de zeilen hijsen.

Goeie verhalen Literatour, dag 4

Elke avond werk ik mijn powerpoint bij. Omdat ik ‘vrolijk’ had staan bij ‘zielige’ muziek. Omdat ik meer plaatjes nodig had. Omdat ik nieuwe vragen verzon. Ik krijg tips onderweg van door de wol geverfde docenten, en af en toe ontstaan onderlinge discussies over goeie boeken. Vandaag had ik bovendien een lieve school, dat hielp ook. Met 1 minuut muziek maakten ze al de beste verhalen. Zo ontdekte havo 4  dat de klok te traag tikte, waardoor de kans bestond dat de hele klas voor eeuwig in ‘maandagmorgen’ zou blijven hangen. Gelukkig was daar held Rafael, die het gevaar ontdekte en de boef (Harold) versloeg. Rafael sloeg Harold niet in elkaar, nee, hij zoende hem (want Harold had nooit liefde gekend). De klas joelde en was gered.
Als ik er een film van ga maken komt zeker de helft kijken. Als ik er een serie van maak, kijken ze allemaal.

 

Literatour, dag drie

Ze hadden het soort mediatheek waar ik zou willen wonen. Lekker in zo’n oneindig kussen muziek luisteren en lezen. Of schrijven misschien, in ieder geval hangen. Een gulle mediatheek, waar het misschien wel niet uitmaakte wat ik er deed. Waar ik misschien wel niet per se zou hóeven lezen. Want ook vandaag trof ik weer een jongen die keek alsof hij het over gestampte vingertjes had als hij ‘boek’ zei.  Hij kon het zich simpelweg niet voorstellen, die lol, dat leven dat ergens tussen de letters zou moeten zitten. Maar een verhaal verzinnen bij een muziekje lukte moeiteloos. En hij was in de minderheid. Dit was de school waar we alleenstaande moeder Amina tot huurmoordenaar omtoverden, allemaal gebaseerd op een geluidsfragment en haar verlangen om beroemd te worden. Dit was de school waar een groep, toen de bel al ging zei: ‘Laat die bel maar, we willen nog even door.’

 

Rovers zonder boek

Oioi Havo 3, dat was even schrikken. Niemand las, niemand hield van verhalen en zelfs de lieve meisjes vooraan kwamen niet boven het lawaai uit. Maar ik leerde van ze, dat dan weer wel. Ik leerde dat ze van beeld houden, maar zelfs daar niet echt naar een verhaal kijken. Dus gingen we beelden raden. Wat wordt hier eigenlijk verteld, waar gáát dit over? Het werkte. Niet zo heel goed bij die ene groep, maar da’s het voordeel van vier per dag – wel bij de groepen erna. Uiteindelijk deden leraar Nederlands Jan en ik een polonaise op het Roverslied. Dus toen was het een feestje.

Literatour dag 1

Eerst was ik te laat om nog te vroeg te zijn en daarna was ik gewoon te laat. Ik had wind tegen en het regende en ik was niet meer helemaal gewend om daar rekening mee te houden. Dus werd ik in het Hyperion Lyceum opgewacht door docent Emiel en stagiair Jeroen die ietwat bezorgd naar mijn druipende hoofd keken.
We liepen naar het auditorium. Ik sloot de laptop aan. De batterij was bijna op. Hoe kon dat? Die had ik vorig jaar gekocht, met geld van mijn Jongerenboekprijs. En nu ging dat ding me in de steek laten? Ik bekeek m aandachtig: er was één uitgang stuk. Nu had ik er nog maar twee over, waar mijn ‘klikker’, de stroom én de verbinding met de beamer in moesten.
Aldus klooiende kwam de eerste klas binnen. Of eigenlijk geen klas, maar een cluster waardoor niemand elkaar helemaal kende. Maar ze waren er toch. En ik weerhield ze er net op tijd van helemaal achterin te gaan zin, waar ze in het duister zouden verdwijnen. Met enige tegenzin maar ook weer niet té mopperig schoven ze naar voren. Er kwam nog iemand van het CPNB, Jeroen stond klaar met zijn fijne introductie en ik dacht: dit is pannenkoeken bakken. De eerste is altijd een beetje bobbelig.
‘Wie houdt er van schrijven?’ vroeg Jeroen ondertussen. Er ging geen hand de lucht in. Van lezen hielden er wel een paar, en toen ik ze voorhield dat echt iedereen van verhalen houdt werd er na een tijdje instemmend geknikt. Dus ik had iets bereikt. ‘Batterij bijna op’ stond er op het scherm achter me.
We maakten met elkaar een verhaal om die bewering te testen. De stoerste jongen van de klas werd Petronella die van onderwaterdammen hield. En een voltallige derde jaarlaag won wegens opvallende intelligentie een reis naar Cambodja – maar hoe kwamen ze eigenlijk zo slim?
Zo groeiden we naar elkaar toe, op die eerste dag van de Literatour-tournee. Ik moet de komende vier dagen nog vier scholen en evenzoveel klassen per school.
Een meisje zei: ‘Bij een film kan ik de afloop voorspellen en ken ik de acteurs meestal wel, dat voelt vertrouwder. Bij een boek weet je vaak niet hoe het gaat aflopen en moet je ook nog eens zelf verzinnen hoe de personages eruit zien.’
Ik knikte. Maar het levert ook wat op. Want wie lege ruimte kan vullen met fantasie, leeft kleurrijker. Dat zei ik niet hardop, ik wachtte of het meisje nog meer ging zeggen. Wat ze deed, gelukkig: ‘T is best leuk, uiteindelijk, boeken,’ zei ze.

Weg wordt herdrukt!

Weg wordt herdrukt! Daar was al sprake van, maar nu is er ook opeens een tekort.
Op tijd voor de kinderboekenweek mailt mijn uitgever geruststellend, maar midden in de jongerenboekenweek, zie ik in mijn agenda. Hopelijk zijn er nog een paar exemplaren van de eerste druk over.
Want de Jongerenboekenweek begint de 24ste al en ik doe mee aan de Literatour.
Een tocht langs vijf scholen in vijf dagen met vier of vijf klassen per dag. Ik top t af met boekhandel het Leesteken op zaterdag, maar daar mag ik eten, dus dan weet ik tenminste wat ik moet doen als ik een moeilijke vraag krijg.
Gisteren was de informatiebijeenkomst over die Literatour bij de Schrijverscentrale en over hoe dat er aan toegaat, op zo’n middelbare school. Nu ben ik er hier en daar wel op bezoek geweest, maar het meeste zag ik toch basisscholen van binnen, bovendien had ik het dan nooit over lezen. Vooral over verhalen maken. En nu moeten we ook nog leesbevorderen.
Na afloop praat ik met Buddy Tegenbosch, gespreksleider en ervaringsdeskundige; hij heeft al meerdere Literatours achter de rug.
‘Dat mijn boek over weglopen gaat helpt misschien voor t gesprek,’ hoor ik mezelf half verlegen, half stoer zeggen.
‘Dat helpt vast,’ zegt Buddy, ‘Of je kwetsbaar opstellen,’ voegt hij er behulpzaam aan toe.
‘Kan ik wel,’ ik knik iets te hard van ja. In de verte zie ik ze naderen. De scholen, wielen onder de gebouwen, grote stofwolken, schreeuwende kinderen met zweepjes op de bok, de paarden aanmoedigend.
Ik ga me maar eens voorbereiden. En mijn cowboylaarzen zoeken.

Maria is weer thuis

Toen we in het dok lagen, de derde dag ofzo, stond er opeens een man in de stuurhut. Dat was verder logisch, want in zo’n dok zetten ze een hele grote trap neer (type vliegtuigtrap maar dan wiebeliger – en viezer), en daarmee loop je door tot je boven bent. Het was Antoine, de oude schipper. De man die de Maria Z. (vernoemd naar Maria, zijn vrouw) dertig jaar lang als vrachtschip gebruikte, hoewel ‘gebruiken’ bij een geliefde boot meteen zo raar klinkt.
Buiten, beneden, waren inspecteurs van de verzekering bezig. Met een hamertje om het schip en dan vrij hard op zwakke plekken tikken. Altijd spannend.
Het was geweldig om Antoine aan boord te hebben, want hij wist alles. ‘Wat is…’ begonnen de inspecteurs dan, en dan zei hij het al, de beun en daar moet je even op letten want…het derde roer zat daar, zie je dat?
En hij wist dus ook dat we in de werf lagen. Hoe dan, vroeg ik.
Nou, zei Antoine, dát de Maria Z. weg was, had ik al meteen gehoord. Er varen altijd oude bekenden langs jullie ligplaats. Die sturen me dan een berichtje: ze hebben een roestig sloepje op het achterdek gelegd. Ze hebben een feestje. Zo blijf ik op de hoogte, zei Antoine, met een grijnsje.
Dat de Maria Z. weg was wist hij dus meteen, waar we heen waren moest hij even uitzoeken. Uiteindelijk was het via mijn blog en dan vooral die foto die ik erbij had geplaatst. Het uitzicht vanuit het dok. Dat uitzicht herkende hij. Zaandam, kon niet anders. Voor hij het wist was hij in Zwijndrecht in zijn auto gesprongen en een uurtje later was hij hier.
Dat je een horizon ziet en weet waar je bent. Ik dacht meteen aan het schrijven van een botendetective. Iemand die door immense kennis van watertjes en schepen de grootste inzichten heeft. Als je een leven lang schipper bent, dan kijk je anders. Dáárom moet je dus meerder levens leiden, dacht ik vervolgens, door al die kennis zie je meer. En meer zien is de zin van het leven – of zou dat beter luisteren zijn. Antoine vond het niet erg dat ik mompelend wegliep, die stond met de inspecteurs naar een klinknagel te wijzen.
Nu liggen we weer op onze eigen plek. Ik schrijf dit in diezelfde stuurhut, maar dan met zicht op de vaste rode brug. Af en toe draai ik me om en zwaai naar de grote boten in het Amsterdam Rijnkanaal. Opdat Antoine het ook weet, dat we er weer zijn. Wat hij natuurlijk allang weet.

 

Weg willen

Ik begin aan dit uitzicht gewend te laten. Blijkbaar went zoiets snel. Maar ik wil wel naar huis, inmiddels. Naar onze ligplek, waar de boot niet zo raar scheef staat, waar het baggeren niet om half zeven begint, waar niet het ene probleem na het ander opdoemt en er eigenlijk geen tijd is om het fixen – waardoor de dagen opschuiven. We zouden vrijdag zakken. Maandag. Nu wordt het woensdag of donderdag vertrekken.
De kinderen alsmaar bij oma, die ga ik vandaag ophalen. Want ik word al moe van die wilde leeuwtjes, oma moet uitgeput zijn (al zal ze de eerste zijn om dat tegen te spreken). Maar weggaan hier bevalt me ook niet. Want er zijn nog zoveel projecten niet af. De gangboorden, met dat mooie grijs. Die zouden de boot kunnen transformeren – als ik tijd had om overal te schilderen. De hele opbouw in een andere kleur; wat een verschil zou dat zijn. Maar dan hebben we een hogedrukspuit nodig, en vooral; tijd. Bovendien wordt hier neergekeken op alles wat je boven de waterlijn doet; dit is een werf; hier repareer je met lasnaden, teer en vuil.
Er vaart een boot voorbij. Volle kracht. Soms voel je dat het tijd is om te vertrekken. Maar je gaat niet.

 

Rupsjes

Natuurlijk is het lastig als de pomp het niet doet waardoor je boot zo schuin hangt dat het lijkt alsof je afgeschoten gaat worden. Maar hang je eenmaal recht, dan hoor je hier.
Er gaat er iets knus van uit. Van een werf. Bovendien is het leven eenvoudig: je drijft, of je drijft niet. Hier worden de dingen beter. En je begrijpt; dat is een route. Als de kokkels van de boot zijn geblazen ruikt het een paar dagen naar lijken en wat je ook aanraakt; het geeft af. Alles maakt ook lawaai, het klopt, het boort, het knettert. En tóch. Een werf, dat is de hartenklop, dat is het essentiële onderdeel van de levenscyclus van iedere boot.
De boot weet het, de bewoners voelen het.
Ik zou een jongetje willen zijn en hier werken. Dan woonde ik in Zaandam. Dan kwam ik om kwart over zeven voor mijn eerste een bakkie koffie en wat klagen met de andere jongens. Of nee, mannen natuurlijk – de gemiddelde leeftijd is vijftig. Dan heette ik Wim en was er nog een oude Wim, werd ik dus automatisch Wimpie. Vond ik dan niet erg. Was normaal.
Dan ging om half acht het alarm af. En om kwart over vier nog eens. Dan was de dag weer voorbij. Fietste ik naar huis, keek ik met een colaatje naar sport op tv. Want, zo zou ik één keer per week in de kroeg beweren; ‘ik hou heel erg van sport’. Of ik ging op vakantie met mijn eigen bootje; aan elkaar gebouwd uit onderdelen die we op de werf hadden gevonden. Mensen gooien zoveel moois weg. Week in week uit. Maar hier werd er iets mee gedaan. Hier kon de wereld nooit vergaan. Dat zouden we allemaal weten. En zelfs áls de wereld verging, dan lasten we hem gewoon weer aan elkaar. Gaven we het lasapparaat aan ouwe Wim. Die legt de mooiste rupsjes.