Fietste ik toch nog inwendig mopperend door de Dapperstraat. Terwijl ik net yoga had gedaan. Dan verwacht je na afloop op zijn minst een beter humeur. Aanleiding voor de mopper was klein: ik zocht een DHL punt maar werd weggestuurd. Want ‘ja het staat wel op Google maps, maar we zíjn het niet.’ Niet erg niet erg, lachte ik, liegbeest dat ik ben.
Het was ook iets met de komende vakantie. Met dat gerégel. Dat ik ging filmen op maandag maar ook met Aran naar Cinekid en een afspraak over een klus en alles even ‘we zien wellerig.’. Dat ik die ene jongen nog steeds niet te pakken had voor dat ándere interview en oh ja, nóg een deadline, niet echt vergeten, maar misschien toch net iets te lang niet aan gedacht. Dan zie ik mezelf met zo’n hockeystick en van die kleine pilonnetjes en dan er tussendoor slalommen, op skates, die weer op stelten staan, met een blinddoek.
Soms wil ik heel veel geld en geen werk. Omdat ik denk dat dat heel veel geregel zou schelen. Maar meestal word ik heel onrustig van geen werk.

Hortsj

Toen ik nog klein was en droomde van paardrijles, droomde ik ook dat ik het al kon.
Ik zat op een ongezadeld gevlekt paardje en we reden zo hard mogelijk door een nooit eindigend veld. Dan juichte ik.
De high desert herkende ik later als de plek van mijn dromen.
In het echt is het tussen mij en die paarden nooit wat geworden. Paardrijles was te duur en die twee keer dat ik daarna nog op een paard terecht kwam, ging het dier er meteen vandoor. Waardoor ik wel hard ging, maar zeker niet juichte.
Heel soms droom ik het nog, een beetje anders dan vroeger; dan komt er een kudde wilde paarden voorbij en zie ik mezelf op de rug van die pony; het indianenkind dat ik nooit was. Zij juicht en ik zwaai.
De Literatour en de Kinderboekenweek voelt alsof die kudde net weer voorbij is geweest. Alsof ik er toch opeens op zat, op zo’n paard. En dat ik het kon. Met mijn handen los zelfs, pratend en juichend en om mij heen al die kinderen uit al die klassen op al die andere paarden. We maakten verhalen met personages die we ter plekke uit kinderen trokken. Die goed konden tekenen of voetballen. Die de wereld redden of elkaar. Een groot eindeloos veld met een toekomst die minstens zo oneindig was. Voor die klassen dan, die paarden, die kinderen.
Ze zijn voorbij gedonderd en ik keek ze een paar dagen na. Daarnet kwam ik mijn pen weer tegen. Dat is mijn toekomst. Daar val je ook minder snel af.

t Beste Bal

Ik had nog opgeschept tegen de uitgever dat Aran net een padvinder is: betrouwbaar. Dus mocht hij met zijn vriendje helemaal zelf het drukke feestgewoel van het Kinderboekenbal in. Ze waren verkleed als vrienden, personages uit een boek dat nog moest komen. Met groene strikken, witte shirtjes en die gele gekregen NS petjes, waar een kleurenblinde visser vast heel blij mee zou zijn.
Dus ik had mijn handen vrij. Ik maakte een praatje, ik maakte nog een praatje, en steeds vaker zochten mijn ogen naar twee groene strikjes. Nergens iets groens, maar ja het was druk. En er was heel veel leuks te doen.
Ik liep nonchalant langs de hippe DJ, huppelde langs de schminktafel, beende dwars door het knusse breihok, nergens vond ik mijn jongetjes. Na drie rondjes keerde ik op mijn schreden terug. Dan maar vertrouwen, dan maar afwachten. Toen zag ik ze natuurlijk. In een hoekje. Met een boekje.

Literatour, dag 5 ontdek je plekje

Zou je naar Almelo kunnen varen, want zo ja, dan gaan we verhuizen, en wel nu. Wat een leuke school hebben ze daar, dat Erasmus en wat een goeie klassen! Verhalen werden er moeiteloos uit de mouw geschud, de vragen waren goed, de voorbereiding was geweldig, er was zelfs een klas die allemaal hoofdstukken aan Weg had toegevoegd. Die ga ik later lezen als de kilometers uit mijn benen zijn, als mijn hoofd niet meer suist.
Misschien dat ze zelfs mijn betoog over verhalen en hoe er veel meer zijn dan je op het eerste gezicht kunt zien, wel oppikten. En weer zo’n mooie mediatheek, met twee open haarden. Weet je wat, laat dat suizen maar zitten, ik ga de zeilen hijsen.

Goeie verhalen Literatour, dag 4

Elke avond werk ik mijn powerpoint bij. Omdat ik ‘vrolijk’ had staan bij ‘zielige’ muziek. Omdat ik meer plaatjes nodig had. Omdat ik nieuwe vragen verzon. Ik krijg tips onderweg van door de wol geverfde docenten, en af en toe ontstaan onderlinge discussies over goeie boeken. Vandaag had ik bovendien een lieve school, dat hielp ook. Met 1 minuut muziek maakten ze al de beste verhalen. Zo ontdekte havo 4  dat de klok te traag tikte, waardoor de kans bestond dat de hele klas voor eeuwig in ‘maandagmorgen’ zou blijven hangen. Gelukkig was daar held Rafael, die het gevaar ontdekte en de boef (Harold) versloeg. Rafael sloeg Harold niet in elkaar, nee, hij zoende hem (want Harold had nooit liefde gekend). De klas joelde en was gered.
Als ik er een film van ga maken komt zeker de helft kijken. Als ik er een serie van maak, kijken ze allemaal.

 

Literatour, dag drie

Ze hadden het soort mediatheek waar ik zou willen wonen. Lekker in zo’n oneindig kussen muziek luisteren en lezen. Of schrijven misschien, in ieder geval hangen. Een gulle mediatheek, waar het misschien wel niet uitmaakte wat ik er deed. Waar ik misschien wel niet per se zou hóeven lezen. Want ook vandaag trof ik weer een jongen die keek alsof hij het over gestampte vingertjes had als hij ‘boek’ zei.  Hij kon het zich simpelweg niet voorstellen, die lol, dat leven dat ergens tussen de letters zou moeten zitten. Maar een verhaal verzinnen bij een muziekje lukte moeiteloos. En hij was in de minderheid. Dit was de school waar we alleenstaande moeder Amina tot huurmoordenaar omtoverden, allemaal gebaseerd op een geluidsfragment en haar verlangen om beroemd te worden. Dit was de school waar een groep, toen de bel al ging zei: ‘Laat die bel maar, we willen nog even door.’

 

Rovers zonder boek

Oioi Havo 3, dat was even schrikken. Niemand las, niemand hield van verhalen en zelfs de lieve meisjes vooraan kwamen niet boven het lawaai uit. Maar ik leerde van ze, dat dan weer wel. Ik leerde dat ze van beeld houden, maar zelfs daar niet echt naar een verhaal kijken. Dus gingen we beelden raden. Wat wordt hier eigenlijk verteld, waar gáát dit over? Het werkte. Niet zo heel goed bij die ene groep, maar da’s het voordeel van vier per dag – wel bij de groepen erna. Uiteindelijk deden leraar Nederlands Jan en ik een polonaise op het Roverslied. Dus toen was het een feestje.

Literatour dag 1

Eerst was ik te laat om nog te vroeg te zijn en daarna was ik gewoon te laat. Ik had wind tegen en het regende en ik was niet meer helemaal gewend om daar rekening mee te houden. Dus werd ik in het Hyperion Lyceum opgewacht door docent Emiel en stagiair Jeroen die ietwat bezorgd naar mijn druipende hoofd keken.
We liepen naar het auditorium. Ik sloot de laptop aan. De batterij was bijna op. Hoe kon dat? Die had ik vorig jaar gekocht, met geld van mijn Jongerenboekprijs. En nu ging dat ding me in de steek laten? Ik bekeek m aandachtig: er was één uitgang stuk. Nu had ik er nog maar twee over, waar mijn ‘klikker’, de stroom én de verbinding met de beamer in moesten.
Aldus klooiende kwam de eerste klas binnen. Of eigenlijk geen klas, maar een cluster waardoor niemand elkaar helemaal kende. Maar ze waren er toch. En ik weerhield ze er net op tijd van helemaal achterin te gaan zin, waar ze in het duister zouden verdwijnen. Met enige tegenzin maar ook weer niet té mopperig schoven ze naar voren. Er kwam nog iemand van het CPNB, Jeroen stond klaar met zijn fijne introductie en ik dacht: dit is pannenkoeken bakken. De eerste is altijd een beetje bobbelig.
‘Wie houdt er van schrijven?’ vroeg Jeroen ondertussen. Er ging geen hand de lucht in. Van lezen hielden er wel een paar, en toen ik ze voorhield dat echt iedereen van verhalen houdt werd er na een tijdje instemmend geknikt. Dus ik had iets bereikt. ‘Batterij bijna op’ stond er op het scherm achter me.
We maakten met elkaar een verhaal om die bewering te testen. De stoerste jongen van de klas werd Petronella die van onderwaterdammen hield. En een voltallige derde jaarlaag won wegens opvallende intelligentie een reis naar Cambodja – maar hoe kwamen ze eigenlijk zo slim?
Zo groeiden we naar elkaar toe, op die eerste dag van de Literatour-tournee. Ik moet de komende vier dagen nog vier scholen en evenzoveel klassen per school.
Een meisje zei: ‘Bij een film kan ik de afloop voorspellen en ken ik de acteurs meestal wel, dat voelt vertrouwder. Bij een boek weet je vaak niet hoe het gaat aflopen en moet je ook nog eens zelf verzinnen hoe de personages eruit zien.’
Ik knikte. Maar het levert ook wat op. Want wie lege ruimte kan vullen met fantasie, leeft kleurrijker. Dat zei ik niet hardop, ik wachtte of het meisje nog meer ging zeggen. Wat ze deed, gelukkig: ‘T is best leuk, uiteindelijk, boeken,’ zei ze.

Weg wordt herdrukt!

Weg wordt herdrukt! Daar was al sprake van, maar nu is er ook opeens een tekort.
Op tijd voor de kinderboekenweek mailt mijn uitgever geruststellend, maar midden in de jongerenboekenweek, zie ik in mijn agenda. Hopelijk zijn er nog een paar exemplaren van de eerste druk over.
Want de Jongerenboekenweek begint de 24ste al en ik doe mee aan de Literatour.
Een tocht langs vijf scholen in vijf dagen met vier of vijf klassen per dag. Ik top t af met boekhandel het Leesteken op zaterdag, maar daar mag ik eten, dus dan weet ik tenminste wat ik moet doen als ik een moeilijke vraag krijg.
Gisteren was de informatiebijeenkomst over die Literatour bij de Schrijverscentrale en over hoe dat er aan toegaat, op zo’n middelbare school. Nu ben ik er hier en daar wel op bezoek geweest, maar het meeste zag ik toch basisscholen van binnen, bovendien had ik het dan nooit over lezen. Vooral over verhalen maken. En nu moeten we ook nog leesbevorderen.
Na afloop praat ik met Buddy Tegenbosch, gespreksleider en ervaringsdeskundige; hij heeft al meerdere Literatours achter de rug.
‘Dat mijn boek over weglopen gaat helpt misschien voor t gesprek,’ hoor ik mezelf half verlegen, half stoer zeggen.
‘Dat helpt vast,’ zegt Buddy, ‘Of je kwetsbaar opstellen,’ voegt hij er behulpzaam aan toe.
‘Kan ik wel,’ ik knik iets te hard van ja. In de verte zie ik ze naderen. De scholen, wielen onder de gebouwen, grote stofwolken, schreeuwende kinderen met zweepjes op de bok, de paarden aanmoedigend.
Ik ga me maar eens voorbereiden. En mijn cowboylaarzen zoeken.

Maria is weer thuis

Toen we in het dok lagen, de derde dag ofzo, stond er opeens een man in de stuurhut. Dat was verder logisch, want in zo’n dok zetten ze een hele grote trap neer (type vliegtuigtrap maar dan wiebeliger – en viezer), en daarmee loop je door tot je boven bent. Het was Antoine, de oude schipper. De man die de Maria Z. (vernoemd naar Maria, zijn vrouw) dertig jaar lang als vrachtschip gebruikte, hoewel ‘gebruiken’ bij een geliefde boot meteen zo raar klinkt.
Buiten, beneden, waren inspecteurs van de verzekering bezig. Met een hamertje om het schip en dan vrij hard op zwakke plekken tikken. Altijd spannend.
Het was geweldig om Antoine aan boord te hebben, want hij wist alles. ‘Wat is…’ begonnen de inspecteurs dan, en dan zei hij het al, de beun en daar moet je even op letten want…het derde roer zat daar, zie je dat?
En hij wist dus ook dat we in de werf lagen. Hoe dan, vroeg ik.
Nou, zei Antoine, dát de Maria Z. weg was, had ik al meteen gehoord. Er varen altijd oude bekenden langs jullie ligplaats. Die sturen me dan een berichtje: ze hebben een roestig sloepje op het achterdek gelegd. Ze hebben een feestje. Zo blijf ik op de hoogte, zei Antoine, met een grijnsje.
Dat de Maria Z. weg was wist hij dus meteen, waar we heen waren moest hij even uitzoeken. Uiteindelijk was het via mijn blog en dan vooral die foto die ik erbij had geplaatst. Het uitzicht vanuit het dok. Dat uitzicht herkende hij. Zaandam, kon niet anders. Voor hij het wist was hij in Zwijndrecht in zijn auto gesprongen en een uurtje later was hij hier.
Dat je een horizon ziet en weet waar je bent. Ik dacht meteen aan het schrijven van een botendetective. Iemand die door immense kennis van watertjes en schepen de grootste inzichten heeft. Als je een leven lang schipper bent, dan kijk je anders. Dáárom moet je dus meerder levens leiden, dacht ik vervolgens, door al die kennis zie je meer. En meer zien is de zin van het leven – of zou dat beter luisteren zijn. Antoine vond het niet erg dat ik mompelend wegliep, die stond met de inspecteurs naar een klinknagel te wijzen.
Nu liggen we weer op onze eigen plek. Ik schrijf dit in diezelfde stuurhut, maar dan met zicht op de vaste rode brug. Af en toe draai ik me om en zwaai naar de grote boten in het Amsterdam Rijnkanaal. Opdat Antoine het ook weet, dat we er weer zijn. Wat hij natuurlijk allang weet.