Ze hadden er zon bij

Ben, terwijl ik dit schrijf, benieuwd hoe vaak ‘woorden’ de werktitel van een stukje is geweest en of deze blijft. Ik was in het Zonnehuis, bij de opnames van de documentaire van Frans Weisz, waar ik de tekst voor schreef. En dat was meer dan een voice-over alleen, hoewel ik zo’n diepe mannenstem die mijn woorden uitspreekt ook heel aantrekkelijk zou hebben gevonden. Het wás een mooie mannenstem, en hij hoorde bij Vincent van der Valk, maar hij was meer dan stem alleen. Ik had een personage geschreven, een man die in het theater woont en van daaruit zijn verhaal vertelt. Ik zat in een hoekje met twee dames waarvan ik hun precieze functie ben vergeten, de cameraman, de man van geluid, de man van het licht, de editor, Frans natuurlijk en Vincent zelf. Ik was onder de indruk. Magie op de vierkante centimeter. Iets wat aan het ontstaan is. Zoals ik me voorstel dat Antwerpse diamantmakers met zijn allen om een hoopvol steentje heen gaan staan. Dat moment vóór je het weet.
Daarna was ik op de boekpresentatie van Manon Duintjer in die mooie boekhandel de Vries in Haarlem. En daar voelde ik het weer, de hoop. Hoop in combinatie met zin; zin om te horen hoe de hoop klinkt.

Spreeuwen in de mist

Het geluid van klapschaatsen in een bocht, omdat het als ganzen klinkt. Een zwaan die opstijgt en daarbij een stuk over het water rent, met flapvoeten. Vanmorgen, twee angstige katten (ze snappen het kattenluik nog steeds niet) voor de deur en enorm lawaai op de achtergrond. Uur of zes, de wereld grijs. Meestal zijn het kraaien die daar prachtig naargeestig zitten te krassen. Nu was het een met vleugels bedekte boom.

Kattenbakboot

Onze poes Broccoli plast hardnekkig het tapijt onder, dus gisteren waren we in wind en regen naar de dierenarts. ‘Haar ademhaling gaat net zo snel als haar hart,’ zei ze. Wat ik een mooie zin vond omdat je meteen begrijpt wat ze bedoelt, terwijl het net zo goed lekker yoga-traag zou kunnen zijn. De dierenarts wilde de urine onderzoeken, maar dat is best lastig bij een poes die het laat slingeren, dus second best was vanmorgen alle kattenbakken verschonen en schoonpoetsen met chloor (we hebben drie bakken, want internet zegt dat dat kan helpen – één bak meer dan je katten hebt – maar legde niet uit waar die derde bak dan voor nodig is en Broccoli trekt zich er weinig van aan). Toen we daarna bijna te laat voor school buiten kwamen was ik mijn regenbroek kwijt en ik wist meteen; die is echt weg, want is er maar één plek waar hij kan liggen. ‘Het lijkt wel of de regen nooit meer ophoudt,’ zei ik dus tegen Aran. Daar was hij het mee eens.

Na de stilte

En als ik dan een tijdje in stilte, zonder blogjes, zonder opzienbarende publicaties, aan mijn verhalen werk, dan begint de wereld me langzaam te vergeten. Een idee wat ik had voor een filosofiefestival blijkt zonder mij vorm te hebben gekregen, een verhaal dat ik schreef voor een bundel wordt op de site van de uitgever aangekondigd, maar in de aankondiging sta ik niet (wel in de bundel, aan de binnenkant zit ik wel). Het is een traag proces en het schuren ervan zit meer in mij dan in de wereld (want die kan het nauwelijks iets schelen) en toch stel ik me voor dat dit één van de redenen is dat ik ooit begon met schrijven. Om verhalen vast te leggen, om een stem te hebben, om niet te vergeten. Ik ben de bodem, de wereld is het zand, wat zeg ik, we zijn allemaal de bodem. Dat zand geeft geen houvast, dat stuift, dat vervliegt en we moeten er zelfs niet al te melancholisch over doen want daar heeft het zand geen boodschap aan. Beter is het een plastic taartvorm van mijn Milo te pikken – hij voelt zich er al bijna te oud voor – en terug die zandbak in. Mijn stem, nog schraperig van de stilte, eerst te testen, dan een lied aan te heffen. Eerst een lied, dan het verhaal, dan alles meegeven aan de wind.

De tijd nemen om achteruit te reizen

Het geheim van effectief werken, is niet afwachten. Niet afwachten tot de trein zich in beweging zet, niet controleren waarom er op de monitoren staat dat we ons in Rotterdam bevinden terwijl je toch vrij zeker weet dat het Leiden is, en zeker niet gaan checken, in en uit de trein lopen en dan nét op het perron staan als het ding zich alsnog richting Amsterdam Centraal spoedt. Niet aarzelen, meteen instappen en werken, want áls je op dat station was achtergebleven, Leiden of Rotterdam, dat zou het er op dat moment niet eens meer tot doen waar je was, het zou vooral niet-Amsterdam zijn – dan zou zich het besef aan je opdringen dat je nu te laat ging komen om je jongste zoon van school te halen en moest je dus, behalve het ontdekken van een nieuwe, passende – bij voorkeur extreem snelle- trein, ook bedenken welke ouders ingeschakeld konden worden om een tijdelijk reddingsplan toe te passen en dán zou je je realiseren dat de enige vrouw die je kent iemand is aan wie je absoluut geen schulden wilt hebben, ook geen mentale.

E-bike huren, een Uber nemen, de file in die zich dezer dagen ook rond half vier al ophoopt aan de randen van Amsterdam. Dat allemaal niet dus. Want effectief werken is meteen beginnen, een verhaal typen over wat dan ook en dat op je website plaatsen omdat het zo ingewikkeld is als een naaste ziek is, om daar dan níet over te praten. Of wél, maar dan met behoud van een zekere privacy omdat het immers een volwassen mens betreft en niet een, noem eens wat, prematuur geboren kind dat nog zo onderdeel van jezelf voelt dat het woord ‘privacy’ geheel niet in je opkomt.

Dát premature kind dus, dat straks reeds vijfjarige en geheel verhit naar buiten holt en uitsluitend hoofdletters roept ‘Mama! Je hebt heel geen genoeg eten voor me gemaakt!’ en vervolgens weigert zijn jas aan te trekken op de fiets, maar dat zal m leren, want het regent sneeuw en hij is een koukleum, dus die hobbel, voorzie ik, smelt zichzelf.

Effectief schrijven dus. Zitten, de wereld langs laten flitsen (rij altijd achteruit, dan kun je hem nakijken), maar voorwaarts schrijven. Want schrijfweten is anders weten en hoewel ik het aan niemand heb verteld, weet ik hier, nu, waar zijn we, Heemstede, dat ik blij ben dat mijn moeder morgen eindelijk het ziekenhuis uit mag en door naar de revalidatiekliniek. Nieuw hoofdstuk, vol nieuwe confrontaties, maar als ik vandaag op tijd kom, dan hebben we dat alvast gehad.

Het is gebeurd

Och, ze lag zo te stralen, mijn moeder. Op die plek waar nachtmerries wonen, de pacu, de post anesthesia care unit, waar ze de hele nacht moest blijven, want een hemipelvectomie doen ze maar één keer per jaar. Meer kan er van een mens niet af.
We mochten met twee naar binnen, mijn vader en ik. Mijn broer moest op de gang blijven, hij offerde zich op, heel lief. We mochten maar een kwartier. Grote ruimte, monitors, heel veel draadjes, er werd net een zak gif vervangen.
Ze deed haar ogen open, nog gezwollen van de operatie. Toen zag ze mijn vader en ze lichtte op.
‘Het is gebeurd,’ zei ze. Daarna verstond ze onze antwoorden nauwelijks, omdat haar oor nog dicht zat.
Veel meer ga ik niet bloggen over mijn moeder. Tenzij ze zelf zegt dat het mag. Dat ik haar in een verhaal mag meeneem, niet meer helemaal ‘zij’, maar mijn ‘zij’. Dit nog even. Later stonden we buiten, het was donker geworden, ik moest naar de trein.
‘Volgens mij is ze verliefd op je,’ zei ik. ‘We hebben een band,’ knikte mijn vader. En toen straalde hij ook.

Wat ik van mijn moeder leerde

Vandaag komt er een boek met verhalen over moeders uit. Ze pakken het groots aan, want er schreven ook bekende Nederlanders aan mee. De presentatie is vanavond, maar dan ben ik er niet, want dan zit ik in het ziekenhuis. Aan het bed van mijn moeder. Hoop ik.
Terwijl ik dit schrijf snijden ze in haar. Snijden ze stukken van haar af. Het zal haar invalide maken, maar dat is dan het goede nieuws. Want dan is ze er nog.

Hier een stukje verhaal, met seks erin. En een liedje.

Laatst las ik over een test met ratten: geef ze veel seks, voedsel maar vooral
ook veel lichamen om tegenaan te kruipen en ze talen niet naar drugs. Zet ze alleen in een
hokje en ze zijn binnen de kortste keren verslaafd. Ratten doen het uit zichzelf, samenhokken,
maar mensen doen dat niet. Het voelt gek, met wildvreemden tegen elkaar aan staan, elkaar
aanraken, contact. Mijn moeder zou het zeker niet uit zichzelf doen. Ik ook niet, ook dat heb
ik van haar geleerd. Vriendelijke beleefdheid, dat is meer haar stijl. Maar wat mijn moeder
wel doet, en dat doet ze heel goed, is het noodlot accepteren. Als je dan eenmaal als miertjes
in zo’n jampot zit, dan kun je er net zo goed een liedje bij zingen.

Gelukkig

Zo knalden we met een big mama het nieuwe jaar in. Een zwaar ding was het, Edwin zwoegde ermee op de fiets, met Aran oplettend ernaast, want hij mocht niet scheef, dan werkte hij misschien niet.
Hij werkte wel.
Een hele vuurwerkshow in zijn eentje was t. Alle jongetjes stonden met open mond te kijken. In hun handen de lonten, vuurwerkbrillen op, opwinding nog natrillend in hun benen. Er viel geen foto van te maken want alles bewoog steeds. Dat was vast symbolisch voor het nieuwe jaar, stelde de buurman vast. Hij had een enorme champagnefles bij zich en schonk me bij.
Er kwamen mensen de huizen uit om naar onze big mama te kijken. Er stopten fietsers. Auto’s bleef staan op de weg, en uiteindelijk dromde de hele straat, de hele stad samen op die ene stoep, bij onze sterren. Iedereen praatte door elkaar, over bange huisdieren en wiens schuld dat was (boem, deed de big mama en de boem werd een wolk van goud), over goede voornemens en hoe er mensen zijn die ieder jaar hetzelfde wensen. Of je je leven mag veranderen simpelweg omdat er een nieuw jaar aanbreekt. En hoezo ‘mag het’ moet er iemand toestemming geven dan?
Ik stond daar met een slaperig vijfjarig jongetje op mijn arm, we keken allebei eerst naar de vol verwachting zinderende stad en toen naar de lucht waar het nieuwe jaar al in de kruitdampen hing. Het schitterde en het stonk een beetje. Maar dat vonden we niet erg.

Drie

Omdat Broccoli sinds mijn reis naar Oeganda op bed was gaan plassen, liet ik haar elke nacht om drie uur naar buiten. Het ligt nu eenmaal lekkerder als je weet dat je droog blijft.
Broccoli heeft haar leven alweer een week of wat gebeterd, maar ik wakker nog, om drie uur. Dan loop ik een rondje door de boot, dan luister ik naar het gesnurk van diverse jongetjes.
Vannacht vroeg ik me af of het iets over je levensfase zegt, de uren dat je slaapt, en wat je daarvan vindt. Daarna bedacht ik dat wakker zijn om drie uur ’s nachts niks nieuws is. Toen Milo nog kleiner was, een voeding, een nachtmerrie, algehele onrust. Net als met Aran, en, nu ik erover nadenk, ook in de nadagen van mijn barvrouwleven was drie uur een acceptabele tijd om thuis te komen. Een favoriete zelfs, zeker als ik dronken was, nog even wat smsjes sturen waar ik later spijt van zou hebben, dan slapen.
Zelfs zonder drank en kroeg hoorde ik vannacht nog steeds die echo van de rock, de romantiek van het duister, waar altijd een belofte in zit. De belofte van iets fantastisch, iets nieuws, iets onverwachts. Je zíet het niet, want het is donker, maar het zou er zomaar kunnen zijn. Toen kroop ik weer in bed en dekte me toe met een vijfjarig jongetje.
Alles verandert. Alles blijft hetzelfde.

 

Zadelgaten

Daar krijg ik straks natte billen van. Ik kijk, al een maand of vier, naar de gaten die in mijn zadeldek zijn gevallen. Ze zijn geleidelijk ontstaan, eerst puntjes, toen rondjes, nu kraters. Zure regen, depressief zadel, ik kan het me allemaal voorstellen.
Steeds dacht ik vaag: daar moet ik iets aan doen voordat het echt koud wordt. Of: oei, en dan verder niet zo veel.
Want dan was het niet echt koud. Of dan viel het wel mee.
Er was een tijd dat ik dacht dat ik voor de zaken uit zou gaan lopen. Als ik eenmaal volwassen genoeg was en mijn leven afdoende in de hand had. Nu denk ik dat niet meer. Een beetje zoals die gaten in mijn zadel, zitten ze ook in mijn hoofd. Ik loop er omheen en denk; oei. En dan: gelukkig is het nog niet écht koud.