Door de herfst

We bladeren door de herfst, met (niet eens zo heel ver) in de verte als aanrollende donder de Kinderboekenweek en daarna New York. Ochtenden met mist en Milo die als hij moe is niet stopt met kwebbelen. Of allebei de jongetjes die heel hard Bach zitten te neuriën. Want dat is het melodietje van dat ene spel. Benieuwd wat Bach daarvan gevonden had.

Ik begrijp

nu waarom ze zeggen dat het winnen van een prijs overweldigend is. Dat komt omdat je er zo blij van wordt en door al jullie gelukswensen en lieve berichten. Dank jullie wel!
Het schijnt buiten te regenen, maar ik merk er even niks van.

 

Dioraphte Literatour Prijs

1 minuut voor ik op de radio mocht viel Milo van de trap van de stuurhut. Grote boink, hard gehuil, aan de telefoon ondertussen de uitzending waarin bekend gemaakt ging worden dat ik de Dioraphte Literatour Prijs heb gewonnen.
Ik tilde Milo van de grond, legde een waterijsje in een doek tegen zijn rap groeiende bult, checkte of al zijn ledematen er nog aan zaten en in de juiste hoek (ze zaten in de juiste hoek), zette snel voor hem de televisie aan, Dinotrux.
Terwijl ik het nahikkende mannetje over zijn rug wreef, moest ik opeens iets zeggen op radio 1 en ik heb geen idee meer wat dat precies was, maar het was iets met ‘blij!!!’. En ik had ook nog wat dieper willen gaan door iets over waarde op te merken, maar dat lukte niet.
Dus dat doe ik nu. Want het toekennen van kunstprijzen is van waarde. Voor mijzelf, uiteraard, ontzettend fijn dat een verhaal over een weglopertje, dat ik zo graag wilde schrijven, ook graag gelezen wordt. Maar ook voor het (Young Adult) boek. Voor de jury en de jongeren die hebben gelezen en gestemd, een bekroning van die inspanning, het belichten van iets wat de moeite waard is. Voor de jongeren die nog gaan lezen en zo weten: dit is van belang. Lezen, verhalen, kunst, is van belang.

Deze prijs hecht waarde aan verhalen en in verhalen kun je wonen en als je ergens kunt wonen, dan ben je altijd ergens thuis.

Het radiogesprekje is voorbij, ik zet mijn telefoon uit, Milo is stil.
‘Gaat het weer?’ vraag ik mijn vierjarige.
‘Ja,’ klinkt het vanonder de bult. ‘Mag ik nu het ijsje?’

Invulopdracht naar aanleiding van de man in de trein

Een gesprek in de trein, het gebeurt me niet vaak meer. Meestal zit ik al met mijn laptop, of ik zit met mijn neus in een schrift, of zij zitten met hun neus in hun telefoon, of met hun oor.
Dat zat de meneer tegenover me ook en toen hij stopte met bellen zei hij er iets van. Iets als: ‘Gutgut dat getelefooneer van mij ook.’
Nu vind ik het in de trein nooit zo erg om mee te luisteren. Het is leuk om het leven van de beller te verzinnen, plus het onzichtbare leven aan de andere kant, de ogen, de haren, een dikke of dunne neus. Maar nu was ik dat dus, die ogen en die haren, dus ik zei: ‘Ja och, nou.’
Hij vertelde over zijn kinderen (6, 8 en 12) en dat hij in Haarlem woont en dat gesprekken voeren zijn beroep is. Ik vond het leuk. Het gesprek, hij kon het goed, ook al deed hij het min of meer in zijn vrije tijd. We hadden het over werk en over op weg zijn naar huis. Toen de trein in Amsterdam stopte zei ik: ‘Ik ben zaterdag in jouw stad, in Haarlem, dan geef ik een workshop voor jongeren in boekhandel De Vries.’
‘Maar ik ben geen jongere,’ zei hij.
En toen zei ik niets snedigs terug, want daar ben ik in het echt nooit zo goed in.
Maar ik had natuurlijk moeten zeggen: ‘[vul maar in]’

FILMPJES en de Dioraphte Literatour Prijs

Dit is een blogje met linkjes.
Het begon bij de Camjo-opleiding van Open Studio. Daar leerde ik René en Josephine kennen.
Toen ik na een maand of vier weer aan het schrijven sloeg, filmden zij door en werden echte camerajournalisten.
Nóg mooier; ze hielpen me allebei met het maken van filmpjes voor Weg en dat vind ik heel tof, en vererend en fijn.
Bovendien zijn de filmpjes geweldig. En wat ik er extra leuk aan vind: ze zijn eigen.
De beelden die Josephine maakte horen bij Josephine.
Het filmpje van René is ook heel erg René.
En dat klinkt misschien als een open deur, maar dan is het in ieder geval wel een hele mooie open deur.

Trots?
Jazeker!
Wil je ze zien?
Ze staan hiernaast in de balk, want dan blijven ze lekker lang vindbaar. Maar hier natuurlijk ook alvast de linkjes.
Josephine maakte er zelfs twee: deze en deze
René maakte deze

En wil je stemmen op Weg? Dat kan nog tot 14 september. Klik dan hier.

 

 

 

 

Stapelt weemoed

De laatste dag van de vakantie. Van tevoren leek hij zo bijzonder. Zo ver weg ook. Maar nu hij er eenmaal is, ben ik wat knorrig, zijn de kinderen moe en kom ik niet verder dan ‘we gaan even naar de bieb.’
Waar we 14 boekjes uitkiezen en er 7 lezen, dat dan weer wel.
Met het verven van het bijbootje (mijn job deze vakantie) ben ik niet verder gekomen dan de punt, ijverig bijgestaan door Milo met kinderhandschoenen en zijn haar opgestoken – het ging extreem langzaam.
Ik fiets nog even naar de Praxis om een stekker te kopen. Want er zit zo’n blauwe driepootstekker aan het snoer van de accu van de kleine boot, en die past niet in een gewoon stopcontact. Plastic dozen wil ik ook. Daar kun je er, als je kampeert in eigen boot, niet genoeg van hebben.
Ik fiets op inwendig gemopper en verbaas me daarover. We zouden nu immers ook juichend van allerlaatste feestvreugde in de mast kunnen hangen – als we een mast hadden. Maar ik ben onrustig, kort van lont, Aran heeft het ook. Er komt weer iets nieuws aan, tijd glipt weg, de zomer ook, hebben we wel genoeg opgelet. Zou weemoed zo kunnen smaken?
De stekker mislukt, de plastic dozen worden door twee kinderen uit mijn handen gegrist en gevuld met biebboeken. Ik bouw met een plastic tafeltje en een houten stoeltje een zitting voor bij mijn computer. Ik wil niet staan. Milo klimt op mijn schoot, we vallen bijna om en kopen dan twee spaarpotten. Een witte en een blauwe in de vorm van duplo, want dat stapelt zo handig. We hebben dus genoeg om ons op te verheugen.

Daar horen croissantjes bij

Het schijnt dat staand computeren heel erg goed voor je is, want we zitten al zoveel, maar ik word er knorrig van. Anderzijds; schrijven vanuit de slaapkamer met zicht op de opkomende zon is niet verkeerd – hoewel dat knorrige deel van mij dan nog steeds niet begrijpt waarom het niet zittend kan.
Het zit (haha) zo: die slaapkamer probeer ik als een hotelkamer te beschouwen. En dan is het helemaal niet gek dat je er wat opgepropt met nogal veel kleren in zit. Dat er kinderen op je bed liggen en hun vieze patatjes op je tot dan toe kruimelloze lakens schoonwrijven, dat je staat bij je computer, omdat driekwart van de boot in een oranje no-go zone is veranderd. Gelukkig koos Ed aka chef verbouwing oranje om op het dak te leggen toen het donderdag regende en de boel toch wel enigszins bleek te lekken, zo zonder dak. En je zou het dus een verbouwing kunnen noemen die zéker voor het einde van de vakantie nog niet klaar is, maar ook een buitenaardse planeet.
Mocht je dat laatste besluiten, dan drink ik nu dus precies de koffie die ik lekker vind, op mijn – voor een hotelkamer in Amsterdam – niet eens zo heel kleine of dure kamer en ontdek ik straks dat die planeet niet alleen oranje, maar ook nogal lawaaiig is, en logischerwijs moet ik dan op expeditie met mijn zonen; want dit is hun laatste officiële vakantiedag.
Misschien hebben ze ergens in deze stad stoelen.

Columns

Ik ging daarnet proberen de columns van Theaterfestival Boulevard ‘even’ op één van mijn ‘…en verhalen’ pagina’s te zetten. Dat mislukte.
Dus plaats ik gewoon hier mijn column over naakte Cowboys.

Eeuwig feest

In de auto naar oma en opa vertel ik mijn jongens een verhaal. Ze zijn vier en acht en behalve ‘raad eens welk dier ik in mijn hoofd heb’ (een theaterdier, momenteel) willen ze ook altijd een verhaal. Ik vertel ze over een meisje dat zo’n zin heeft om te dansen. Ze wil wonen in beweging, omdat haar vader een gruwelijke kindvretende reus is en haar moeder lang geleden van verdriet uit elkaar viel.
‘Hoe heet ze?’ wil Milo weten, nauwelijks onder de indruk van zo’n treurig ouderpaar.
‘Nina,’ verzin ik. Geknor op de achterbank, Nina keuren ze goed.
Op een dag danst Nina de deur uit, omdat ze niet langer kan aanzien dat haar vader op de kleine vingertjes van al haar vriendjes kluift. Ze danst en ze draait en ze komt op een festival waar ze mag slapen op het plein, onder een tent. Er slapen nog meer kinderen. Weglopertjes, dwalers, vluchtelingen, ze heten verschillend, maar ze hebben allemaal geen huis. En precies daarom voelt Nina het zich, een beetje.
Nina is de dromer van het stel en tegelijk – jawel Milo, dat kan wel – de slechtste slaapster. Elke nacht dwaalt ze over het plein op zoek naar die mythische plek waar het leven altijd doorgaat en het dansen nooit stopt.
Nee dat is niet kinderachtig Aran, bijna alle volwassenen zoeken nog steeds. De leuke in ieder geval wel.
Op een nacht danst Nina door de stad en hoort ze geluid uit een parkeergarage komen.
Niet “vroemvroem” jongens! (de kinderen willen liever terug naar de vingerkootjes knappende reus) Het is een feest. Het is van de United Cowboys en het houdt nooit meer op. Het gaat zelfs al zoveel jaren dag en nacht door, dat iedereen inmiddels mee mag doen. Er dansen meneren en mevrouwen van middelbare leeftijd met ronde kunstbrilletjes en grijze haren door de parkeergarage. Hun stevig stappers hebben ze allang uitgetrokken. Ze zijn naakt, hebben soms een stuk plastic om zich heen geslagen en één heel doortastende vrouw met rood geverfd haar, heeft een pauwenveer in haar bilnaad gestoken en rijdt razendsnel rondjes op rolschaatsen. Ze hebben plezier. Hun lijven blijven achter bij de spieren van echte dansers, maar dat kan het plezier niks schelen. En iedereen die binnenkomt went er heel snel aan.
Een bilnaad? Dat leg ik je nog weleens uit.
Wie?
Die werd in mootjes gehakt.
Door wie?
De zwerfkinderen natuurlijk. Grote mensen geloven niet in reuzen.

 

 

 

 

Tosti met slaap

Dit was de laatste nacht in het hotel, en zoals iedere ochtend hier in ’s Hertogenbosch heb ik over slapen nagedacht. Hoe wonderbaarlijk het is om je ogen aan de rand van de nacht te sluiten en er zonder onderbreking aan de voet van de volgende dag weer uit te komen. Alsof ik een shuttle ben, zó snel voortgestuwd, dat ik de slaap niet merkte.
Dat komt natuurlijk doordat het thuis nooit zo is en ik de nacht altijd in kleine stukjes tegenkom, al een jaar of vier. Meestal met blondje jongetjes erin, en trappelende beentjes. Er is geen oplossing, geen verandering, er is zelfs geen spijt of wrok, maar wel verrassing, over die andere vorm van slaap. Oh ja, die bestond ook nog. Gepaard met een directe vage weemoed dat ik nu al aan mijn bureau zit en het zo nodig moet opschrijven. Dat ik niet nog even lig.
Ooit hoorde ik een kunstchef bij een vergadering lyrisch zijn over het slapeloosheid boek van Annelies Verbeke.  Blijkbaar keek ik niet geïnteresseerd genoeg, want ze voegde er minzaam aan toe: ‘Dat raakt je extra hard als je slapeloosheid kent.’
Even leek ‘gebrek aan slaap’ het beloofde land, waardoor je zaken gaat begrijpen die anders verborgen blijven. Toen dacht ik weer aan de tosti die ik had besteld. Want dat mocht bij die kunstvergaderingen, broodjes bestellen, en tosti’s kon ik tenminste met mijn handen opeten zonder me heel erg ongemanierd te voelen. Tosti’s en slaap, misschien toch nog even op de valreep onderzoeken of ze die hier hebben.
En dan morgen nog één dag Boulevard, de laatste. Zonder hotel, maar met afscheid van mijn geliefde Dagkrantvrienden, vrijwilligers en medewerkers. Ergens halverwege een shuttle vol jongensbeentjes.

Kwak

Het leven on the road; een filmpje dat ik heel graag wil zien maar nergens kan downloaden. Iemand die ten onrechte denkt dat Aran op een kamp gaat en mijn reactie, onderweg gegeven op een boot, varend door het onder-water van ’s Hertogenbosch dat onder de huizen doorloopt, soms oud riool is, maar altijd prachtig – die dan zes keer verstuurd blijkt te zijn. Een telefooncel met een telefoon met draaischijf, en een verhaal uit de hoorn. Maar als ik eerlijk ben de maakt de cel en het gevoel van een telefoonnummer draaien meer indruk. En de gebruiksaanwijzing erbij, want er bestaan mensen die nooit eerder draaiden.
Dat maakt mij dus oud.
Deel uitmaken van een festival, deel uitmaken van de tijd, de dagen die op elkaar beginnen te lijken want ik ben hier al meer dan een week, op en af, af en aan. Je kan dus wennen aan ontregeling. Enigszins.
Vanavond komt misschien Amsterdam hier wel naartoe. Het lukte nog niet eerder. En eerst wilde ik dat juist heel graag, nu ben ik er een beetje zenuwachtig om. Want ik zie mezelf opeens weer met ogen van buitenaf; die vreemde eend in een Brabants nest. Die alvast een beetje ruimte maakt.