De resten van het jaar

Milo is ziek vandaag, die is vanmorgen van bed (zijn eigen) naar bed (het grote) gekropen en zegt dat hij pijn in zijn keel heeft. Zo’n dag wordt het, een dag tussen de dingen door.
Maar de deur staat open, de katten houden inmiddels meer van de zon dan van ons, er is genoeg fruit voor een week.
En als ik naar de tv kijk zie ik een machokat die een fantastische serie salto’s maakt en dan landt op het hoofd van de badmeester. Daar lachen we allebei om.

Vrij zwemmen

Er stond zo’n lijstje in mijn agenda met nog te schrijven dingen, en weliswaar bovenaan maar toch een beetje onderin mijn bewustzijn stond het uitzoekwerk. Niet het schrijven, want dat is leuk, maar het ordenen, het bij elkaar vegen, het me ergeren aan het feit dat ik weet dat ik het heb, maar niet weet waar. Ik was kordaat. Ik was daadkrachtig. Ik ordende eerst, schreef ook nog de column en dat andere stukje plus een mail. Nu is het pas twee uur en heb ik mijn lijstje af. Mag ik eindelijk voor mezelf. Voelt als ijsjes terwijl het nog niet eens weekend is -als ik tenminste heel erg van ijsjes zou houden.

Samenschamen

ik las een interessant artikel over schaamte en hoe we er steeds minder van schijnen te hebben. Met als voorbeeld stervende mensen die columns schrijven, maar het hadden natuurlijk ook moeders kunnen zijn die een blog bijhouden over hun te vroeg geboren kind. Taboes en ze dan openbaar doorbreken.
Er zitten vele, ook minder fraaie kanten aan, maar wat me verraste was dat er geen woord werd vuil gemaakt aan die bijzondere eigenschap van social media: de gedeelde smart, steun in tijden van angst. Wat me destijds zo ontzettend hielp; je zit verstopt in een ziekenhuis en durft nauwelijks adem te halen, en wat ontdek je: online ademt iedereen met je mee.
Een uitweg die vroeger niet bestond.
Of je deelde met familie en intimi of je deelde in de kroeg met vreemden omdat je dronken was (en de volgende dag schaamde je je – afhankelijk van wat je gedeeld had –  rot).
Nu is er dat magische scherm waar gelijkgestemden elkaar kunnen vinden en meeleven op een manier die in kroeg noch familie mogelijk is. Nu is er die mogelijkheid om openbaar iets te vragen over die donkerste meest schaamtevolle plekjes van onze ziel en ons lijf. Vooral de fora floreren de woekerende angsten, het zacht zompige, licht riekende. Daar zitten heel veel kanten aan. Ik snap het. Willen we die etterende wonden wel zien, willen we die aftakeling meemaken? ‘Kijk dan niet’, is een flauw argument. Soms bots je er tegenop. Als een paal op een rotonde. Als een kever tussen je aardbeien.
Maar het is ook: nieuw. Het is troost. Het is de lieve kant van die onzichtbare massa. We zouden er een nieuw woord voor moeten verzinnen.

Laptop

Omdat mijn moeder ruzie heeft met haar Ipad, koop ik een laptop voor haar. Voor 250 euro. Dat is veel geld, maar toch, voor een laptop vind ik dat bijna niks. Een half artikel schrijven is dat. Gemiddeld.
Het is een braaf ding, die laptop. Blauw bovendien. En als je hem omklapt, dan is het een tablet, wat gezien de gewenning aan de Ipad weleens prettig zou kunnen zijn. Het ding wordt lekker vroeg geleverd en zo is de vrijdag meteen vol. Alsof je een nieuwe kamer krijgt, die je mag inrichten met spullen die je al hebt. Hier een beetje Word, daar een fotootje. De schoorsteenmantel nog even stoffen – wat een open haar suggereert, maar een laptop met een open haar is vreemd – dus geen schoorsteenmantel.
Hoewel ik tussendoor ook twee interviews uitwerk. En Aran twee keer langskomt, één keer omdat hij tussen de middag zijn boterham bij mij wil opeten. Eén keer omdat hij na school blijkbaar geen vriendjes had gevonden om mee te spelen. Hij test de laptop beide keren door er Minecraft op te spelen. Hij keurt m goed.

Troostend

Ik ging speciaal wat eerder naar mijn ouders om te helpen met de Ipad. Want die luisterde niet goed. De laptop bij nader inzien ook niet. Het bleek ingewikkelder dan het vinden van een mooie plek om later deze maand hun Gouden Huwelijk te vieren, dat was gewoon een kwestie van Caroline appen, die weet echt Alles. Misschien had ik haar ook over de Ipad moeten appen, maar daar was geen tijd meer voor. We moesten al naar het ziekenhuis. Daar ging het goed, de oncoloog was trots, het herstel gaat voorspoedig en mijn moeder mag op vakantie van m. Het hoosde toen we het bespreekhokje uitliepen, dus at ik kippensoep in het restaurant van het LUMC. Meestal eet ik geen vlees, maar troostende kippensoep in een ziekenhuis vond ik te ontroerend om te laten staan. Of ja, niet voor de kip.
Het regende nog steeds, we reden toch terug naar Oegstgeest. Daarna moest ik al bijna weer naar Amsterdam maar het lukte om een paar instellingen te veranderen, waardoor de laptop het morgen misschien beter doet.

Pasta met patatjes

We gaan met de bus naar de jeugdtheater de Krakeling, wat grappig is, want eerst ging ik daar alleen voor werk naartoe. Nu opeens als moeder van een schoolgaand kind. Er zijn van die momenten dat je weet dat je wereld is veranderd.
Zenuwachtige kleuters zijn lief, met die wapperende beentjes die niet tot op de grond komen. En luid. Het is een voorstelling met dansende groenten en ik zie tot mijn blijdschap opeens Anil opkomen. Alsof theater een huis is en hij er gewoon nog woont. Geruststellend. Fijn.
We zitten vooraan, ik in het midden tussen de kinderen, voor mentale en fysieke steun. Er is één jongetje dat steeds dichter in me kruipt, hij is het bangst voor de Pastafari, die ik wat melig maar ook intrigerend vind; de vleesballen tot haarklonters getransformeerd.
‘Ik snap het niet ik vind het eng,’ fluistert het jongetje.
Ik fluister terug: ‘Ik ook niet. Maar jij vindt dat enger dan ik, omdat het voor jou de eerste keer is.’
Hij gaat weer iets rechter zitten. Er zijn inmiddels patatjes aan het dansen. Dat snappen we ook niet, maar het is niet eng.

 

Oneindig

We zitten in de stuurhut, Milo en ik, allebei op ons schermpje. Hij kijkt naar neerstortende auto’s (‘met niemand erin hoor, met niemand erin’). Ik ga zo verder schrijven aan mijn nieuwe kinderboek over een verdwaalde opa.
Buiten is het mistig. Misschien wel het ideale soort weer voor mij. Op dit moment. Genoeg om je directe omgeving te zien, iets verderop wordt alles wit. Je weet niet wat er komt. En de mogelijkheden zijn oneindig.

De Kleine Cervantes 2018

In mijn mailbox de uitnodiging om op 8 mei naar Gent te komen. Want Weg is genomineerd voor de Kleine Cervantes 2018, van de stad Gent. Eerder was Olivia ook genomineerd, maar het is me nooit gelukt om toen in Gent te geraken, ik weet niet meer precies waarom. Angst, waarschijnlijk, daardoor leek Gent opeens zo ver weg.
Mag je als stoere jongen natuurlijk niet zeggen, dat je het eng vindt, maar het is de waarheid. Ik stel me voor dat ik daar iets moet gaan doen. Dat het de bedoeling is om met al die 150 jongeren vrienden te worden, in één dag. En dat die andere genomineerde boekenschrijvers dat ook allemaal proberen. Het gaat om deze boeken:
Hoe Tortot zijn vissenhart verloor, Benny Lindelauf en Ludwig Volbeda: Querido kinderboeken
Dromer, Saskia Maaskant: Uitgeverij Davidsfonds
Wat niemand ziet, Martijn Niemeijer: Leopold
Vals nest, Beatrijs Peeters: De Eenhoorn
Weg, Jowi Schmitz: Hoogland & Van Klaveren

Gelukkig las ik net Hoe Tortot zijn vissenhart verloor en dat bleef nog dagen aangenaam nazinderen in zijn hoofd. Dat helpt al iets, want nu heb ik zin om Benny (en Ludwig, maar die ken ik eigenlijk niet) te vertellen hoe fijn het was om even in de wereld van Tortot en halve George te zijn. Ik heb ook zin om de andere boeken te lezen nu. Dan kom ik in ieder geval wat leeswerk betreft moeiteloos bij 8 mei uit.
En nu ik hier eenmaal ben, op deze plek in dit verhaal, snap ik ook opeens hoe dat met die angst zit. Die heeft niet zoveel zin. Wij, de genomineerde schrijvers, zijn namelijk die eigenaars van hondjes die meedoen aan een wedstrijd. Iets minder knap gekapt wellicht, en iets minder met de pootjes omhoog bij het rondjes lopen, maar de overeenkomst is toch bovenal dat wij niks meer hoeven. Laat onze boeken die hoepels maar nemen. Dan kijken wij, met rechte ruggen en wenkbrauwen verwachtingsvol opgetrokken, toe.

 

Naschrift: Annie van de organisatie stuurde me heel lief het zinnetje waarmee ik afzei, destijds in 2013: het was de dag dat Aran zou gaan wennen op de basisschool. In de praktijk was het de dag dat Milo geboren werd. Dus lang leve blogjes: nu begrijp ik mijn angst, ik heb m vrolijk vijf jaar mee getild. Is niet meer nodig, denk ik. Misschien iets symbolisch gaan doen daar, in Gent. Een glas melk drinken ofzo.

 

Groei

Terwijl Aran de sterren van de hemel judoot wandelen Milo en ik langs het veld met de narcissen. Hij blijft peinzend staan en zegt: ‘Als je jarig bent, dan word je groter, toch?’
Ik knik, je wordt ieder jaar groter. En ieder jaar kun je meer.
Klopt, zegt Milo. Vorig jaar kon hij nog niet eens een rondje draaien aan de rekstok, bijvoorbeeld. Sterker nog, hij kon er niet eens bíj.
Als hij dit jaar jarig is dan…Hij kijkt me schattend aan. ‘Hoeveel centimeters krijg ik, denk je?’

Hakken

Er lag een oude mango, dus we gingen een smoothie maken. Dat hadden we zonder die mango ook wel gedaan; Milo en ik vinden het leuk om te hakken, namelijk.
Milo op het aanrecht, mango ernaast. Ik mepte een glas van het aanrecht, het viel met een knal aan stukken. Zieke Edwin uit zijn bed, die het glas van zijn kant opveegde, want de keuken is smal en was bezaaid met glassplinters.
We kozen bananen, bevroren en niet bevroren. Ik deed net het kapotte glas in een kartonnen bakje, toen er weer een knal klonk: de grote glazen kan van de blender stuk. Dat was een heleboel meer glas. Dit keer een keihard huilende Milo ook, want dat doet hij als hij schrikt; dan wordt hij boos en (een tijdje) ontroostbaar.
Ik tilde hem voorzichtig van het aanrecht, hij holde naar boven naar de stuurhut om daar uit te huilen. Huilen met uitzicht op golven, het leek me gezien de omstandigheden een goeie keuze. Edwin wéér uit bed, ravage opgeruimd.
Toen hadden we dus een missie.
Op zondag, in de storm, met zijn vieren. Met een zieke, eentje die het huilen achter zich had gelaten, eentje die liever op een schermpje had gezeten (maar ja), en eentje die vond dat we moesten gaan. We hebben in alle ernst een nieuwe uitgezocht. De mango stond nog klaar. Wat bleek bij thuiskomst: hij deed het. Misschien nog wel beter.