Tong uit de mond

Ik zat op het dak van de boot, we waren weer met die schroeven en moeren bezig, maar we hadden ons verslapen. De wereld was dus al wakker, ik had geen lampjes op mijn borst. Iets verderop stonden twee mevrouwen te praten. Ze hadden allebei een hond. De ene net zo strak en aan de lijn als de mevrouw zelf, de andere lekker los en iets meer tong uit de mond. Ze gingen nogal op in hun gesprek, dus merkten ze niet dat de tong uit de bek hond achter een boom zat te poepen. Ze waren op brulafstand, maar het leek me beleefder even te wachten tot hun gesprek voorbij was. Ik had nog een heel dak te gaan, tijd zat.
Uiteindelijk liep de Strakke Lijn langs de boot, terwijl Tong uit de Mond juist de andere kant op struinde. Dus ik zei tegen de Strakke Lijn: ‘De hond van die andere mevrouw heeft net achter de boom gepoept, misschien kunt u dat doorgeven.’
Ze schrok zich een hoedje. Ik had twee capuchons op, dus misschien zag ik er toch gevaarlijker uit dan ik dacht. Het was mijn observatie zei ze, dus ík moest dat regelen. Háár hond poepte nooit achter bomen, immers. Nee heur, dat zei ze. Nee heur.
Ik brulde dus uiteindelijk toch: ‘MEVROUW TONG UIT DE MOND: UW HOND HEEFT NET ACHTER DIE BOOM GEPOEPT.’
Ze verstond eerst boot, en keek vertwijfeld naar het water.
Maar toen zag ze de boom.
Haar hond stond er blij bij te kwispelen.

Oogjes

Vanmorgen om zes uur zat ik op het dek van de boot in mijn spijkerbroek en mijn klusschoenen en met twee vesten – allebei de capuchons op mijn hoofd –  een hemd en een T-shirt aan. Ik schroefde de bouten vast, opdat de dekplaten niet weg gaan waaien als er binnen eenmaal isolatiefoam op de muren zit.
Het was nog donker en het miezerde een beetje. Ik had een leeslampje met twee buigbare lampjes aan mijn vest geklipt, waardoor ik iets meer kon zien. In de huizen gingen één voor één de lichten aan. Na een half uur kwam ik overeind, om mijn knieën een plezier te doen. Aan de overkant van het water stond iemand voor het raam naar me te kijken. Door die blik van over het water zag ik mezelf opeens: ijsbeerachtig, twee lichtgevende oogjes op mijn borst.
En bij dat mens/ijsbeerbeeld zou ik best een plaatje willen leveren, maar dat kan niet, want ik had een boormachine in mijn ene hand en een schroevendraaier in mijn andere.

De scheve eagle pose

Dan sta ik in die yogastudio die vroeger de Wibra was. Dat laatste maakt soms uit. En overal spiegels. In dat leuke nieuwe shirt, waar mijn spierwitte armen zo lekker in tot uiting komen en dan moeten we op één been en dan zegt dat been: nee. Ik doe het niet. Jij kan daar leuk op een matje hot yoga willen doen, ik wil naar bed. Met de regen als excuus voor de deken over mijn hoofd en dan nooit meer naar buiten. Geen gedachtes meer – ook geen rustgevende, gewoon niks.
Soms helpt het om dan dapper door te gaan. Hup, omhoog met dat been. Hup, hupsje, volgende been.
Soms niet.

 

Cricial Access Vroemmmmm

‘Hee het regent,’ zei Edwin. Nu regende het nogal veel gisteren, dus het had best gekund, maar in dit geval was het mijn laptop. Of eigenlijk, de ventilator van mijn supersonische laptop. De regen nam toe, ging over in het landen van een helikopter. En hoewel alle jongetjes in het huishouden dat zeer motiverende geluiden vonden was ik toch minder gelukkig. Ik zag me al zitten op de studio, waar tegenwoordig best wat mensen rondhangen, met mijn nieuwe straaljager. Maar ik zocht op hoe je er iets aan kon doen, ik vond een methode, zette hem aan, typte verder.
En toen ’s avonds, terwijl ik heerlijk een verhaal zat te schrijven, echt in de flow, jeweetwel, dat toppunt van prettig en aangenaam, de woorden glijden als lava naarbuiten – toen hield ie ermee op. Foutmelding. Computer ging uit, weer aan; geen vuiltje aan de lucht. En ook geen tekst meer. Die was weggespoeld, sissend in de zee die na al die regen natuurlijk was ontstaan – verdwenen.
Dus straks pak ik deze laptop weer in, zo mooi, ik hou al een beetje van m. En dan krijg ik een nieuwe. Dezelfde, maar dan met hopelijk minder lawaai. En dan ga ik m weer proberen te vertrouwen. En anders mag Milo hem mee naar school ‘vroemmmmm’.

Spulletjesblog

Dus ik kreeg die Dell XPS en hij kon vast alles wat hij beloofde, maar ik vond m…niet fijn. Te zwaar, te log, niet knap genoeg. Goede les: ik wil dus ook een knappe laptop, niet alleen een goeie (zou dat nou ook voor mannen gelden?). Dus toen stuurde ik m terug, de laptop, niet de man (daar is de garantie van verlopen). En toen mocht ik meteen omruilen. En nu heb ik een Asus Zenbook en ben ik blij!
Het is er ook zo heel erg de zaterdag voor, met regen en twee kindjes in bed (er is niet zoveel ruimte om ergens anders te zitten.) En ik op het randje van het bed, met hier en daar nog een kat en mijn nieuwe speelgoed. Mijn eigen sinterklaasfeestje

Niet vergeten

Met een hoofd vol lijstjes fietste ik langs school. Een vader liep met een verlaat kind naar het dichte hek. Het kind zei alsmaar: ‘Ikwilnietikwilniet’, wat klonk als een mantra. De vader zei steeds: ‘Ja hahaha.’ Wat klonk alsof hij wanhopig dat handboek voor vaders had doorgebladerd en nergens een oplossing gevonden had.
Ze gingen het hek door en ik fietste verder. Bij de boot viel mijn fiets om en dacht ik: oh ja, winterbeurt, hoewel dat niets met het omvallen te maken had. Ik schreef het nergens op dus misschien vergeet dat ik het weer. Toen bracht ik alle boodschappen naarbinnen en brak mijn nek over kater Mo, die op zijn beurt werd geplet door mijn laarzen – bijna.
Het miezerde toen ik bij de studio aankwam en ik maakte koffie en granola muesli die ik net had gekocht. Het halve pakje melk dat ik ook had gekocht bleek niet nodig. Mijn nieuwe laptop was er nog niet, maar mijn oude wel en die startte meteen op en er stonden tot half vijf vanmiddag alleen fijne klusjes op mijn lijstje. Behalve die boodschappen dan, maar die had ik dus al gedaan.

 

Verheugen

Omdat de Kinderboekenweek als een groot bos in mijn agenda stond, kon ik er niet zo heel goed achter kijken. Maar nu zijn we er doorheen (en ik hou best van bomen, zo bleek) en nadert mijn uitgestelde reis (wegens omgevallen man – hij staat weer) naar New York! Ik had me er nog helemaal niet op verheugd, maar doe dat nu dubbel. Woensdag vlieg ik even weg uit Nederland. Met een pen en een schrijfboekje. Verder niks en dat is precies goed.

Soms wil je een vampier worden

Even voor de goede orde; mijn vorige bericht over gitaren en handpoppen in combinatie met kinderboekenschrijvers was niet tegen jullie hè, gitaargebruikende medekinderboekenschrijvers. Het was een persoonlijke overpeinzing over hoe ik me tot een school, tot een klas, tot kinderen wil verhouden. Ik heb niets tegen gitaren, sterker nog, was ik een handpop, dan wilde ik de handpop van een kinderboekenschrijver zijn.
Vandaag was ik in Rotterdam. Eerst het gevecht met de paradox (is het een paradox?) van de file: ga je heel vroeg weg dan mis je m, en ben je dus véél te vroeg. Ga je slechts een luttele tien minuten later, dan grijpt de file je, en kom je pas uren later aan. In het donker rijden, nog zoiets. En al die geluiden overal, de regen, de motor, de toeterende medeweggebruikers (nee hoor, deden ze niet, maar voor het idee)
Ik was dus veel te vroeg. Ik parkeerde naast de school, haalde een paar keer diep adem. Daarna mocht ik een tijdje voor de deur van de school wachten, met de kinderen, alsof ik die van mezelf naar school bracht, behalve dan dat ze er niet bij waren en dat het hun eigen school niet was – maar verder precies hetzelfde.
Een mooi plekje in de kleutergymzaal kreeg ik, met een troon en een flipover en de kinderen hadden zitzakken en bankjes. De workshop werkte per groep beter, met als hoogtepunt meester Laurent die in de tienjarige Gert-die-graag-vampier-wilde-worden veranderde. Vier groepen, drie van zeker vijftig, één van iets van dertig, ze kwamen en gingen en opeens zat ik weer alleen op mijn troon.
Ik pakte de wekker die ik van Aran heb geleend, duwde mijn boeken in de tas, gaf de directeur een hand en liep de school uit. Sleutel in de hand; nu kwam het stuk waarin ik voor de file uit op tijd thuis ging zijn, opdat mijn kinderen niet huilend op het schoolplein stonden. Focus Jowi, hou de auto recht, niet je ogen dicht doen als het gaat regenen. Opeens links van me, ergens boven, heel veel kinderhanden bonzend tegen het raam: het waren de kinderen van meester Laurent. Ze zwaaiden heel hard naar me. Allemaal. En daar moet ik nu, heelhuids thuis, ogen de hele weg opengehouden, nog steeds van glimlachen.

Leeg peuteren

Ieder jaar met Kinderboekenweek is het raak: de schoolbezoeken. Scholen nodigen schrijvers uit om in de klas te komen, om ze warm te maken voor lezen of misschien wel schrijven. Dus reizen door het hele land kinderboekenschrijvers met tassen vol boeken, usbsticks vol filmpjes, worden ze losgelaten op scholen met leerkrachten die óf met enthousiasme meeluisteren of met minstens zoveel interesse hun neus leeg peuteren. Terwijl de schrijver met zweet op het hoofd voor de klas zijn kunstjes doet.
Waarom doe ik dit, denk ik, als ik vlak van tevoren op het punt sta verslonden te worden door die monsters, die kinderen, die hoekige scholen in buitenwijken, waar achter gesloten deuren normale mensen nu eenmaal niet komen. En wát doe ik er eigenlijk, denk ik, als ik collega-schrijvers met tassen vol enthousiasmerende handpoppen en tamboerijnen ten strijde zie trekken. Ik kan dat niet, ik schrijf, verder niks. Hoe zou het zijn als ik binnenkom, mijn vulpen grijp en een beetje uit het raam ga staren.
‘Wat doe je?’ zou de dapperste vragen.
‘Uhm, nou schrijven dus,’ zou ik zeggen en daarna zou ik opstaan en naast de juf gaan zitten neuspeuteren. Of nee, daar hebben juffen op dat moment natuurlijk geen tijd voor omdat er dan net opstand is uitgebroken. Is dát nou een schrijver? Daar is toch geen bal aan?
Wij hadden een exemplaar met mondharmonica voetdrum en het volledige repertoire van Kinderen voor Kinderen verwacht.
Of: andere fase in het schrijven – dat je de kinderen heel erg gaat afleiden van hun werk. Omdat je zélf niet wil werken. Dat is nog wel een idee trouwens. Tot nu toe heb ik het met workshops gedaan. Samen verhalen maken, vrijwel niemand kan immers de verleiding weerstaan om de werkelijkheid naar zijn hand te zetten.
Maar klieren is nóg beter. Ik rij naar een school. Hol naar binnen. Klim op schoot bij het grootste ettertje en gooi zijn schrift door de klas. Daarna pik de gum van het liefste meisje. En als de kinderen dan gaan klagen dat ik vervelend ben, zeg ik gewoon tegen de juf dat ik aan het werk ben. Schrijvers moeten wel klieren, zal ik streng beweren. Dat willen ze vast allemaal schrijver worden.

Staken met zwembad

We zitten in de stuurhut, Milo en ik. Buiten wappert en rammelt van alles. Milo speelt met Lego en houdt er verhalen bij. Hij zegt ‘broem!’ en daarna ‘puntenslijper!’ Ik schrijf mailtjes en kijk wat er nog allemaal moet, deze kinderboekenweek. Beneden hangt Aran in een stoel met een telefoonspelletje. Stakingsdag. Geen school om te bezoeken – voor mij niet, voor de jongetjes niet.
Naast me is een zwembad ontstaan met een kreeft op de rand en twee Legopoppetjes waarvan één zonder hoofd. Het is lekker warm, zegt Milo. We duiken er allemaal in.