Weg wordt herdrukt!

Weg wordt herdrukt! Daar was al sprake van, maar nu is er ook opeens een tekort.
Op tijd voor de kinderboekenweek mailt mijn uitgever geruststellend, maar midden in de jongerenboekenweek, zie ik in mijn agenda. Hopelijk zijn er nog een paar exemplaren van de eerste druk over.
Want de Jongerenboekenweek begint de 24ste al en ik doe mee aan de Literatour.
Een tocht langs vijf scholen in vijf dagen met vier of vijf klassen per dag. Ik top t af met boekhandel het Leesteken op zaterdag, maar daar mag ik eten, dus dan weet ik tenminste wat ik moet doen als ik een moeilijke vraag krijg.
Gisteren was de informatiebijeenkomst over die Literatour bij de Schrijverscentrale en over hoe dat er aan toegaat, op zo’n middelbare school. Nu ben ik er hier en daar wel op bezoek geweest, maar het meeste zag ik toch basisscholen van binnen, bovendien had ik het dan nooit over lezen. Vooral over verhalen maken. En nu moeten we ook nog leesbevorderen.
Na afloop praat ik met Buddy Tegenbosch, gespreksleider en ervaringsdeskundige; hij heeft al meerdere Literatours achter de rug.
‘Dat mijn boek over weglopen gaat helpt misschien voor t gesprek,’ hoor ik mezelf half verlegen, half stoer zeggen.
‘Dat helpt vast,’ zegt Buddy, ‘Of je kwetsbaar opstellen,’ voegt hij er behulpzaam aan toe.
‘Kan ik wel,’ ik knik iets te hard van ja. In de verte zie ik ze naderen. De scholen, wielen onder de gebouwen, grote stofwolken, schreeuwende kinderen met zweepjes op de bok, de paarden aanmoedigend.
Ik ga me maar eens voorbereiden. En mijn cowboylaarzen zoeken.

Maria is weer thuis

Toen we in het dok lagen, de derde dag ofzo, stond er opeens een man in de stuurhut. Dat was verder logisch, want in zo’n dok zetten ze een hele grote trap neer (type vliegtuigtrap maar dan wiebeliger – en viezer), en daarmee loop je door tot je boven bent. Het was Antoine, de oude schipper. De man die de Maria Z. (vernoemd naar Maria, zijn vrouw) dertig jaar lang als vrachtschip gebruikte, hoewel ‘gebruiken’ bij een geliefde boot meteen zo raar klinkt.
Buiten, beneden, waren inspecteurs van de verzekering bezig. Met een hamertje om het schip en dan vrij hard op zwakke plekken tikken. Altijd spannend.
Het was geweldig om Antoine aan boord te hebben, want hij wist alles. ‘Wat is…’ begonnen de inspecteurs dan, en dan zei hij het al, de beun en daar moet je even op letten want…het derde roer zat daar, zie je dat?
En hij wist dus ook dat we in de werf lagen. Hoe dan, vroeg ik.
Nou, zei Antoine, dát de Maria Z. weg was, had ik al meteen gehoord. Er varen altijd oude bekenden langs jullie ligplaats. Die sturen me dan een berichtje: ze hebben een roestig sloepje op het achterdek gelegd. Ze hebben een feestje. Zo blijf ik op de hoogte, zei Antoine, met een grijnsje.
Dat de Maria Z. weg was wist hij dus meteen, waar we heen waren moest hij even uitzoeken. Uiteindelijk was het via mijn blog en dan vooral die foto die ik erbij had geplaatst. Het uitzicht vanuit het dok. Dat uitzicht herkende hij. Zaandam, kon niet anders. Voor hij het wist was hij in Zwijndrecht in zijn auto gesprongen en een uurtje later was hij hier.
Dat je een horizon ziet en weet waar je bent. Ik dacht meteen aan het schrijven van een botendetective. Iemand die door immense kennis van watertjes en schepen de grootste inzichten heeft. Als je een leven lang schipper bent, dan kijk je anders. Dáárom moet je dus meerder levens leiden, dacht ik vervolgens, door al die kennis zie je meer. En meer zien is de zin van het leven – of zou dat beter luisteren zijn. Antoine vond het niet erg dat ik mompelend wegliep, die stond met de inspecteurs naar een klinknagel te wijzen.
Nu liggen we weer op onze eigen plek. Ik schrijf dit in diezelfde stuurhut, maar dan met zicht op de vaste rode brug. Af en toe draai ik me om en zwaai naar de grote boten in het Amsterdam Rijnkanaal. Opdat Antoine het ook weet, dat we er weer zijn. Wat hij natuurlijk allang weet.

 

Weg willen

Ik begin aan dit uitzicht gewend te laten. Blijkbaar went zoiets snel. Maar ik wil wel naar huis, inmiddels. Naar onze ligplek, waar de boot niet zo raar scheef staat, waar het baggeren niet om half zeven begint, waar niet het ene probleem na het ander opdoemt en er eigenlijk geen tijd is om het fixen – waardoor de dagen opschuiven. We zouden vrijdag zakken. Maandag. Nu wordt het woensdag of donderdag vertrekken.
De kinderen alsmaar bij oma, die ga ik vandaag ophalen. Want ik word al moe van die wilde leeuwtjes, oma moet uitgeput zijn (al zal ze de eerste zijn om dat tegen te spreken). Maar weggaan hier bevalt me ook niet. Want er zijn nog zoveel projecten niet af. De gangboorden, met dat mooie grijs. Die zouden de boot kunnen transformeren – als ik tijd had om overal te schilderen. De hele opbouw in een andere kleur; wat een verschil zou dat zijn. Maar dan hebben we een hogedrukspuit nodig, en vooral; tijd. Bovendien wordt hier neergekeken op alles wat je boven de waterlijn doet; dit is een werf; hier repareer je met lasnaden, teer en vuil.
Er vaart een boot voorbij. Volle kracht. Soms voel je dat het tijd is om te vertrekken. Maar je gaat niet.

 

Rupsjes

Natuurlijk is het lastig als de pomp het niet doet waardoor je boot zo schuin hangt dat het lijkt alsof je afgeschoten gaat worden. Maar hang je eenmaal recht, dan hoor je hier.
Er gaat er iets knus van uit. Van een werf. Bovendien is het leven eenvoudig: je drijft, of je drijft niet. Hier worden de dingen beter. En je begrijpt; dat is een route. Als de kokkels van de boot zijn geblazen ruikt het een paar dagen naar lijken en wat je ook aanraakt; het geeft af. Alles maakt ook lawaai, het klopt, het boort, het knettert. En tóch. Een werf, dat is de hartenklop, dat is het essentiële onderdeel van de levenscyclus van iedere boot.
De boot weet het, de bewoners voelen het.
Ik zou een jongetje willen zijn en hier werken. Dan woonde ik in Zaandam. Dan kwam ik om kwart over zeven voor mijn eerste een bakkie koffie en wat klagen met de andere jongens. Of nee, mannen natuurlijk – de gemiddelde leeftijd is vijftig. Dan heette ik Wim en was er nog een oude Wim, werd ik dus automatisch Wimpie. Vond ik dan niet erg. Was normaal.
Dan ging om half acht het alarm af. En om kwart over vier nog eens. Dan was de dag weer voorbij. Fietste ik naar huis, keek ik met een colaatje naar sport op tv. Want, zo zou ik één keer per week in de kroeg beweren; ‘ik hou heel erg van sport’. Of ik ging op vakantie met mijn eigen bootje; aan elkaar gebouwd uit onderdelen die we op de werf hadden gevonden. Mensen gooien zoveel moois weg. Week in week uit. Maar hier werd er iets mee gedaan. Hier kon de wereld nooit vergaan. Dat zouden we allemaal weten. En zelfs áls de wereld verging, dan lasten we hem gewoon weer aan elkaar. Gaven we het lasapparaat aan ouwe Wim. Die legt de mooiste rupsjes.

 

We hebben geluk

We zijn op de werf. Dat is iets wat je één keer per zeven jaar doet, en met deze boot hebben we het nog nooit gedaan. Dus ik voel me een amateur, bij het losmaken van de boot (hoe krijgen we die vast gerotte knopen uit die touwen?) bij het aanleggen, over knopen gesproken, hoe ging dat ook alweer.
De werf zelf helpt mee aan de chaos: overal zwaaien kranen en er loopt een verwilderd echtpaar rond waarvan de vrouw steeds hardop ‘verdorie verdorie’ roept. Het mooie is: van iedereen krijg je de verhalen. Er ligt een houten jacht die (dat?) vorig jaar op de kant ging voor een keuring – en sindsdien issie lek. Een schattige jongen op een sleper vertelt dat hij op de fiets naar zijn werk kan, en niet naar Duitsland moet ofzo. Hij kijkt er heel tevreden bij.
De verwilderde mensen vertrekken; later fluistert iemand dat ze vervroegd de werf zijn uit gezet. Want het is te druk. Er zijn te veel scheepjes. De spullen zijn te oud.
Op dag twee komen we ’s avonds terug uit Katwijk. We hebben er mijn vaders verjaardag gevierd. Het is half twaalf en donker op de werf. Edwin stapt het trapje van de dok op en daarna zijn nette schoen vol in het water. De boot is in zijn eentje met ‘zakken’ begonnen. Als dat zo doorgaat drijven we vannacht het dok uit. Wat nu?
Het is nacht, het kantoor is potdicht. Ik bedenk meteen hoe dit gevoeld zou hebben als we het niet nu hadden ontdekt. Als we vroeg naar bed waren gegaan, omdat morgen half acht de werfstoomfluit alweer gaat. In slaap vallen met dat rustgevende geborrel op de achtergrond en dan langzaam het wijde water op. Een bekende angst; ik voel m thuis ook wel eens. Hij is nu wat reëler.
Dankzij Wikkie en Jurgen – ze hebben een prachtige witte boot die na vijf jaar bijna af is – wordt de werfbaas gebeld en even later staat slaperige medewerker Derk-Jan iets met een pomp te doen. Dit soort dingen gebeuren, zegt hij nonchalant. De droogdok waarin onze boot ligt is immers honderd jaar oud.
Wij staan erbij, in het donker, met onze redders. Ze vertellen over hun boot, over de vijf jaar dat ze er al aan werken, we praten en wachten tot het gevaar geweken is.
‘Kom kijken’, roept Derk-Jan na een tijdje. We drommen samen bij zijn pomp, water kolkt omhoog en hij wijst: er zwemmen lichtjes onder water. ‘Jullie hebben geluk, dat zijn lichtgevende algen. Die zie je hier niet zo vaak.’

 

Vol topattracties

Een pinguïn zag ik in het voorbijgaan en ook een uiterst harige zeeleeuw, dus misschien was dat geen zeeleeuw. Ik had zin om hem te aaien, maar dat mocht dan weer niet. We gingen ongeveer tien keer in een toffe achtbaan van slechts vijftig seconden, maar omdat het niet druk was gaf dat niks want we renden gewoon rondjes – wat op zichzelf al heel bevredigend is, om langs al die dranghekjes te rennen, bedoeld om publiek in eindeloze cirkels naar een kortstondig einddoel te leiden. Die achtbaan had iets met duurzame of andersoortig landbouw te maken, maar omdat we zo hard gingen las ik niks, bovendien leest het lastig als je achteruit scheurt in een wiebelkarretje.
Er vlogen enorme witte vlinders door de vlindertuin – daar pasten wel vijf koolwitjes in – en ik dacht wat ik al eerder dacht; dat het voor de eikenprocessierups zo fijn was geweest als hij later knappe vlinder werd en niet het motachtige dier waar je goed naar moet kijken om te zien dat hij ook nog mooi is, in bruintinten. Bruintinten waren er niet in de Arctic 1, die andere topattractie in een schudstoel met een actiefilm over neerstorten op een ijszee en oh – dáár zag ik die pinguïn natuurlijk, hij zweefde heel levensecht door de zaal tot op de punt van mijn 3D neusbril. Had ik beter gekeken, dan wist ik dat nog. Maar goed kijken, daar hadden we het te druk voor. En daar ging het ook niet over. Net zoals het niet over dieren ging. Wildlands is een pretpark waar dieren tussen de attracties door hobbelen. Heel Animazia, allemaal.

 

Swiss

Lonneke en ik zijn in Genève op kraambezoek. Het jongetje in kwestie is inmiddels 16 maanden oud, maar het mag nog, vinden we allemaal. Mijn koffer zit vol met Jip en Janneke spullen. Balthazar, zo heet het jongetje, is vooral geïnteresseerd in het pakpapier en de bekertjes. We drinken een heleboel koffie samen.
Het is die ene dag dat het regent, dus na de cadeautjes maken we een wandeling door zacht druipend oerwoud. Want hoewel het centrum van Genève een nogal aangeharkte indruk maakt, hebben ze er bergen, en bomen, en veel ongelijke paadjes tussen berg en bomen door.
Het is heerlijk  en ongemakkelijk. Vrienden die je maanden niet ziet, je kent de details van hun leven niet (kende ze misschien nooit echt), dus de helft van de vragen begint met ‘hoe zat het ook alweer’. En dan, als luchtspiegelingen, rijzen daar traag die vergezichten op, stukjes leven in een ander land, een Canadees en een Zwitserse, met hun Alpenkind, dat met de kinderwagen meehobbelt.
Passages. Straks vliegen we alweer terug en ik schrijf dit in een fantastisch hotel vlakbij het station, waar ze ook al zoveel koffie hebben, maar dan zonder Jip en Janneke bekertjes.

Weed

Vanmorgen lag er een zwerver voor onze deur. Op het tuinbankje, tussen de bootjesonderdelen die we gisteren hadden gezaagd en klaar hadden gezet voor het grof vuil. Ik dacht eerst dat ik niet al mijn handdoeken binnen had gehaald. Maar toen keek ik beter: de handdoeken leefden.
Het bleek een zwerfster te zijn. Een dame die vroeger duidelijk knap was geweest, nu ruim in de zestig en bedekt met dat typische laagje vuil dat een straat je nou eenmaal geeft. Hoe erg je onderweg ook je hoofd onder een kraan steekt. Ze had een warrig verhaal over Israël en een vieze opvang en hoe ze in de jaren zeventig en tachtig in Amsterdam had gewoond en nu opnieuw haar naam officieel in iets met ‘Weed’ wilde veranderen, maar dat dat wel 500 euro kostte. Minstens. Daar moest ze zelf hard om lachen. Ze miste een tand.
Milo kwam haar ondertussen zijn A-diploma laten zien, en zijn schatkist. We dronken koffie. Ze had een afspraak met die vieze opvang zei ze, om te praten over de hygiëne, maar veel hoop had ze niet. Er werd nou eenmaal beter geluisterd naar ‘echte burgers’. Mensen met een huis, zeg maar.
Ze vertrok gelijk met ons naar haar afspraak.
Later op de middag belde ik met de KPN over een stompzinnige fout in hun computersysteem waardoor ik nu een pakje aan de andere kant van de stad moest ophalen. De vrouw die ik sprak begreep me niet. Ik wilde iemand spreken die me wel begreep, maar ze hing plompverloren op. Nare klantenservice. Ik liep door de boot, nog een beetje nastomend en op KPNwraak zinnend – een boze mail schrijven wellicht, of nog een keer bellen. Op het aanrecht kwam ik het viltje van ‘Weed’ tegen. Ze had haar mailadres erop gezet, en een krullerige pentekening, en ‘dankjewel.’
Ik stopte mijn telefoon in mijn tas en stapte de zon in.

Vakantiebus

Ze gingen gisteren met de Vakantiebus, een dagkamp in de Kennemerduinen. Milo met zijn vijf jaar voor het eerst, Aran als veteraan. Aran had zijn buurmeisje als maatje aan zijn zijde, Milo had niemand.
Het zijn van die mijlpalen, ook voor ouders, net als Milo’s A-diploma laatst – en wat zijn ze dik gezaaid zo aan het einde van een schooljaar trouwens, die mijlpalen.
Ik tobde dus bij het wegrijden van de bus over de zaken waar ik altijd over tob: zullen ze aardig zijn voor mijn jongens. Zullen ze zich niet eenzaam voelen. Worden ze niet geknepen in de bosjes? En als wel, knijpen ze dan wel terug?
Vanmorgen kondigde Milo aan dat hij niet nog eens wilde. Met die rotbus. Hij huilde er preventief bij, waardoor al mijn zorgen als wekkers aansloegen. Ik had geen weerwoord paraat, maar Edwin zei: ‘Zullen we anders aan de naschoolse opvang vragen of je daar terecht kan?’
Milo begon hevig met zijn hoofd te schudden. Dat was nóg erger. Meteen werden mijn wekkers weer stil, want zó erg is die naschoolse nou ook weer niet.
Uiteindelijk reden we zingend naar de opstapplek.
Aran pakte Milo’s hand én zijn tas toen ze de bus in klommen.
Ik zwaaide, hoewel de ruiten zo donker waren dat ik alleen hun handjes kon zien.

Navel

Het werd hier stil, omdat mijn hoofd van het standje ‘openbaar’ af was. Dat is het nog steeds, maar soms voel ik de behoefte om naar buiten te kijken. Alsof dit een onderzeeër was en ik de periscoop. Over periscopen gesproken; ik kreeg een verrekijker voor mijn verjaardag. Die ligt in de stuurhut en daarmee kan ik van heel ver de namen van de schepen lezen. Ik had ook kunnen zien wat die ene witte tent is, op de oever bij de Oranjewerf. Als die er tenminste nog had gestaan toen ik de verrekijker kreeg. Maar er waren andere dingen te zien. Dus heb ik die verjaarsochtend heel lang om me heen zitten kijken. Sindsdien niet meer, misschien omdat het daarna te warm werd, maar misschien ook omdat kijken nog best ingewikkeld is. Mijn navel zie ik zonder die verrekijker – ondanks mijn alsmaar verjarende lijf – nog moeiteloos.