Rupsjes

Natuurlijk is het lastig als de pomp het niet doet waardoor je boot zo schuin hangt dat het lijkt alsof je afgeschoten gaat worden. Maar hang je eenmaal recht, dan hoor je hier.
Er gaat er iets knus van uit. Van een werf. Bovendien is het leven eenvoudig: je drijft, of je drijft niet. Hier worden de dingen beter. En je begrijpt; dat is een route. Als de kokkels van de boot zijn geblazen ruikt het een paar dagen naar lijken en wat je ook aanraakt; het geeft af. Alles maakt ook lawaai, het klopt, het boort, het knettert. En tóch. Een werf, dat is de hartenklop, dat is het essentiële onderdeel van de levenscyclus van iedere boot.
De boot weet het, de bewoners voelen het.
Ik zou een jongetje willen zijn en hier werken. Dan woonde ik in Zaandam. Dan kwam ik om kwart over zeven voor mijn eerste een bakkie koffie en wat klagen met de andere jongens. Of nee, mannen natuurlijk – de gemiddelde leeftijd is vijftig. Dan heette ik Wim en was er nog een oude Wim, werd ik dus automatisch Wimpie. Vond ik dan niet erg. Was normaal.
Dan ging om half acht het alarm af. En om kwart over vier nog eens. Dan was de dag weer voorbij. Fietste ik naar huis, keek ik met een colaatje naar sport op tv. Want, zo zou ik één keer per week in de kroeg beweren; ‘ik hou heel erg van sport’. Of ik ging op vakantie met mijn eigen bootje; aan elkaar gebouwd uit onderdelen die we op de werf hadden gevonden. Mensen gooien zoveel moois weg. Week in week uit. Maar hier werd er iets mee gedaan. Hier kon de wereld nooit vergaan. Dat zouden we allemaal weten. En zelfs áls de wereld verging, dan lasten we hem gewoon weer aan elkaar. Gaven we het lasapparaat aan ouwe Wim. Die legt de mooiste rupsjes.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *