We hebben geluk

We zijn op de werf. Dat is iets wat je één keer per zeven jaar doet, en met deze boot hebben we het nog nooit gedaan. Dus ik voel me een amateur, bij het losmaken van de boot (hoe krijgen we die vast gerotte knopen uit die touwen?) bij het aanleggen, over knopen gesproken, hoe ging dat ook alweer.
De werf zelf helpt mee aan de chaos: overal zwaaien kranen en er loopt een verwilderd echtpaar rond waarvan de vrouw steeds hardop ‘verdorie verdorie’ roept. Het mooie is: van iedereen krijg je de verhalen. Er ligt een houten jacht die (dat?) vorig jaar op de kant ging voor een keuring – en sindsdien issie lek. Een schattige jongen op een sleper vertelt dat hij op de fiets naar zijn werk kan, en niet naar Duitsland moet ofzo. Hij kijkt er heel tevreden bij.
De verwilderde mensen vertrekken; later fluistert iemand dat ze vervroegd de werf zijn uit gezet. Want het is te druk. Er zijn te veel scheepjes. De spullen zijn te oud.
Op dag twee komen we ’s avonds terug uit Katwijk. We hebben er mijn vaders verjaardag gevierd. Het is half twaalf en donker op de werf. Edwin stapt het trapje van de dok op en daarna zijn nette schoen vol in het water. De boot is in zijn eentje met ‘zakken’ begonnen. Als dat zo doorgaat drijven we vannacht het dok uit. Wat nu?
Het is nacht, het kantoor is potdicht. Ik bedenk meteen hoe dit gevoeld zou hebben als we het niet nu hadden ontdekt. Als we vroeg naar bed waren gegaan, omdat morgen half acht de werfstoomfluit alweer gaat. In slaap vallen met dat rustgevende geborrel op de achtergrond en dan langzaam het wijde water op. Een bekende angst; ik voel m thuis ook wel eens. Hij is nu wat reëler.
Dankzij Wikkie en Jurgen – ze hebben een prachtige witte boot die na vijf jaar bijna af is – wordt de werfbaas gebeld en even later staat slaperige medewerker Derk-Jan iets met een pomp te doen. Dit soort dingen gebeuren, zegt hij nonchalant. De droogdok waarin onze boot ligt is immers honderd jaar oud.
Wij staan erbij, in het donker, met onze redders. Ze vertellen over hun boot, over de vijf jaar dat ze er al aan werken, we praten en wachten tot het gevaar geweken is.
‘Kom kijken’, roept Derk-Jan na een tijdje. We drommen samen bij zijn pomp, water kolkt omhoog en hij wijst: er zwemmen lichtjes onder water. ‘Jullie hebben geluk, dat zijn lichtgevende algen. Die zie je hier niet zo vaak.’

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.