Hoei

Regelmatig kom ik mijn opvoeding tegen. Zoals nu, in een vreemde stad, met nieuwe mensen om mee samen te werken. Hoe werkt dat? Stuur je dan ’s nachts nog dat berichtje om te vragen hoe de voorstelling was, of is na middernacht echt te laat (zelfs al wordt er ’s nachts aan krantjes gewerkt) en wacht ik beter tot de ochtend (Ik wachtte tot de ochtend).
En als ik samen met een zakelijke kennis in een klein eng botsautootje heb gezeten, zoen ik hem dan na afloop gedag, of is een ferme handdruk meer op zijn plek. Of gewoon zo’n vaag zwaaitje waar mijn zonen dol op zijn, met iets van ‘hoei’ erbij.
Sociale omgang, behalve veel glimlachen heb ik er nooit veel van begrepen. En ik denk altijd zeker te weten dat ze het aan me zien, maar ook dat durf ik dus niet te vragen. Hoort dat wel, een gesprek over hoe het eigenlijk moet, met elkaar omgaan. Toegeven dat je het niet weet heeft iets…gênants.
Misschien dat ik daarom manipulatie haat. Ik weet al niet hoe het hoort, ik weet al helemaal niet hoe je moet afwijken van hoe het hoort. Bij theater is dat helemaal erg. Ga ik mee met de groepsbeweging of er juist tegenin? Wie ben ik, ben ik de groep of mijn eigen onhandige zelf?
Sta je daar in een zaal, rennen er allemaal spelers bijna tegen je op terwijl ze gekke bekken trekken. Wat doe ik, terugdeinzen, lachen? Blijkbaar denk ik diep van binnen: hee, wees blij dat ik de moeite nam om in een overvolle bus te stappen om te komen kijken, ga me dan niet ook nog een potje zitten opjagen.
Ook zoiets; een gespreksleidster die haar publiek oproept het podium op te komen. En wij, makke schaapjes, doen dat nog ook. ‘Nu mogen jullie allemaal omstebeurt zeggen waar je je vroeger druk om maakte.’ We vertellen het braaf, de meeste van ons dan.
En in de voorstelling met die rennende bekkentrekkende spelers, bouwen we dan ook nog eens een muur voor onszelf. We krijgen de dozen vriendelijk in handen gedrukt en gaan ijverig aan de slag. De spelers verdwijnen tenslotte en laten ons met elkaar achter, net zo lang tot de meest assertieve bezoekers de gevangenis weer omver hebben geduwd. Maar daar is nogal wat onrust aan vooraf gegaan.
En ik begrijp de bedoeling wel, denk ik. Het snelle leven, het racen en stoppen en waar het allemaal heengaat en hoe we ons inbouwen, maar ik vind het toch naar om mee te maken.
In de pendelbus terug naar het festivalterrein zegt een knap meisje dat ze het juist enorm rustgevend vond, die muur. ‘Maar ik zag natuurlijk wel dat de andere mensen er onrustig van werden.’ Superieur lachje, zij weet wie ze is, en hoe ze met de wereld om moet gaan.
Ik zeg dat ik één van die onrustige mensen was en dat ik weerstand voel, tegen de hele voorstelling. Waarop zij zegt: ‘Nou ja, het is ook interessant als een voorstelling weerstand oproept, vind je niet?’
Zelfs nu ik het opschrijf word ik weer bozig.
‘Als het oproepen van gevoelens per definitie knap is, dan weet ik er ook nog wel een,’ glimlach ik dus en mep mijn tas in haar gezicht.

 

One thought on “Hoei

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *